De Drums vertellen een Afrikaans Verhaal

De tv-uitzending met een concert van Max Roach’ percussiegroep M’Boom Re was genoeg om daags erna met spoed naar de platenzaak te gaan. Dat liep uit op een teleurstelling in tweevoud; men had nog nooit van die groep gehoord en er bestonden – na veel zoeken in catalogi (er was nog geen internet) – geen platen van. Uiteindelijk ging ik naar huis met een plaat van McCoy Tyner, die staat elders op deze pagina. Maar het concert liet me niet los en ik bleef – ik vond het bijna - zeuren over een percussieplaat. De vriendelijke platenbaas kwam na een tijd met ’iets’ voor me: The African Beat van Art Blakey (1962). Op de plaat veel percussie, fluitjes, wat zang en een gebed. Genoeg excentrieks voor mij toen en ook al was dit geen M’Boom Re, het was goed. Zo goed dat ik zelfs de vinyl versie als curiosum nog in huis heb, naast de uiteindelijk in maart 2000 verschenen cd.

Art Blakey (1919-1990) was een fenomenaal drummer, bandleider en samen met de eerder genoemde Max Roach en Kenny Clarke grondlegger van de bebop drumstijl; een minder ‘swingende’, maar meer snelle en duidelijk accent leggende manier van spelen met veel tempowisselingen en de nadruk op virtuositeit. In de jaren veertig bekeerde hij zich, zoals velen, tot de Islam en nam de naam Abdullah Ibn Buhaine aan. Hij speelde met veel groten in de jazz, waaronder Miles Davis, Thelonious Monk, Bud Powell, Horace Silver, Wayne Shorter, Clifford Brown, Freddie Hubbard, de Marsalis broertjes én onze eigen Rita Reys (The Cool Voice of Rita Reys). Met zijn eigen band The Jazz Messengers maakte hij niet alleen veel platen, het was ook een soort school voor onbekend talent; veel van de eerder genoemde musici zijn in zijn band begonnen. Blakey trok altijd jonge muzikanten aan onder het motto ‘Keeps the mind active’ en bleef tot zijn dood spelen en optreden. The African Beat is enerzijds een buitenbeentje in zijn oeuvre, een modegril ook, maar toch ook een plaat met een diepere achtergrond die belangrijk is voor zijn drumstijl.

Het verhaal achter deze Afrikaanse plaat begint in Nigeria met meesterdrummer Babatunde Olatunji. Hij kwam naar Amerika, eerst Atlanta en vervolgens New York en nam in 1959 een plaat op: Drums of Passion. Het was meteen een succes, een groot succes zelfs, de plaat werd meer dan vijf miljoen keer gekocht! Daarmee werd de muziek uit (west) Afrika goed op de Amerikaanse kaart gezet. De plaat was zo succesvol omdat hij op het goede moment kwam, er was een politieke omwenteling aan de gaan, in de (jazz-)muziek werd steeds meer over de grenzen gekeken, denk daarbij aan de opkomst van de free-jazz, maar ook aan het zoeken naar de roots. Drums of Passion had natuurlijk zijn weerslag op de jazzmusici en zeker op de drummers. Enerzijds wilden zij natuurlijk meeliften op het succes en anderzijds ontstonden er andere drumpatronen binnen de diverse jazzstijlen. Platenmaatschappijen konden met name door het opnemen van drums laten horen hoe goed hun opnamen waren met de nieuwe, beschikbare hi-fi apparatuur. Art Blakey was hier allemaal niet ongevoelig voor. Hij had al een keer een reis gemaakt naar Afrika, in 1948, en daar naast religie ook muziek bestudeerd. Na terugkeer ontkende hij de invloed daarvan in zijn drumstijl, maar het was overduidelijk dat dat bezoek zijn drumsporen had nagelaten, bijvoorbeeld alleen al door het gebruik van zijn elleboog om de toon van een gespannen vel te veranderen en het slaan op de rand van drums waardoor een felle klank ontstaat.

Begin jaren zestig had Blakey, zo verklaarde hij later, voor het eerst de mogelijkheid om met andere, Afrikaanse, drummers muziek op te nemen. Zijn label, Blue Note, kon meteen laten horen dat ook zij (lees Rudy van Gelder) goed waren in het opnemen van drums en ander slagwerk. De plaat zou – volgens de bijsluiter - een weerslag zijn van ritmes en invloeden uit voornamelijk West Afrika/Nigeria. Speciaal voor deze sessie hernoemde Blakey zijn band: The Afro-Drum Ensemble. De leden: Art Blakey (USA, drums, pauken, telegraph-drum, gong); Ahmed Abdul-Malik (USA, contrabas); Chief Bey (USA, gongen, conga, telegraph-drum); Robert Crowder (USA, Batá drum, conga); James Ola. Folami (USA, conga); Curtis Fuller (USA, trombonist, maar hier: pauken); Solomon G. Ilori (Nigeria, zang, talking drum, pennywhistle); Montego Joe (Jamaica, corboro drum, log drum, bambara drum, gongen); Yusef Lateef (USA, koeienhoorn, fluit, tenorsax, mbira, hobo) en Garvin Masseaux USA, shekere, Afrikaanse maracas, conga). Even goed kijkend is er slechts één echte Afrikaan in de band: Ilori (Die maakte later een eigen plaat voor Blue Note: African High-Life, met daarop een groot aantal musici uit deze sessie, maar wel een andere drummer: Elvin Jones!). Maar goed, zijn wij niet allen Afrikanen tenslotte?

Ilori begint de plaat met een kort gebed, een ‘standaard’ gebed bedoelt om de zaken goed te laten verlopen. Ilori draagt flink bij in de composities, van de zes muziekstukken is de helft van hem, de anderen zijn van Masseaux, Guy Warren (Warren Gamaliel Kpakpo Akwei, Ghana – die niet voorkomt op deze plaat) en Bey, maar geen enkele van Blakey zelf! Wijselijk liet hij dat over aan anderen, ook hij was, middels zijn geboorte in de USA, geen echte Afrikaan natuurlijk. Ife L’Ayo (There is Happiness in Love) begint met gong en pauken, maar wordt een vrolijk wijsje met fluitjes en iedereen mag meetrommelen! Blakey beukt daar dwars doorheen (dat kon hij sowieso al goed). Obirin Africa (Woman of Africa) is prachtig, langzaam, veel percussie en een betoverende fluit van Lateef (hij kon dat sowieso al goed). Ik krijg hierbij een beetje het Daktari-gevoel en dat is zeer positief, maar opnieuw staat de percussie niet op de voorgrond. Love, the Mystery of is geschreven door de Ghanees Warren, maar het lijkt eigenlijk meer filmmuziek. Opnieuw mooi en gedragen muziek totdat Blakey losbarst. De contrabas – altijd al een prachtig percussie-instrument - speelt hier een niet te onderschatten rol. Ero Ti Nr'Ojeje begint met een serene fluit en weer die bas, dan is het opnieuw tijd voor een meezinger en verandert de hele sfeer van het nummer. In het tweede deel veel percussie en tromgeroffel van Blakey. Boemboemboem. Ayiko, Ayiko (Welcome, Welcome, My Darling) is een populair Ghanees deuntje en Lateef speelt er een lekkere tenorsaxsolo overheen; het swingt behoorlijk. De plaat sluit af met Tobi Ilu, een nummer met Nigeriaanse invloed dat begint met duimpiano, gevolgd door trommels en drums en Blakey en geschreeuw op het eind.

Het is een prachtige, korte plaat, vol afwisseling en mooie thema’s en veel slagwerk en percussie. Allemaal goed! Het is een van de meest opmerkelijke platen van Blakey en van jazzlabel Blue Note. Echter, met de kennis van nu kan ik het absoluut geen Afrikaanse beat noemen en al helemaal geen Afro-drum Ensemble, maar dat maakt mij helemaal niet uit. Toen (jaren zeventig) was ik eraan verslingerd en nu (jaren tien – de tijd loopt immers altijd terug) nog steeds. Het feit dat ik zelfs de vinylversie bewaard heb zegt genoeg, immers: “There is so much more that the drums can say!”, aldus Art Blakey.