Levend Verleden

Wat is er eigenlijk mis met de fluit; die glimmende verleidster van menig jongeling in de namiddag? Een van de oudste instrumenten, bejubelt en zelf kwinkelerend in wereldse streken en ingezet in tal van klassieke varianten. Maar als het gaat om hét instrument in rock moeten we het fluitend doen met een schamel viertal: Jethro Tull, Supersister, Focus en Moody Blues. Zelfs een hoog opgeleid panel in het oerwoud der muziek wist daar niet heel veel aan toe te voegen. Supersister kreeg van mij een eigen site, met Focus had en heb ik niet veel, maar met Jethro Tull fluit ik regelmatig een liedje of twee mee.

Ian Anderson (Dunfermline, Schotland, 1947) is bij uitstek de verbaal kundige en humoristische fluit spelende lokker van muziekfans. Anderson’s familie verhuist eerst naar Edinburgh, vervolgens naar Blackpool. Later studeert hij daar aan de Blackpool College of Art en heeft een bijbaantje als krantenverkoper in een kiosk. Na het regelmatig lezen van de toen nog inspirerende muziekbladen besloot hij dat hij ook wel een bandje kon beginnen. Dat wordt The Blades (1963); eigenlijk een groepje vrienden die het leuk vindt muziek te maken: Barriemore Barlow (drums), Jeffrey Hammond (bas), John Evans (piano) en ene Michael Stephens (gitaar). Anderson speelt gitaar en mondharmonica en is tevens de zanger van de soul- & blues gedomineerde band. The Blades wordt omgezet in The John Evan Band. Evans laat de ‘s’ weg, want dan klinkt het stoerder. De band wordt daarentegen uitgebreid, onder andere met Glenn Cornick (bas), maar valt na een jaar uit elkaar omdat iedereen ergens anders gaat studeren. Anderson woont dan in Luton. Maar ook daar heeft hij snel muzikale vrienden: Clive Bunker (drums) en Mick Abrahams (gitaar) uit de band McGregor’s Engine. Samen met hen en Cornick beginnen ze een nieuwe bluesband en het stel verhuist naar Londen, want daar gebeurt het tenslotte. Voorlopig heeft de band diverse namen, maar geen vaste. Dankzij eigenaar John Gee, die helemaal weg is van hun muziek hebben ze een vaste reeks optredens in de Marquee club. 

Op weg naar de club ziet Anderson in de etalage van de muziekwinkel waar hij dagelijks langsloopt steeds een mooie, glimmende dwarsfluit liggen. Hij besluit op een dag dat hij toch nooit zo goed gitaar zal kunnen spelen als Eric Clapton en eigenlijk iets te gaan doen dat nog niemand tot dan gedaan heeft, stapt de winkel binnen en wordt de nieuwe eigenaar van die mooie fluit. Fluitspelen is één ding, zingen een tweede, maar de combinatie een derde. Zingend en op één been staand fluit spelen lukt hem op een of andere manier al best snel en als vriend Hammond hem een plaat laat horen van jazzmuzikant Roland Kirk weet Anderson dat hij goed bezig is. De definitieve naam van de band ontstaat in 1968 als er een platendeal lijkt aan te komen. Er zijn verschillende verhalen over die naam. Een van de leukere is deze, waarbij je moet weten dat Jethro Tull de wat onterechte bijnaam is voor een slome duikelaar, boerenpummel of luiwammes. Onterecht omdat de échte Jethro Tull een landbouwgenie was die de zaaimachine uitvond en bovendien een boek schreef over de modernisering van de agrarische sector. Bij het binnenkomen van de burelen van de platenmaatschappij werd schertsend opgemerkt dat de alternatief uitziende en harige band wel iets weg had van een zwerver, dus Jethro Tull. Anderson, clean- geen drugs – en een harde werker ook nog eens, was eerst beledigd, maar zag er later de humor wel van in. Bovendien hield hij toen al van het platte land.

Met enige druk van de vader van de manager (Terry Ellis) konden ze bij de bank elfhonderd pond losweken om daarmee de eerste plaat te maken: This Was (1968). Anderson stond op die titel, omdat de muziek in zijn optiek altijd aan verandering onderhevig was en de plaat slechts een tijdopname. Hoe gelijk zou hij krijgen! Mick Abrahams verliet de band al vrij snel wegens muzikale richtingsverschillen; Abrahams was erg verkocht aan de blues en de vele nieuwe winden, al dan niet op fluit, voelden niet lekker. Uit de vele sollicitanten, waaronder ene Tony Iommi (later dé gitarist van Black Sabbath) werd Martin Barre gekozen. Niet omdat hij nu zo goed was, nee hij was flexibel. Met de nieuwe bezetting werd Stand Up (1969) opgenomen. Als je de oude lp-hoes openklapte, klapte de band je tegemoet, een echte sta op! De muziek gaat van klassiek tot jazz en van folk tot klassiek, maar ook de blues is present. Jeffrey Goes to Leicester Square is opgedragen aan vriend Hammond en Bourree blijft de hitsingle uit die periode en ver daarna. Rondom Stand Up volgde in de zomer van 1969 een tournee door de USA. Daar stond de band op het podium, naast of voor Led Zeppelin, Grand Funk Railroad, Blood, Sweat and Tears en Creedence Clearwater Revival. Terug in Engeland werden al die indrukken ‘vertaald’ in nieuwe nummers met een wat hardere muziekstijl. De meeste nieuwe nummers zouden op Benefit (1970) terecht komen. Anderson, wat cynischer dan voor de toer in de Verenigde Staten, moest duidelijk zijn visie kwijt. Tot zijn grote vreugde was John Evan eindelijk bereid mee te spelen; hij zegde eigenlijk alleen zijn pianopartijen voor het nieuwe album toe, maar bleef uiteindelijk tien jaar, “wellicht door het perspectief van knappe meiden, drank, drugs en Porsches”, aldus Anderson in de jongste cd-hoes. De vijfde man gaf iedereen in de groep meer vrijheid. Eén eraf, één erbij. Cornick, het feestbeest, zag de groep om hem heen veranderen in een wat rustigere, vroeg naar bed gaande en veel lezende herenclub en nam afscheid om zijn eigen band op te richten: Wild Turkey.

Met de vierde plaat, Aqualung (1971), vierde Jethro Tull het welverdiende succes. In de gelederen een nieuw, oud lid: Jeffrey Hammond-Hammond. Langzaamaan drupten de vrienden van weleer de band binnen. Dit tot groot genoegen van Anderson, die ‘zijn’ band toch al meer als een vriendengroep zag. Op Aqualung plaatst Anderson kritische geluiden bij het fenomeen kerk en religie: ‘My god what have you done’. De meer akoestische gespeelde nummers brengen een heel eigen sfeer mee. Voor veel fans is dit dé Jethro Tull plaat. Ook al zijn er inmiddels meer dan twaalf miljoen van verkocht, het is niet voor iedereen dé Tull-plaat. Voor een kleinere groep, die moedig weerstand houdt, is dat Thick as a Brick (1972), de plaat met één nummer, verdeeld over twee kanten. Origineel verpakt in een behoorlijk forse krant, met tal van (nep-)artikelen. Het bleek voor Clive Bunker teveel; hij werd vervangen door de laatste oude vriend: Barrymore Barlow; volgens de mensen die het kunnen weten, de beste drummer ooit afkomstig uit good old England. Dag John Bonham!

In datzelfde jaar komt de prachtige dubbel-lp uit waar het hier nu eigenlijk allemaal om draait: Living in the Past (1972). Verpakt in dik kartonnen klaphoes met daartussen tientallen foto’s van de band. Op de platen out takes, left-overs, singles en een klein stukje live-concert. Voor het eerst bij elkaar en gezien de opzet – het meeste is nog niet eerder op lp gezet - eigenlijk een volwaardige plaat. Gaandeweg merk je dat het geluid van de elektrische blues naar de akoestische gitaar met miniatuur love songs verandert. Een prachtig document dat in kwaliteit niet onderdoet voor Aqualung. Helaas is bij het uitgeven van deze set op cd veel verloren gegaan, tenzij je de Japanse replica-versie hebt kunnen vinden. For nostalgic reasons only. Dat heb je er nu van met je hoofd in het verleden. Bij de rerelease en reremasters van de originele platen naar bijdetijdse cd’s werden alle nummers van Living in the Past geplakt achter de tracks van die diverse albums. Dat heet dan nu leuk ‘bonus tracks’. Tijdgeest, weg bijzondere uitgave. Daarmee is Living in the Past letterlijk levend verleden geworden.

Was er nog een toekomst? Anderson maakte de controversiële plaat Passion Play (1973), waarop hij veel saxofoon speelt. De schitterende, humoristische plaat - ik vond hem nog beter dan Thick as a Brick - werd verguisd, de grond in geboord en hel en verdoemenis werd er over uitgesproken door de ‘fans’. Daarna heeft Anderson nooit meer iets in die stijl gedaan. Langzamerhand verdwenen de vrienden uit het bestand en werd Jethro Tull net als veel andere bands een maatschappij met een man aan het hoofd. De groep doet het nog steeds goed, maar behalve Anderson zit er geen enkele bekende meer in. Nog geruime tijd volgde ik de band, maar het hoogtepunt was geweest; soms was er een opleving maar de zwerver van weleer woont inmiddels in een groot landhuis met enkele hectare grond eromheen. Nu leef ik in het verleden en grijp regelmatig mijn hardkartonnen replica uit de kast: “Oh, we won't give in, we'll keep living in the past”.