Knappe Rekensom

James Dean was een rebel, zonder doel, volgens de film. Een jongen op zoek naar snelheid en de grenzen van het leven. In zekere zin was hij hét voorbeeld van en voor de jeugd begin jaren vijftig. Deans vader had het liefst dat hij rechten studeerde, maar Dean had daar zelf een andere mening over, hij wilde acteur worden en dat werd hij ook. In 1951 speelde hij zijn eerste rolletje en dat was het begin van een korte, maar intense filmcarrière. Een ritje in zijn snelle Porsche werd hem fataal. Dean werd niet ouder dan vierentwintig maar was al een cultfiguur geworden. Zijn houding, spijkerbroek, wit T-shirt, beetje nonchalant, dat sprak jongeren aan. Misschien wel zijn meest belangrijke film was Rebel without a Cause, een film over een tiener die problemen heeft met zijn ouders.

Chet Baker was net als Dean een knappe verschijning die ook op zoek was naar zijn grenzen, en net als Dean wel meer dan één vriendin had. Baker experimenteerde behoorlijk met drugs. Zijn heroïneverslaving kostte hem letterlijk zijn tanden, nadat hij bij een dealtje in elkaar werd geslagen. Niet echt handig voor een trompettist natuurlijk. Voorzien van kunstgebit moest hij opnieuw leren spelen en deed dat geweldig. Meer nog dan in Amerika speelde hij in Europa, hij woonde zelfs in Amsterdam. En daar ging het opnieuw mis als gevolg van heroïne en cocaïne. Op 13 mei 1988 vond iemand hem op straat met ernstige hoofdwonden. Vermoedelijk is hij uit zijn raam gevallen na het gebruik van drugs. Hij werd wel ouder dan Dean, maar ook niet echt oud, 59. Baker stond bekend om zijn mooie, ronde en zachte trompettoon, maar ook om zijn zang. Hij had een wat aparte, ‘kleine’ en ook zachte, omfloerste stem die goed bij zijn trompetspel paste.

Zijn muziekstijl viel onder de West Coast jazz, een wat rustigere ‘coole’ jazzstijl, een tegenhanger van de (be)bop die wat sneller en agressiever was. Bop was vaak daarbij meer geïmproviseerd tegenover de West Coast meer gearrangeerd. Opvallend is het regelmatig gebruik van de dwarsfluit bij de Westcoast, bij de Bob was vaak de sax hét instrument. Uiteindelijk heeft de WestCoast jazz maar een geringe bijdrage geleverd aan de jazz in zijn geheel, maar het kleine groepje; Baker was samen met Gerry Mulligan, Bud Shank, Bob Cooper, Shelly Manne en Jimmy Giuffre een van de meest belangrijke vertegenwoordigers van deze muziekstijl.

De plaat Theme Music from the James Dean Story (1958) is alleen al bijzonder omdat die direct de link legt met de twee rebellen: Dean en Baker. In kort bestek komen een aantal, soms prachtige, nummers langs, geschreven door Leith Stevens en gearrangeerd door Johnny Mandel en Bill Holman. In de band zat niet alleen Baker, maar ook Bud Shank (altsax en fluit). Indertijd werd de soundtrack met gemengde gevoelens ontvangen en noemde met het instant cool. Alleen Mandel redde de zaak met zijn prachtige arrangementen. Opmerkelijk was ook de afwezigheid van Let me Be Loved met zang van Baker, op de cd versie is dit weer goedgemaakt. Grappig genoeg herkent veel afspeelsoftware de track nog steeds niet bij naam en noemt die track 11. Let Me be Loved lijkt veel op het eerdere, betere, werk van Baker van zijn plaat Chet Baker Sings. De muziek zal wel ondergeschikt gemaakt zijn aan de film, want je zou beter kunnen en mogen verwachten van beide heren en dan zaten er ook nog ene Pepper Adams (baritonsax) en Charlie Mariano (altsax), Richie Kamuca (tenorsax) in de studio, toch niet de meest onbekende musici.

Anno nu heeft de plaat een eigen sfeer en is die makkelijk te draaien, zelfs onder het eten. Vergelijk dat nu eens met Ascenseur pour l'échafaud van Miles Davis, ook een soundtrack, maar wat voor een. En Miles was toch ook niet bepaald lelijk. Conclusie, als je twee knappe, grensverleggende jongeren samenbrengt is het resultaat niet in het kwadraat, maar gehalveerd.