logo van The Lemontree

Soundtracks uit de Alpen

Zwitserland is nou niet bepaald een land waarbij je denkt als het gaat over rock-, pop- of elektronische muziek. Het is eerder het land van paarse Milka-koeien, rösti, kaasfondue, raclette, het Rode Kruis, chocola, horloges, bankgeheimen en hoge bergen. Ik heb op school geleerd dat de hoogste berg daar de Mont Blanc (4810,90 meter) is, maar dat blijkt de Monte Rosa (4634 meter) te zijn. Dat lijkt qua meters niet te kloppen, maar de uitleg is simpel: de top van de Mont Blanc, onderdeel van de Alpen, ligt in Frankrijk. Muzikaal gezien kom je in Zwitserland al snel uit bij alpenhoorns, jodelen, Après-skimuziek en natuurlijk het fantastische geluid van alle koeienbellen. Dat is in feite een live-compositie op zichzelf. Als je gaat kijken welke groepen, solisten, duo’s uit Zwitserland komen doen die bij mij geen enkele koeienbel klingelen. Op één na: Yello. De ook voor de LemonTree interessante, krautrockachtige band, Kedama, komt zelfs nergens in lijsten voor. Yello is een groep die begon met het maken van filmische muziek. Goede muziek is immers een film voor je oren. Ze deden dat zo goed dat hun muziek echt in films terecht kwam. Dat de leden nauwelijks instrumenten konden bespelen bleek daarvoor geen belemmering. Integendeel misschien.

Eind jaren zeventig begonnen Boris Blank (1952- /keyboards, samples, percussie, achtergrondzang) en Carlos Perón (1952- /tapes) een band. Blank was vrachtwagenchauffeur, maar omdat hij gek was van techniek en muziek leerde werken met elektronische apparatuur. Als kind had hij in het ziekenhuis gelegen. Hij moest aan zijn ogen geopereerd worden en kreeg verband om beide ogen. Zijn andere zintuigen werden daardoor sterker. De ruimte om hem heen werd tastbaarder. Beelden, inclusief geur riep hij op uit zijn herinnering. Na de operatie was hij aan één oog blind. De tijd in het ziekenhuis was de grondslag voor zijn verdere, muzikale ontwikkeling. Al zijn werk zou je kunnen zien als soundtracks. De film maak je er in je eigen hoofd bij. Nadat zijn ouders een Revox-tapedeck gekocht hadden maakte hij zijn eigen tapeloops en geluidseffecten. Later gebruikte hij de geluiden om hem heen in zijn muziek. Blank: "It's a great compliment to me when people tell me my music sounds very picture-like."

Blank ziet zichzelf als een ‘muziekbouwer’. Een soort Boris de Bouwer zeg maar. Met hulp van zijn eigen samples bouwt hij als een soort Legoblokjes zijn muziekgebouw. Aan het eind mogen anderen dan nog iets toevoegen, zoals gitaar en zang. Bij dat bouwen is hij een perfectionist, en dat ondanks, of juist omdat, het feit dat hij nooit een gedegen muzikale opleiding heeft genoten. In deze ontdekkingsfase ontmoet hij, volgens sommige verhalen, via een gezamenlijke hashdealer Carlos Perón. Eigenlijk ontmoette hij die bij een autosloperij. Beide stonden daar om het geluid van auto's die geplet werden op te nemen. Perón was nogal in de free-jazz, Blank meer van King Crimson en Pink Floyd en jazzmuziek van Miles Davis en Herbie Hancock.
Ze ontmoetten elkaar vaker en begonnen muziek te maken. Blank had wat goedkope synthesizers, een Farfisa-orgel, de Revox en een vier-sporen-desk. Perón maakte geluiden met hulp van een synthesizer en maakte ook tapeloops. Het resultaat was muziek met veel ruis, maar het gaf wel de richting aan die ze op wilde gaan.
Muziek werd dus vooral gemaakt door geluiden te mixen en op te bouwen tot een passend klankbeeld. Sampling kon op dat moment redelijk makkelijk, maar liever dan geluiden ‘lenen’ van anderen, maakten ze hun eigen samples. Blank: “Even today, I just start with some noises, some effects, whatever. I collect samples and put them together like a puzzle. Sometimes I’m surprised myself what comes out at the end.”

In 1977 gingen Blank en Perón naar San Francisco om daar Jey Clem van de The Residents en leden van Tuxedomoon te praten; hun Amerikaanse idolen. Met  thuis gemaakte cassettes gingen ze naar Ralph Records, de platenmaatschappij van beide groepen. Het was de tijd van de 'industrial-techno-sound'. Herkenbaar voor het Zwitserse duo. Voor het eerst hadden ze het idee dat ze met hun muziek geld konden verdienen. Eenmaal thuis vonden ze een envelop van Ralph dat die zeker geïnteresseerd waren.

‘Toevallig’ kwamen ze op een zaterdagmiddag in de platenzaak, een kleine winkel in Zúrich waar iedereen kwam, Dieter Meier (1945- /zang, producer, manager) als tegen. De eigenaar van de zaak wilde iets speciaals met hun doen en stelden ze aan elkaar voor. Meier begon spontaan mee te zingen met hun muziek en twee weken later hadden ze een band. Het was nogal een bijzondere keus, want Meier was niet alleen miljonair, maar ook gokker en conceptueel artiest.
De naam, ‘Yello’, komt ook van hem, zijn uitdrukking ‘a yelled hello’ werd omgebouwd tot ‘Yello’. Het moest een simpele naam zijn, iets als de naam van kinderspeelgoed.
Meier zou later films en video’s produceren, waaronder die van Alphaville’s ‘Big in Japan’ en speelde zelf in films. Daarnaast had hij een bedrijf, Euphonix, dat apparatuur voor geluidsstudio’s leverde.

Het eerste geluidsteken van Yello is een maxisingle: ‘I.T. Splash/Glue Head’ (1979). Die wordt uitgebracht op het illustere ‘Periphery Perfume’-label in een oplaag van slechts duizend exemplaren. Dat maakt het nu tot een aardig collectors item. De filmische taferelen zitten er al hoorbaar in. Opvallend is dat hier als derde groepslid ene Carlos Snyder (effects) genoemd wordt. Andere bijdragen komen van Chico Hablas (gitaar) en Felix Haug (drums). De single werd opgenomen door Etienne Conod in Sunrise Studios.
Omdat er nauwelijks echte instrumenten gebruikt worden, kwam Yello al snel terecht in de hoek van de elektronische muziek.

15 Oktober 1980 komt het eerste album uit: ‘Solid Pleasure’. Onder het motto: ‘als we de lelijkste hoes ooit maken vallen we wel op’ verschijnt het album nu echt op Ralph Records. Dat label kende ik toen The Residents, Snakefinger, Tuxedomoon, Fred Frith en Art Bears.
Het geluid van ‘Solid Pleasure’ past goed in de tijd van de zogenaamde ‘new wave’, ‘elektro-’ of ‘synthipop’. Het enige ‘normale’ instrument is de gitaar, gespeeld door de Zwitser Chico Hablas. Blank en Perón nemen alle composities voor hun rekening, Meier is vooral de zanger. De veertien tracks vallen op door een rijk geluid, dat al meteen doet denken aan speelfilms, weliswaar met een flinke drummachine als ondergrond. Meest bekende nummer is ‘Bostich’, een uptempo track met staccato, repeterende vocalen. De reactie in Amerika was opvallend. Blank: “They thought we were two black guys rapping, not music from the cheese-and-chocolate land.”

Perón kwam al vrij snel met een eigen album, ‘Impersonator’ (1981). Dat album werd uitgebracht op Konkurrenz/Phonogram. Perón kreeg zo contact met Louis Spillman, Phonogram directeur. Het was de link naar een platencontract met Yello op dat label. Maar eerst kwam Yello’s tweede album, ‘Claro Que SI’ (1981) nog uit op Ralph Records. Dit keer zat er een wat gestileerdere verpakking om de plaat gedaan door Jim Cherry en dat in maar liefst drie verschillende kleuren: geel, groen of rood. Spaar ze allemaal! Hablas is aanwezig, net als Beat Ash (drums); op het nummer ‘Quad El Habib’ doet Zine el Abidini mee als zanger. Dat is een bijzondere samenloop van omstandigheden, want Brian Eno en David Byrne deden in hetzelfde jaar ook zo’n Noord-Afrikaanse-Westerse mix op hun album ‘My Life in the Bush of Ghosts’. Dat verhaal is elders te lezen op de LemonTree.
De track ‘Ballet Mecanique’ deed bij mij een wenkbrauw fronsen, maar na luisteren had die, behalve de titel, helemaal niets te maken met de gelijknamige compositie van George Antheil uit 1923/24. Echter de Dadaïstische en Post-Cubistische film van Fernand Léger die daarbij hoorde lijkt wel een vingerwijzing te hebben naar de hoes die gebaseerd lijkt op ‘Charlot’, de pop die meermaals in de film opduikt.
Het album is een goede mix van de al vaker genoemde filmmuziek, met vleugjes film-noir, ultra-lounge en exotica, maar dan die van de jaren vijftig, die heel foute, camp-achtige.

Voor ‘Claro Que Si’ maakte Yello een video, hun eerste. Die is voor de rack ‘The Evening’s Young’. Het is een grappige, helemaal in eigen stijl. Een beetje mix van jaren zestig experimentele films, met onrustige beeldflitsen, gekoppeld aan films uit de jaren vijftig en thrillers uit de jaren tachtig. Veel opvallend kleurgebruik ook. Een tweede video voor de track ‘Pinball Cha’ werd opgenomen in het Museum voor Moderne Kunsten in Zürich. De ’visuals’ zitten er goed in.

In 1983 komt er meerdere apen uit de mouw. Perón schrijft de soundtrack voor de film ‘Die Schwarze Spinne’ en Yello brengt het derde album uit: ‘You Gotta Say Yes To Another Excess’. Vervolgens stapt Perón op om een succesvolle solocarrière te beginnen. Hij zou nog menig eigen album uitbrengen en die van anderen produceren. Zijn vertrek reduceerde Yello tot een duo. Er werden geen pogingen gedaan dat te veranderen, de rolverdeling was immers duidelijk: Blank maakt muziek en alle geluiden, Meier doet de vocalen.
De met de gorilla getooide ‘You Gotta Say Yes To Another Excess’ begint meteen goed met ‘I Love You’. Stemmen, piepende autobanden, een uptempo beat. Je ziet de scene zo voor je. De volgende film start al meteen daarna met ‘Lost Again’ en zo gaat dat het hele album door. Prachtig gedaan. Hulp kregen de heren opnieuw van Ash en Hablas.
Het album (be-)viel goed en werd door New Musical Express genomineerd als zesde in de categorie ‘album van het jaar’. De single ‘I Love You’ werd door dezelfde NME geplaatst op nummer zeventien.

‘Stella (1985) is na twee jaar de opvolger en meteen het meest succesvolle album van Yello. Het album belandt op nummer één in de Zwitserse hitlijst. Een unicum, want dat was de eerste keer dat een Zwitserse band dat voor elkaar kreeg. Of dat feit iets zegt over de muziek of de inwoners laat men daar maar in het ongewisse. In buurland Duitsland kwam het album in de top10 en verkocht zo goed dat Yello er een gouden album aan overhield.
Mooie resultaten, maar bijna was het misgegaan met Stella. Blank werkte inmiddels voornamelijk met de Yamaha DX7 en de Roland JX-3P. Voor de samples maakte hij gebruik van de Fairlight CMI en de Arp Odyssey. Der drummachines die hij nu had waren de Linn Lm-1 en de Oberheim DMX. Allemaal bekende namen in deze tijd. Tevens had hij een VP-330 Vocoder en een Framus gitaar. Al die instrumenten nodigden uit het album digitaal te mixen. Dat kon inmiddels. Echter draaide dat uit op een sof. De cleane sound verwijderde letterlijk de soul uit de tracks. Blank: "All the balances were wrong and the dynamic was lost, so I did lots of remixes again in Zurich to save this album". Sommige tracks werden zelfs geparkeerd, omdat ze niet mee geschikt bleken. Door deze misstap moest de release van het album uitgesteld worden tot na kerst en later zelfs naar het nieuwe jaar.

De eerste single van het ‘Stella’: ‘Oh Yeah’ kwam eerst in diverse hitlijsten terecht en vervolgens in diverse films, zoals: ‘Ferris Bueller's Day Off, The Secret of My Success, Uncle Buck, American Pie Presents: The Book of Love, K-9, Captain Underpants: The First Epic Movie’. Daarnaast is het hét themalied van Duffman. Dat is een soort American Hero uit de tekenfilmserie ‘The Simpsons’, inclusief spierballen, zonnebril, cape en maillot.
‘Oh Yeah’ is het enige nummer van Yello dat in Amerika iets betekende, weliswaar een magere 51e plek in de hitlijst, maar toch.
Blank: "First I did the music and then I invited Dieter to sing along, and he came up with some lines which I thought, 'no Dieter, it's too complicated, we don't need that many lyrics'. I had the idea of just this guy, a fat little monster sits there very relaxed and says, "Oh yeah, oh yeah". So I told him, 'Why don't you try just to sing on and on 'oh yeah'?... Dieter was very angry when I told him this and he said, 'are you crazy, all the time "Oh yeah"? Are you crazy?! I can't do this, no, come on, come on.' And then he said, 'some lyrics, like "the moon... beautiful", is this too much?!' and I said, 'no, it's OK', and then he did this 'oh yeah' and at the end he thought, 'yeah it's nice', he loved it himself also. And also I wanted to install lots of human noises, all kind of phonetic rhythms with my mouth; you hear lots of noises in the background which are done with my mouth." (citaat Wikipedia)

‘Desire’ was single nummer twee. Paul Grau, een vriend van Meier had aangegeven dat de video zich zou moeten afspelen op Cuba. Dus werden er inderdaad op Cuba opnames gemaakt. Ze deden niet zuinig met drie orkesten en honderdvijftig dansers en danseressen. Yello’s verblijf werd gefilmd voor een documentaire, ‘Yello auf Kuba’. Zelfs onze eigen Anton Corbijn was er bij. Zijn foto’s kwamen terecht op de achterkant van de single en in het cd-boekje van de re-release van ‘Stella’ (2005). ‘Desire’ werd later gebuikt als muziek in de populaire Tv-serie ‘Miami Vice’ en nog later in de film ‘Dutch’, een Amerikaanse komedie-drama-roadmovie van Peter Fiaman (die van 'Crocodile Dundee').

‘One Second’ (1987) met de uitnodigende lippen, geschilderd door Ernst Gamper, op de hoes, is Yello’s vijfde album. Langzaamaan komen we in het cd-tijdperk en dat is te merken. Op de cd staat een extra, elfde track:’ L'Hôtel’. ‘The Rhythm Divine’ wordt gezongen door niemand minder dan Shirley Bassey, dit is haar eerste cd-single. De track is speciaal voor haar geschreven door Billy MacKenzie. Die laatste was zanger van The Associates, een Schotse postpunk/new-wave-band die een synthipop-hit had met ‘Party Fears Two’. MacKenzie maakte een eind aan zijn leven in 1997. Yello/Bassey’s single werkte het best in Oostenrijk (19e plek), gevolgd door Zwitserland (21e) en Nederland (24e). In Engeland bleef de single steken op een 54e plek. Toch een beetje vreemd, want als je niet beter wist zou je zeggen dat dit een regelrechte James Bond titelsong is.
Dat gezegd hebbende, maar liefst vier tracks van dit album, ‘Call It Love’, ‘Si Senor The Hairy Grill’, "Moon On Ice’ en ‘Hawaiian Chance’ werden gebruikt voor de populaire Tv-detective-serie ‘Miami Vice’. ‘Si Senor The Hairy Grill’ werd ook nog eens gebruikt voor de Amerikaanse Tv-show ‘The Edge’, een uitzending van Fox.
Opvallend aan ‘One Second’ is het uitgebreide personeel: Don Randolph (bastrombone), Steve Trop (trombone), Philip Kienholz (piano, accordeon), Billy MacKenzie (achtergrondzang) en vaste gasten Ash en Hablas. Het maakt duidelijk dat Yello iets serieuzer aan het werk is.
In Amerika werd de eerdere ‘successingle’ ‘Oh Yeah’ aan het album toegevoegd. De reden was het gebruik in de hierboven genoemde films.

‘Flag’ (1988) is Yello’s eerste cd-first-release. De vinylversie kwam erachteraan. ‘Flag’ werd vooral bekend door het ruim acht minuten durende nummer ‘The Race’. Een gekortwiekte versie werd als single uitgebracht en kwam zomaar tot de zevende plek in de ‘UK Single Chart’. Het typische geluid van elkaar achtervolgende auto’s, inclusief geluiden werd gebruikt voor de soundtrack van de film ‘Nuns on the Run’ en als binnenkomer voor het Tv-programma ‘Eurosport’. Later werd het ingezet als tune voor ‘It’s Academic’, een Amerikaans quizprogramma.
Het album werd goud in Duitsland, Oostenrijk en Engeland.

Het duurde drie jaar voordat er een opvolger kwam: ‘Baby’ (1991). Baby brengt ons vooral ‘into the jungle’. De inmiddels bekende Yello-sound wordt ook hier met veel bravoure uitgevoerd. Opvallend is de afwezigheid van vaste gitarist Hablas. De maker van de lippen van ‘One Second’, Ernst Gamper, is nu de gitarist, samen met nieuwkomer Marco Colombo. Daarnaast horen we Rolf Aschwanden (accordeon), Billy MacKenzie (achtergrondzang), Patrizia Fontana (achtergrondzang). Drummer/percussionist Beate Ash is weer wel aanwezig.
Stukken van het album werden nog voor de officiële release gebruikt voor de film ‘The Adventures of Ford Fairlane’, een actie-komedie-mysterie-film van Renny Harlin.
‘Baby’ kwam in Oostenrijk op de eerste plek in de lp-hitlijst, in eigen land slechts tot een vijfde plek. In Zweden vonden ze het ook een leuk album: 17e plek in de lijst daar.

Weer drie jaar later bracht Yello het album ‘Zebra’ uit. Dit keer geen gebruik voor films, wel was het populair in eigen land en verdiende al snel en gouden ‘status’. Dit keer is Ash afwezig, maar Chico Hablas (gitaar) weer terug. Marco Colombo mocht ook blijven. De achtergrondzang werd dit keer gedaan door: Eleonore Meier-Leuthold en Ian Shaw. Shaw is een jazzzanger (3x ‘z’), producer, acteur en stand-upcomedian. Past goed bij het duo. Over Eleonore is niets te vinden.
Zebra is een behoorlijk heftig album. Meer dance dan trance. Ik schat in: vooral even meeliften op de geest van de tijd. Helaas gaat dat ten koste van de nuances in de muziek. En door!
De single ‘Tremendou Pain’ kwam op de zevende plek terecht in de Billboard ‘Hot Dance Music/Club Play’. De grafische Zebra kon niet helemaal verhullen dat Yello nog wel steeds prima muziek maakte, maar de verrassing was er wel een beetje af. In die zin bood hun opgelegde stramien weinig rekruimte.

Het negende album, ‘Pocket Universe’ lijkt er een van een nummer in de rij. Weinig verheffends hier, geen films, geen hitsuccessen. Eigenlijk meer doorgaan op de ingeslagen weg. Dat geldt niet voor de bekende gastmusici, want die mochten allemaal thuisblijven, alleen Stina Nordenstam mag op één liedje, ‘To the Sea’ meezingen. Dat is fijn, want ze schreef het ook.
Bij de cd-versie kregen we er een ‘bonustrack’ bij: ‘To the Sea’ in een remix van Stevie B-Zet (Steffen Britzke).

Eenzelfde verhaal gaat op voor ‘Motion Picture’ (1999). Enige gast is Zwitsers landgenoot Gino Todesco op Fender Rhodes. Dat is al meteen een pluspunt. Die Fender Rhodes dan. Todesco doet mee op twee tracks: ‘Time Freeze’ en ‘Point Blank’. Zijn spel geeft Yello’s stukken een lekker jazzy tintje mee, bijna ‘Riders on the Storm’-achtig. Dat brengt de ‘schwung’ wat terug.

Met ‘The Eye’ (2003) gaat het roer ietsje om. Men heeft door dat de highway een steegje geworden is. Het blijft een typisch Yello-album, maar er wordt gebruik gemaakt van een ‘co-producer: Hubertus von Hohenlohe. Dat klinkt hier als een naam ut een stripverhaal, maar in het echt is Hubertus’ eigenlijk: Prinz Hubertus Rudolph von Hohenlohe-Langenburg; een flamboyant figuur: alpine skiër voor Mexico (!), jet-setter, kunstenaar en muzikant. Hij werkte ook met de Oostenrijker Falco (die van ‘Rock Me Amadeus’ en ‘Jeanny’). Vocaal-werk is vooral gedaan door Jade Davies wiens naam eigenlijk is: Heidi Francoise Nancy Pfau. Op ‘Junior B’ speelt ‘Pogo’: ‘additional bass’. Omdat Heidi alom aanwezig is, klinkt het meer als haar album dan een Yello-album. Het opent een perspectief, maar niet wat men ervan verwacht had. Overigens als je mij had gezegd had dat 'Planet Dada', de openingstrack, er een was van de latere Kraftwerk was had ik dat meteen geloofd.

Gelukkig kon Yello even pas op de plaats maken, want geheel conform de acties in de muziekwereld komt ook Yello met een reeks re-releases: ‘The Yello Remaster Series’ (2005). De ‘vroege’ albums: ‘Solid Pleasure, Claro Que Si, You Gotta Say Yes to Another Excess, Stella, One Second en Flag’ worden opnieuw uitgebracht. Allemaal in digipaks met een reeks bonustracks voor elk album. Speciaal voor Amazon komt er een ‘limited edition boxset’, met daarin de zes cd’s. Alleen de doos is dan extra, maar je betaalt er inmiddels grof geld voor. Door de keus van Yello voor de eerste zes albums is duidelijk dat zij ook weten waar ze de mosterd halen.
In 2005 wordt er op de Zwitserse TV een documentaire vertoond over Yello: ‘Electro Pop Made in Switzerland’.

Na ‘The Eye’ werd het heel lang stil. In 2007 verscheen nog een promo-album voor Audi (het automerk) in een oplaag van 350. Het werd gemaakt voor de presentatie van de Audi A5 ter gelegenheid van de ‘Salon International de L’Auto et Accessoires’ te Geneve. Natuurlijk werd de muziek van Yello gebruikt bij de commercials voor de A5 op de TV.

Pas zes jaar na ‘The Eye’ hoorden wij weer iets van Yello. ‘Touch’ (2009). Het is een meer klassiek Yello-album, beetje terug naar vroeger. De gewone versie was er in oktober, gevolgd door een speciale in december. Die speciaal had zes bonustracks en een DVD met een virtueel concert. Virtueel, omdat Yello nooit concerten gaf. Dat kon ook niet gezien hun manier van werken. Nooit is niet helemaal waar, daarover later meer.
Op ‘Touch’ duiken enkele gasten op: Heidi Happy (zang), Till Brönner (trompet, bugel), Dorothee Oberlinger (fluit), Beat Ash (terug!, percussie) en Gino Todesco (piano).
Het terug naar vroeger en de inzet van andere musici blijkt een goede aanpak van de heren, want in eigen land werd ‘Touch’ opnieuw een gouden album.

Voor een opvolger moesten de fans nog langer wachten, eigenlijk was de vraag of de band, het duo, überhaupt nog bestond. Maar in 2016 verscheen ‘Toy’, zowel als dubbel-lp, cd en een deluxe editie. Die laatste in de vorm van een mediaboek (boek met hardkartonnen kaft én cd) met daarin achtendertig pagina’s foto’s en teksten.
Het album werd goed ontvangen. In de ‘Schweizer Hitparade’ kwam het album op de eerste plek, in de Duitse ‘Offizielle Top100’ op de tweede plek. Buurland Oostenrijk deed het dit keer minder goed: een zestiende plek in ‘Ö3 Hitparade’. In ‘Mahasz’, dat is de Hongaarse lijst, kwam ‘Toy’ tot een dertiende plek, in Nederland bleef het album steken op achtenveertig.
Net als bij ‘Touch’ zijn er gastmusici uitgenodigd mee te doen: Heidi Happy, FIfi Rong en Malia (zang), Jeremy Bear (gitaar).
Je kunt de lijn van ‘Touch’ naar ‘Toy’ zo uittekenen. Goede muziek, typisch Yello, prachtig uitgevoerd, sfeervol en ga maar door, maar eerlijk gezegd is duidelijk dat de hoogtijdagen eigenlijk in de beginperiode lagen.
Desondanks wordt er flink aan- en uitgepakt en gaat Yello voor het eerst in hun historie een concert geven om het album te promoten. Dat vindt niet plaats in hun thuisland, maar in Berlijn en wel in ‘Kraftwerk’. Nee, niet de band, de plek. Eind oktober 2016 zijn er vier uitverkochte shows te bewonderen en te beluisteren.
Helemaal het eerste concert is het niet. In 1978 was een poging in de bioscoop van Zúrich ter gelegenheid van een multimedia spektakel. Blank wilde niet op het podium staan en stond in de orkestbak. “Een ramp dat hele optreden”, vond hij achteraf. In 1983 was er een kort voorstelling, vijftien minuten, in de Roxy, New York, dat was het ook al niet. Vooral niet omdat Blank er niet van hield op welk podium dan ook te staan, hij zat liever thuis.

Dat Yello na al die tijd nog bestaat is mede te danken aan hun humor en hun uiteenlopende karakters: “It’s not like we say ‘we’ve got to do some humour, people will like this, it’s just what happens when both of us are around together.”. Meier houdt ervan te reizen, Blank zit, zoals gezegd, het liefst thuis of in de studio. Reizen maakt hij in zijn hoofd, inclusief de muziek die er dan bij hoort en hij zelf bedenkt. Gelukkig voor ons, anders hadden we al die Yello plaatjes niet.

Het verbaast natuurlijk niemand dat een jaar na het live-optreden een verslag van het concert komt: ‘Yello-Live in Berlin’ (2017). Een dubbel-cd voor de oren en voor de beelden een DVD en/of Blu-ray. Het concert brengt klassiekers als: ‘Bostich, Oh Yeah, The Race, Si Senor The Hairy Grill’, maar ook werk van recentere datums.
Meier en Blank hebben er alles aan gedaan om er iets bijzonders van te maken, visueel, maar ook auditief. Op het podium staat naast het duo bijna een bigband bestaande uit: Noah Fischer (bariton sax), Fabia Mantwill (tenor sax), Ulrich Röser (trombone), Semjon Barlas en Jotham Bleiberg (trompet, bugel), Beat Ash (drums), Roland Peil (met hoed: percussie), Jeremy Bear (gitaar), Fifi Rong en Malia (zang) en tot slot Louise Schumacher, Rebecca Schwietzke en Vivien Cutino Azahares (achtergrondzang). Er wordt met zichtbaar plezier gemusiceerd. Wat je ook ziet is dat de zanger met zijn drie-en-zeventig jaar niet bepaald meer de jongste is. Gelukkig verlagen de jonge mensen om hem de gemiddelde leeftijd met sprongen.
Achteraf was er nog een kleine rel. Er ging een foto rond van Blank in de synthesizersectie. ‘Kenners’ hadden gespot dat er geen snoeren en patches zichtbaar waren, Men suggereerde dat er gebruikt gemaakt werd van vooropgenomen tapes. Het zou kunnen, maar Blank ontkrachte het argument door te stellen dat de foto gemaakt was tijdens de opbouwfase en daarna in een andere setting gebuikt was, waardoor het leek dat.. enz. Een typisch staaltje feitenvervalsing dat in de huidige tijd eerder normaal dan uitzonderlijk is. Als je goed kijkt naar de filmbeelden zie je de snoeren en patches wel degelijk en hoor en zie je ook dat er live gespeeld wordt. Het zou ook tegen de geest van Blank zijn die al zijn hele carrière gebruikt maakt van eigen samples en naar zeggen een ‘sample-bibliotheek’ heeft opgebouwd met meer dan honderdduizend geluiden.

In 2014 komt Blank met een soloalbum in diverse uitvoeringen: ‘Electrified’. Op twee cd’s met bijna veertig stukjes muziek kijkt hij terug naar een samplevol verleden. Een jaar eerder had hij een album gemaakt met Malia, de zangeres die al regelmatig bij Yello opdook: ‘Convergence’.

Of Yello anno nu nog bestaat is wat onduidelijk. Sinds enige tijd bestaat er wel een app voor je smartphone: ‘Yellofier’. Die is ontwikkeld door Blank. Omdat hij van allerlei geluiden houdt en daarmee muziek maakt dacht hij dat dat ook wel eens leuk zou kunnen zijn voor anderen. Met hulp van de app kun je overal geluiden opnamen en die tot muziek verwerken. Dat kan het geluid van de straat zijn, een wijnglas, water, noem maar op. “Leuker dan muziek maken met een piano”, vindt Blank én overal toepasbaar. Er zijn zelfs mensen die de Yellofier ‘live on stage’ gebruiken.
Naast werken met de app is Blank druk als producer en werkt onder de naam ‘Avant Garden’ aan soundtracks voor films en Tv. Meier is ondertussen druk met… chocola en cacaobonen. Die chocola zit toch echt diep in een Zwitsers hart blijkbaar.

Luisteren naar de muziek van Yello is meegezogen worden in een auditieve film. Elke keer weer nieuwe avonturen en scenes, verwachtingsvol en geboeid blijf je dan ook luisteren naar wat er uit de hoed van Blank getoverd wordt. Als hij in Hollywood had gewoond was hij nu beslist een van de grote filmmuziek-componisten geweest. Daarom roep ik dan ook luid: ‘Hello Yello!’ voor die fantastische soundtracks uit de Alpen.