logo van The Lemontree

De 'underground' gelabeld

Nauwelijks had ik de poort van de lagere school voor het laatste achter me gelaten of ik kwam terecht in de Underground. Dat klinkt heftiger dan het is en op dat moment was ik mij daar niet eens bewust van. De Underground was niets meer en niets minder dan een wat vage verzamelnaam voor muziek die niet meteen begrepen werd, of niet meezing- of dansbaar was. Via mijn neven kwam ik in aanraking met een kaleidoscopie van ‘vreemde, moeilijke, gekke, far-out, trippy muziek’ en ik viel er als een blok voor. Vooral de muziek van Frank Zappa & the Mothers of Invention. Talloze tapes nam ik op met hulp van mijn spoelendeck. Uren muziek, dan had ik veel én het was goedkoop. Maar zelf lp’s willen hebben, met mooie hoezen was toch ook wel een wens. De allereerste lp die ik kocht, ik was toen dertien, was Paranoid van Black Sabbath. Die had ik op de TV gezien en gehoord en ik zag wel potentie in die muziek. Het ging natuurlijk om de muziek, maar meteen was daar ook de fascinatie voor de hoes en de vormgeving. Paranoid werd uitgegeven op het Vertigo-label. Eén lp-kant had als label een zwartwit, ronddraaiende structuur vol bogen en cirkels. Hypnotiserend, psychedelisch. Je kon er in ieder geval lang naar kijken. Dat moest ook wel, want ik had maar één plaat. De hoes en de plaat werden dan ook tot op de millimeter bestudeerd. Na een maand kon ik nummer twee kopen: ‘Fireball’ van Deep Purple. Ach, je zit in een periode met klasgenoten. Leuke muziek ook, maar wat ‘noodgedwongen’, ik had nog geen winkel ontdekt met Zappa-platen en deze kon ik ‘gewoon’ bij V&D kopen. Hun assortiment was redelijk gemiddeld zal ik maar zeggen. Fireball kwam uit op het Harvest-label. Dat label was groengeel met een intrigerend logo. Ook daar heb ik lang naar zitten kijken. Was een vraag- en uitroepteken ineen? Was het een zaadje in een gat in de grond dat geoogst werd? Nog iets anders? Ik weet het nu nog niet eigenlijk. In de zomer kocht ik mijn eerste dubbel-lp, ook bij V&D, het verzamelalbum ‘Bumpers’. Dat kwam waarschijnlijk door de voorkant, twee gympen in een Pop-art achtige stijl. Met Bumpers ging een nieuwe geluidswereld voor me open, waaronder: Jethro Tull, Traffic, King Crimson, Free, Nick Drake en Fairport Convention. Bumpers werd uitgegeven door Island Records, dat opviel door het zachtrose label met een wit uitroepteken. Er was nergens een eiland te bekennen, dat kwam pas later. Niet heel veel later kocht ik ‘Present from Nancy’ van Supersister. Die zat op Polydor, een rood label met een dubbele boog, een soort gestileerde lp. Natuurlijk waren er meer, zo kocht ik Hot Rats en uiteindelijke alle Frank Zappa albums, net zoals die van Soft Machine en Pink Floyd. Het viel me toen al op dat ik van sommige labels meer platen in de kast had staan. Blijkbaar was er op dat label voor mij goede muziek te vinden. Daarmee werd het label een aankoopcriterium. Ik wist toen nog maar weinig van muziek, er was geen internet, dus je moest het hebben van tips van anderen en vooral veel kijken in platenzaken. Ken ik die muzikanten? En nu dus ook, ken ik dat label? Het gaf in ieder geval enige houvast. De uitgaven uit de beginperiode van ‘Virgin Records’ kon je ongeluisterd kopen. Dat was altijd goed en dat gold ook voor het ‘Famous Charisma’-label.
Het was de periode waarin grotere platenmaatschappijen sublabels toevoegden om muziek te duiden en aldus te kunnen verkopen. Het hielp, dat weet dus ik uit eigen ervaring. Al die labels zijn inmiddels opgeslokt door giganten als Universal, Warner, of Sony. Leuk is dat er van een aantal labels de afgelopen jaren overzichtsboxjes gemaakt zijn. Die bestaan meestal uit drie cd’s en een aanvullend stuk tekst. Als je ze allemaal bij elkaar zet krijg je een prachtig geluidsbeeld van een spannende tijd vol ontdekkingen en oor-avonturen in de ‘underground’. Terugkijkend weet ik nu dat ik in een bijzondere en creatieve periode muziek ontdekte. Daarna was niets meer hetzelfde. Grofweg liep de periode van 1968 tot 1974. In het stuk hieronder een overzicht van de bekendste labels uit die periode, ook al, omdat artiest en label eigenlijk niet zonder elkaar kunnen.

Natuurlijk begin ik met VERTIGO. Dat label met die prachtige ‘swirl’. Vertigo was indertijd een sublabel van Philips/Phonogram en is opgezet als ‘concurrent’ van Harvest en Deram. Vertigo begon in 1969 in Engeland als basis voor de ‘progressieve rock’ en andere muziek die niet bepaald gemiddeld of gemakkelijk was. De reden was bij elk label hetzelfde, nieuwe, ‘progressieve’, ‘underground’ of ‘psychedelische’ muziek werd gepresenteerd onder één paraplu naast MOR-artiesten. MOR staat voor ‘middle of the road’, zeg maar de meezingbare, makkelijk in het gehoor liggende muziek. Naast grootheden als Nana Mouskouri werd een heavy band als Black Sabbath neergezet. Dat gaf verwarring over de richting van een label. Gerry Bron en Tony Reeves worden genoemd als initiators voor het opzetten van Vertigo. De opzet werd waarschijnlijk geleid door Olav Wyper, de creatieve directeur van Phonogram in Engeland. Hij tekende ook het contract met Black Sabbath. De eerste releases op dat label waren inderdaad nogal verschillend van aard, naast Black Sabbath en Uriah Heep was er de jazzsectie met Colosseum, Affinity, Nucleus en de wat moeilijker te plaatsen Jade Warrior en Gentle Giant, maar ook Juicy Lucy, Manfred Mann en Rod Stewart en de bijna folkachtige Magna Carta.
De oogvanger, de swirl, is ontworpen door Linda Glover. Zijn ontwierp ook enkele hoezen voor Colosseum en Magna Carta. (bron: vertigoswirl.com). Vroeger was geen sprake van een ‘swirl’, eigenlijk is dat ‘modern gedoe’. Maar on de huidige tijd heeft alles een naam nodig blijkbaar. Originele albums uit deze periode, met swirl, gaan nu makkelijk voor meer dan honderd euro over de toonbank. Wat mij toen ook al opviel waren de hoezen. Als je naar de hoezen uit de beginperiode kijkt zie je een soort eenduidigheid. Dat maakte de herkenbaarheid van het label ook groter. Dat komt door de fotografie en ontwerp van één persoon: Marcus Keef.
In 1973 was het helaas gedaan met de swirl, te gedateerd blijkbaar. Daarvoor in de plaats kwam een soort kwal-achtig ruimtevaarttuig, ontworpen door Roger Dean; de man van die mooie hoezen voor de groep Yes. Overigens moesten ze het in Canada doen met een wat simpele ‘V’ in een rondje.
Na de wat zwalkende beginperiode richtte het label zich later meer op ‘gewonere’ rock bands, zoals Bon Jovi, Rush, Kiss, Status Quo en Metallica, maar er was ook plek voor de Dire Straits. Het verdienmodel had hier ook zijn intrede gedaan en de vreemde, alternatieve, gekke, niet-te-plaatsen-bands moesten het veld ruimen. Inmiddels is Vertigo opgegaan in Universal Music, maar er worden nog steeds albums onder de naam Vertigo verkocht, wel met de toevoeging UMe. Voor mij is Vertigo het eerste label uit mijn jeugd, het label met de mooie, ronddraaiende figuur en die bijzondere hoezen van Keef. Een goed begin toch?

HARVEST Records, een sublabel van EMI is begin 1969 opgezet onder leiding van Malcolm Jones, In Amerika werd het verkocht onder de paraplu van Capitol Records. Harvest was opgezet om de stroom nieuwe muziek, progressieven en veelal moeilijk in hokjes passende muziek die loskwam na albums als ‘Sgt. Pepper Lonely Hearts Club Band’ van The Beatles en ‘The Piper at the Gates of Dawn’ van Pink Floyd onderdak te bieden. Jones merkte terecht op dat als al die vreemde muziek, voor het gemak werd alles op de hoop ‘underground gegooid, verkocht kon worden mits die te vinden was onder een makkelijk herkenbaar label. Decca was daar met Deram al mee bezig, maar dat liep op dat moment nog niet geweldig. Met de Moody Blues veranderde dat. Veel serieuzer en bovendien onafhankelijk was Island Records. Traffic deed het daar al erg goed. Na veel aandringen bij de bazen van EMI mocht Jones aan de slag. In juni 1969 was de eerste aankondiging van het label met artiesten als Deep Purple en Barclay James Harvest. Deze werden gevolgd door Michael Chapman. Aan het eind van het jaar hadden ze Pink Floyd en Syd Barrett gecontracteerd. Pink Floyd had een top10 hit met hun album Ummagumma. Het maakte Harvest bekender en het label kreeg meer armslag. Er is nog een linkje met Pink Floyd. Het mooie Harvest-logo is ontworpen door Hipgnosis, de hoezenontwerpers voor Pink Floyd.
Jones regelde een contract met Blackhill Enterprises, de voormalig managers van Pink Floyd. Daardoor kwamen onder anderen de The Third Ear Band, de Edgar Broughton Band, The Pretty Things en Kevin Ayers bij Harvest. Het label liep zo goed dat Decca/Deram als reactie met een sublabel kwam in de stijl van Harvest: Nova, alleen was dat geen lang leven beschoren.
Harvest was een behoorlijk Brits label met twee overzeese uitzonderingen: de band Spectrum (Australië) en de Deense muzikant Sebastian.
Zoals alles veranderde de koers met de opkomst van de Punk en New Wave en werd Harvest het label voor Duran Duran, Thomas Dolby, Wire. Maar ook breder in het spectrum vind je The Little River Band en Iron Maiden, onze eigen Focus en zelfs de latere Soft Machine. Maar veel bands waren eigenlijk al over het muzikale hoogtepunt heen.
Vanaf 1975 is er een sub-sublabel opgezet: Harvest Heritage. Dat label doet wat de naam belooft en meer, want ook bands en artiesten die in de begintijd niet voor Harvest opnamen komen nu met albums, zoals de band Tomorrow. Universal Music kocht EMI en daarmee Harvest. Maar werd daarna weer overgenomen door de Warner Music Group – WMG (2013). Pink Floyd heeft hun muziek in eigen beheer genomen. Hun muziek wordt in Europa uitgegeven door WMG en in Amerika door Sony Music Entertainment – SME. Achteraf gezien waren de hoogtijdagen van Harvest tussen 1969 en 1974, ben ik even blij dat ik toen flink geoogst heb.

Het oudste label in deze rij is POLYDOR. Dat begon als Brachhausen & Riesener in 1887 en was opgericht door Gustav Adolf Brachhausen en Ernst Paul Riesener. In 1913 werd de naam veranderd in Polydor Records, officieel heette dat toen Polyphon-Musikwerke AG. Polyphon was, wat je nu zou kunnen noemen, de pick-up van toen. In 1971 verwierf Polyphon de rechten van het Deutsche Grammophon-Aktiengesellschaft, daarmee werd de naam: Polyphon-Grammophon-Konzern en vervolgens Deutsche Grammophon. In 1941 werd die firma overgenomen door Siemens & Halske. Na de oorlog, 1946 werd een tweesporenbeleid gevoerd: Polydor voor de populaire muziek en Deutsche Grammophon Gesellschaft (DGG) voor de klassieke muziek. Denk bij populaire muziek aan sterren als Caterina Valente, de Kessler Twins, Tony Sheridan, Bert Kaempfert. In 1954 werd een tak in Londen opgezet: Polydor Records ltd. Ook de Engelse variant was ingericht voor populaire muziek. Bij de nieuwe opzet, hoorde ook een nieuw label, dat werd het label dat we nu allemaal kennen, roodoranje met de twee bogen. In 1962 zetten Siemens en Philips een gezamenlijke muziekpoot op: Grammophon-Philips Group. Polydor bleef bestaan, als sublabel.
Polydor ltd. bracht voor het eerst die ‘nieuwe’ muziek. In 1966 zocht manager Robert Stigwood een nieuw label voor een aantal artiesten die hij op dat moment onder zijn hoede had: The Who en Cream. Stigwood was geen kleine jongen en Polydor richtte een sublabel in: Reaction Records. The Who kwam met ‘Substitute’ en ‘I’m a Boy’, Cream met ‘Wrapping Paper’. Het werden allemaal hits in Engeland en Europa. Dat rook naar meer. Cream werd gevolgd door een bandje van ene Chas Chandler: The Animals. In deze periode kwamen The Beatles met ‘Revolver’ met daarop langere tracks. Een nieuwe richting was ingezet en platenmaatschappijen deden alles om de op gang gekomen muzikale omwenteling te volgen. Kit Lambert en Chris Stamp, managers van The Who regelden Track Records onder Polydor’s plu. Natuurlijk ‘zat’ The Who op dat label, maar ook Jimi Hendrix. En die werden gevolgd door een hele reeks anderen, met als meest opmerkelijke die van John Lennon’s en Yoko Ono’s ‘Two Virgins’. EMI weigerde die uit te brengen, omdat de Lennon en Ono in hun blootje op de hoes stonden. Ondanks de vrijgevochten moraal uit deze tijd was dat nog te confronterend vond men.
Giorgio Gomelsky is de volgende aanhaker met een eigen sublabel: Marmalade Records. Gomelsky had vooral contacten in jazzy kringen, zoals John McLaughlin, Chris Barber’s Jazz Band, Julie Driscoll en Soft Machine. Dit contact duurde niet lang, want na onenigheid met Polydor was Gomelsky simpelweg verdwenen en hield zijn label op te bestaan.
In tegenstelling tot andere labels bleef Polydor alle artiesten onder dezelfde vlag houden, James Last en Bert Kaempfert dus naast Arthur Brown en Taste bijvoorbeeld.
In 1969 nam Polydor de dan nog onafhankelijke Amerikaanse MGM/Verve Records over en haalde daarmee artiesten als The Velvet Underground en Frank Zappa & the Mothers of Invention binnen, maar ook een hele reeks bekende jazzartiesten. MGM/Verve werd een nieuw Londen’s label, met als eerste artiest de Canterbury band ‘Caravan’. Later gevolgd door Jethro Tull, Van Der Graaf Generator en vele anderen.
Begin jaren zeventig werd John Peel’s eigen label ‘Dandelion’ opgenomen, waarmee een band als Supersister werd binnengehaald. In de Nederlandse tak was het druk bij Polydor: Focus, Earth & Fire, Golden Earring. In Duitsland hoopte men de nieuwe Beatles binnen te halen door een contract met ‘Faust’ te tekenen. Dat liep anders, maar dat is een heel ander, prachtig verhaal.
Halverwege de jaren zeventig brak de Punk los en was het gedaan met progressief en werd alles onder de Polydorparaplu gezet. Polydor had vervolgens successen met The Bee Gees en Gloria Gaynor.
Vanaf 1980 ging het wat minder. Zusterlabel Mercury Records deed het veel beter. Polydor nam daarop de Britse tak van Decca over. In 1994 gaat alles op de schop en wordt er van alles en nog wat overgenomen. Onder de hoofdparaplu PolyGram vallen dan de eerder genoemde labels, maar ook de inmiddels overgenomen: Island Records, London Records en Atlas Records. Even ging de club door het leven als Polydor/Atlas, maar dat werd al snel weer Polydor Records.
In 1998 slokte Seagram alles op en werd de hoofdnaam: Universal Music Group. In Amerika wordt de naam Polydor vooral gebruikt voor rereleases van materiaal uit de jaren zestig en zeventig. Sinds kort is daar wat verandering in gekomen, want Lana Del Rey ‘zit’ nu ook op Polydor. In Engeland is Polydor nog een sterk merk, met artiesten als: Kaiser Chiefs, Take That, Ellie Goulding, Duffy, Elbow en Snow Patrol.
In 2008 werd A&M Records UK overgenomen en iets later verkregen ze de rechten voor het oude en nieuwe werk van The Rolling Stones en dan zijn we weer mooi terug in de jaren zestig en zeventig.

ISLAND. De naam geeft precies weer zoals het is. Island Records is opgericht op een eiland en wel Jamaica. Chris Blackwell, Graem Goodall en Leslie Kong begonnen in 1959 een eigen platenlabel. De naam komt van Harry Belafonte’s nummer ‘Island in the Sun’. Blackwell mag je zien als de grote motor. Geboren in Engeland en op reis in Jamaica was hij helemaal weg van de toenmalige muziek op het eiland, veel ska, rocksteady en daar moest hij iets mee, vond hij. Een van zijn eerste releases, de single ‘Boogie in my Bones’ van Laurel Aitkin stond elf weken in de Top10. De beginperiode van het label wordt wel eens omschreven als een georganiseerde chaos. In 1962 keert Blackwell terug naar Engeland om daar Ska en later reggae te verkopen. In elke stad zat wel een groep West-Indiërs die interesse hadden in de muziek. Dat deed hij vanuit zijn auto, waarmee hij het hele land doorreisde. Aandacht op de radio of in de pers was er niet, maar het ‘systeem’ van de directe verkoop aan lokale platenzaken werkte aardig goed. Universeler was Island’s succes van ‘My Boy Lollipop’ door Millie Small. Het was de eerste hit van een Jamaicaanse artiest in Engeland.
Blackwell, niet alleen een fan van Jamaicaanse muziek, maar ook van jazz en Rhythm & Blues luisterde goed om zich heen en hoorde potentie in de groep van Spencer Davis, vooral de jonge Steve Winwood maakte indruk. Dus verscheen een popgroep op Island. ‘Keep on Running’, ‘Somebody Help Me’, ‘Gimmie Some Loving’ en ‘I’m a Man’ warden allemaal hits.
In 1965 kwam de eerste lp van een blanke/witte artiest uit: ‘Affectionate Pink’ van Harold McNair. Vanaf 1967 verlegde het label de muzikale koers richting ‘underground & psychedlica’ met ‘Paper Sun’ van Traffic, gevolgd door ‘Mr. Fantasy’. Daarna was het hek van de dam en volgden bands als King Crimson, Roxy Music, Cat stevens, Mott the Hoople en Free, later ook Emerson, Lake & Palmer. In 1969 sloot Island en deal met Chrysalis Productions van Terry Ellis en Chris Wright. Daardoor haalden ze ook Jethro Tull binnen. Die deal liep trouwens al snel spaak. Met Joe Boyd werd een verglijkbare deal gesloten en daarmee kwam een hele folklichting in bereik, waaronder Fairport Convention en Nick Drake. Het succes van Island viel anderen ook op, daardoor kwamen de collega’s in actie en volgde labels als Deram (Decca), Harvest (EMI) en Vertigo (Philips). Onder leiding van Blackwell paste Marley zijn muziek aan de modus van de pop/rock-muziek van de tijd aan met het bekende succes als gevolg. Na Marley volgde Toots & the Maytals. Plotseling was ook de muziek van het eiland populair en hoe!
Net als bij de collega-platenmaatschappijen kreeg Island het halverwege de jaren zeventig moeilijk. Het werd nog lastiger nadat Marley was overleden. Wel was inmiddels U2 gecontracteerd, maar die zaten op dat moment nog in de beginfase. Veel geld werd gestoken in filmprojecten, maar eigenlijk was dat geld nodig om U2’s royalties te betalen voor hun succesvolle album ‘The Joshua Tree’. U2 sloot daarom een deal waardoor ze voor zo’n 10% eigenaar werden van Island Records en aldus hun royalties op een andere manier betaald kregen.
In de jaren tachtig had Island wat successen met dance en hip-hop artiesten zoals Eric B. and Rakim, Stereo MCs en Mango. Daarnaast tekende Blackwell contracten met Robert Palmer en King Sunny Adé. Eind jaren tachtig verkocht Blackwell Island records aan PolyGram UK. Blackwell trad toe tot de leidinggevenden van PolyGram en bleef dat nog doen tot 1997. Daarna zette hij Palm Pictures op en begon een keten van luxe hotels in Miami en de Caraïben. Hij was misschien net op tijd weg. In 1997 nam Seagram PolyGram over en viel voortaan alles onder Universal Music. U2 was minder tevreden en verliet de stal.
Island begon klein, met een ‘i’ als logo, die is lang gebleven. Later is er een echt eiland mét palmboom voor in de plaats gekomen. Maar de muziek op de platen met die witte ‘i’ op het rose vlak bleken uiteindelijk toch het hoogtepunt in/van Island Records.

Het ontdekken van de muzikale wereld op VIRGIN Records was bijna een schok. Ik schreef het al in de inleiding, eigenlijk was alles op dat label goed, je kon een lp zo uit de bak trekken, betalen en meenemen. Thuis ontdekte je dan wat het was. Het viel nooit tegen. Een bijzonder label, in het begin nog met een eenvoudig zwartwit logo van Roger Dean, later in kleur en nog later was het weer weg, maar toen was ik ook alweer weg.
Richard Branson, Nik Powell en Simon Draper begonnen een postorderbedrijfje, gespecialiseerd in ‘buitenlands’ werk, zoals ‘krautrock’ from Germany. Namen voor de zaak gingen in het rond, zoals ‘Slipped Disc Records’, maar dat was het niet. De naam komt van Tessa Watts, een collega van Branson. Ze suggereerde dat ze nog ‘maagd’ waren in het zakendoen, ‘Virgin’ dus. Platen werden tegen behoorlijk gereduceerde prijzen verkocht, om zo de beoogde doelgroep, de studenten, binnen te halen. Door een grote poststaking ging de opzet mis. De posttarieven gingen omhoog en het postorderidee kwam in zwaar weer. Noodgedwongen begonnen de heren een fysieke winkel. Boven een kapper in Notting Hill Gate vonden ze een geschikte plek. Bij de opening stond een lange rij te wachten om binnen tet komen, een kwestie van mond-op-mond-reclame. Binnen kon je muziek kopen, maar ook liggen op ‘boonvormige stoelen’ en muziek luisteren. Powell hield zich vooral met de zaak bezig. Het ging goed, door het succes werden meerdere Virgin stores geopend, niet alleen in Engeland, maar ook in Europa. Branson wist dat er meer nodig was, een eigen studio en platenmaatschappij. Ze kochten een oud, stenen huis, The Manor. Newman en technicus Simon Heyworth gingen kijken, zagen het pand en de tennisbaan en vonden het geschikt. Daarna werd het ingericht als studio. Draper ging op zoek naar potentiële klanten. Eén klant meldde zichzelf door een demo te sturen: Mike Oldfield. Iedereen vond dat die muziek iets had en ze boden Oldfield tijd en ruimte om in The Manor zijn project vorm te geven. Tubular Bells met nummer V2001 was de eerste lp. Zestien maanden later stond die op de eerste plek in de hitlijsten. Tubular Bells werd meteen afgewisseld met de opvolger, Hergest Ridge, die inmiddels ook klaar was. Het megasucces maakte de weg vrij voor andere artiesten als Gong, Tangerine Dream en Faust – deze laatste allebei ‘krautrockers’. Met Faust haalde ze een stunt uit door het album te verkopen voor de prijs van een single: 49p indertijd. Het album stond in no time op nummer elf in de album-hitlijst. Heel bijzonder, want Faust maakt niet echt makkelijk in het gehoor liggende muziek. De eerste single was er een van Kevin Coyne: ‘Marlene/Everybody Says’. Virgin Records sloot contracten af met artiesten als Henry Cow, Captain Beefheart, Klaus Schulze, Robert Wyatt, Egg, Clearlight, Hatfield & the North, Steve Hillage, White Noise, Can en vele anderen. Hillage was een van de meest constante en succesvolste. De rij geeft een aardig beeld/oor van de tijd en vooral het zoeken naar wegen in muziek.
Halverwege de jaren zeventig was het eerste deel voorbij, de progressieve muziek werd neergezet als oud, lomp, stoffig. Virgin ging mee met de nieuwe golf en contracteerde The Sex Pistols en sloeg vervolgens een nieuwe weg in, met nieuw logo. De oude garde, zowel luisteraars als musici werden aan de kant geschoven. Na The Sex Pistols kwamen tal van anderen zoals The Human League, Simple Minds en XTC.
In 1983 kocht Virgin Charisma Records en haalde daarmee onder anderen Genesis en Monty Python binnen. Vier jaar later, 1987, werd een sublabel opgezet: ‘Venture’, dit om muziek van oudgediende Klaus Schulze en andere ‘new-age’ achtige muziek te verkopen. Het was het tweede sublabel. Tussen 1973 en 1977 bestond ‘Caroline’; dat was het budgetlabel, maar ook het label waar artiesten terecht kwamen die niet in een plaatje pasten, zoals Henry Cow. Caroline’s logo is ook ontworpen door Roger Dean en is in feite een afgeleide van het oude logo. Een andere poot was ‘Frontline’, vooral bedoeld voor Jamaicaanse muziek. Een beetje de tegenhanger van Island natuurlijk. Er was ook een klassieke afdeling: ‘Virgin Classics’.
In 1992 verkocht Branson Virgin Records aan Thorn/EMI, met als regel dat hij vijf jaar geen nieuw label mocht opzetten. Inmiddels heeft hij dat weer wel gedaan: ‘V2 Records’. Branson verkocht de muziek om in te zetten op zijn vliegmaatschappij ‘Virgin Atlantic Airways’.
In Amerika ging het anders, daar slokte Virgin EMI US op. In 2007 fuseerden Virgin en Capitol Records tot de Capitol Music Group en werden vervolgens overgenomen door Universal.
In 2012 ging met de aankoop van EMI ook het Europese deel richting Universal Music Group. Virgin Classics werd voortaan Erato.
De eerste vier jaren van het label waren voor mij het interessants, die muziek leeft hier nog steeds. Het was een spannende tijd om zo lp’s zonder te horen te kopen, alleen omdat er ‘Virgin Records’ op stond, dat zou ik nu niet meer doen.

The Famous CHARISMA label. Nogal een manier van presenteren zo. Charisma begon net als veel labels op deze pagina in 1969. Het werd opgezet door Tony Stratton-Smith. Die was voormalig journalist en manager van bands als Van der Graaf Generator en The Nice. Hij voerde het label samen met Gail Colson. Geld kwam van Sam Gopthal van Trojan Records, omdat die de distributie zou gaan doen. Stratton-Smith wilde het label gaan voeren zoals Motown het deed. Als hij een artiest of groep goed vond werd er een contract getekend. De band Rare Earth was de eerste met een album. De single van die plaat ‘Sympathy’ (1969) werd in hit in Frankrijk en deed het ook goed in andere landen. Een van Stratton-Smith’s favoriete bands was Van der Graaf Generator. Hun eerste album voor Charisma: ‘The Least We Can Do Is Wave to Each Other’. Dat was eigenlijk een noodgreep. Stratton-Smith kon de plaat nergens slijten en besloot hem dan maar zelf uit te brengen. De groep en ook Hammill bleef erg lang bij Charisma, een van de langste uit de ‘stal’
In eerste instantie werd als logo een flinke wimpel of vlag gebruikt met daarin de naam op bijna Western-achtige wijze. Later kwam het in mijn ogen veel mooiere label, bestaande uit een collage van figuren uit het verhaal van Alice in Wonderland. De Gekke Hoedenmaker sprong meteen in het oog. De illustratie werd gemaakt door Sir John Tenniel. De meeste hoezen uit de beginperiode werden geschilderd (!) door Paul Whitehead. Net als bij Vertigo een opvallend keus en uitermate herkenbaar.
Nadat het label eenmaal liep contracteerde Stratton-Smith acts als: Genesis, Lindesfarne, The Alan Parsons Project, Brand X, Hawkwind. Ook musici uit de bands hier genoemd, zoals Peter Hammill (Van Der Graaf Generator) en Tony Banks en Steve Hacket, allebei Genesis, brachten hun soloalbums uit op het fameuze label.
Beroemd geworden zijn de twee ‘Six Bob Tours’ uit 1971. De tournee bestond uit een reeks van concerten door Van der Graaf Generator, Genesis en Lindesfarne, waarbij de ‘hoofdact’ om en om gewisseld werd, eigenlijk was er geen hoofdact, iedereen was hoofdact. Door deze opzet konden heel veel mensen de bands zien en horen en dat was goed voor de platenverkoop én de populariteit van alle drie de bands.
In Europa werd Charisma uitgebracht via Phonogram, in Amerika werd het label uitgebracht via een reeks verschillende labels zoals ABC, Impulse, Probe, Elektra, Buddah, Atlantic, Mercury en Atco. Uiteindelijk liep alles via PolyGram.
Eind jaren zeventig verliet Colson het label om haar eigen zaak te beginnen; het management van Peter Hammill en Peter Gabriel. Tussen 1980 en 1982 had Charisma een sublabeltje ‘Pre Records’. Dat was bedoeld voor new wave en reggae. Aritesten op dat label waren bijvoorbeeld: Gregory Isaacs, Prince Far I en The Monochrome Set. Pre zorgde ook voor de distributie van het Amerikaanse Ralph Records, met artiesten als Tuxedomoon en The Residents.
In 1983 werd het label overgenomen door Virgin Records. Charisma had vooral progressieve rock, symfonische rock en ander ‘moeilijke’ muziek. Na Punk en New Wave was die muziek als uit een verloren tijdperk en niet meer relevant. Virgin ging naar EMI en vervolgens naar de Universal Music Group.
In 1995 hield het label op te bestaan. Re-releases krijgen nog vaak wel het mooie logo mee. Veel acts van Charisma zijn inderdaad beroemd geworden in zowel Europa als Amerika, denk aan Genesis, maar ook de individuele leden. Op een bepaald moment hadden de muzikanten uit Genesis in dezelfde periode allemaal afzonderlijk een notering in de Top100. Het veelbelovende label maakte daarmee haar naam meer dan waar, met dank aan die gekke hoedenmaker.
Stratton-Smith overleed in 1987, hij was toen vierenvijftig jaar.

Het tweede oudje in deze serie is DECCA. De naam gaat terug tot die van de Decca Dulcephone, een voorloper van de pick-up. De naam werd in 1914 vastgelegd door Engelsman Wilfred S. Samuel. Decca is een samenvoeging van Mecca en de ‘D’ van ‘Dulcephone’. En paar jaar later werd het de Decca Gramophone Co. Ltd. In 1929 kocht Edward Lewis het bedrijf. Binnen een paar jaar was Decca Records het op één na grootste grammofoonplatenbedrijf in de wereld, ze noemden zichzelf niet voor niets: ‘The Supreme Record Company’. Decca gold als hét label voor klassieke muziek, dat kwam door technische innovaties en het al snel in de geschiedenis opnemen van muziek in stereo.
In 1932 kocht Decca het dan bankroete bedrijf Brunswick Records en zustermaatschappij Vocalion Records. Daarmee kwamen grootheden als Bing Crosby en Al Jolson op het label. Door de Tweede Wereldoorlog was Decca directeur Edward Lewis genoodzaakt zijn Amerikaanse poot te verkopen. De Amerikaanse Decca – ze bleven naast elkaar bestaan - had artiesten als Louis Armstrong, Count Basie, Billy Holiday, The Andrew Sisters en Bob Crosby.
Het Decca-dualisme duurde tot 1998, toen kocht de Amerikaanse Decca de Engelse. Al in 1949 had de Amerikaanse Decca gekozen voor een nieuw formaat grammofoonplaat, de lp. Amerikaanse Decca werd in Engeland uitgebracht als Brunswick, De Engelse Decca werd in Amerika uitgebracht als London Records.
In Engeland ging het niet zo goed met Decca, ze weigerden ‘Tell Laura I Love Her’ van Ray Peterson uit te brengen; het werd een megahit. Vervolgens stuurden ze The Beatles weg met de opmerking: "Guitar groups are on the way out." Een historische blunder. Dat hadden ze al heel snel door en konden daarom wel die andere band, ‘The Rolling Stones’, contracteren. Daarna volgden Rod Stewart, The Moody Blues, Ten Years After, The Zombies Lulu en Alan Price.
Hugh Mendl was verantwoordelijk voor Decca’s sublabel ‘Deram’ (1966). Het was bedoeld om herkenbaar te zijn voor al die moeilijk te plaatsen nieuwe muziek. Mendl regelde ook dat de Moody Blues de tijd kregen om in de studio te werken. Tony Hall zorgde voor de artiestenstal voor Deram. De eerste release ‘The Velvet Touch of Johnny Howard’ door diezelfde Howard was weinig schokkend. Het ging beter met Cat Stevens’ singles ‘I Love My Dog’ and ‘Matthew and Son’ en de singles van The Move ‘I Can Hear the Grass Grow’ en Procul Harum’s ‘A Whiter Shade of Pale’. Plotseling telde Deram mee. Nog meer succes kwam er met de Moody Blues lp ‘Days of the Future Passed’; een eigenwijze release met orkeststukken en natuurlijk ‘Nights In White Satin’. En dat ondanks de opmerking van een van Decca’s platenbonzen: ‘You can’t dance to it and you can’t play this record at a party’. De man liep op dat moment al hopeloos achter. Later verwierven The Moody Blues hun eigen Deram-sublabel: ‘Treshold. Het was bedoeld voor hun eigen albums, maar ook voor anderen. Het project mislukte en uiteindelijk bleven alleen de eigen albums over.
Deram had inmiddels concurrentie gekregen van Vertigo en Harvest en besloot daarom een label in die stijl op te zetten: ‘Nova’. Eigenlijk vreemd, want ze waren al goed bezig. Nova was weinig succesvol, slechts een handjevol artiesten, waaronder Egg, bleef over en die gingen vervolgens weer naar Deram. Het maakte wel duidelijk dat Decca/Deram beter moest focussen. Dat deden ze met groepen als: Caravan, Thin Lizzy, Camel, Hardin & York en East of Eden.
Halverwege de jaren zeventig herhaalt Decca’s geschiedenis zich, want ze missen de aansluiting bij Punk en New Wave. Daardoor werd Decca behoorlijk afhankelijk van hun oude catalogus en re-releases daarvan.
In 1973 werd de Amerikaanse Decca omgevormd tot MCA Records. In 1980 naam PolyGram de Engelse Decca over. Inmiddels is alles overgenomen door Universal Music. Ondanks het missen van diverse boten had Decca een goede keus gemaakt met Deram en door het succes van The Moody Blues een blijvende herkenbaarheid gecreëerd.

Gezien het logo, het vrijheidsbeeld, is het duidelijk dat LIBERTY in Amerika begon. Het wordt opgezet in 1955 door Al Bennett. Liberty was er vooral om filmmuziek te verkopen. In het startjaar had Liberty al een de eerste ‘hitsingle’: ‘Cry Me a River’ van Julie London. Een tweede succes kwam pas in 1958: ’Tonight You Belong to Me’ van Billy Rose en Lee David. Het meeste succes hadden ze met Eddie Cochran, denk daarbij eens aan ‘Summertime Blues’. 1958 was ook het jaar van het eerste sublabel: Freedom.
Drie jaar na de oprichting was het bijna gedaan met Liberty. Gelukkig had David Seville een nummer één hit met ‘Witch Doctor’ en tegen de kerst hadden de Chipmunks een hit met ‘Christmas Don’t Be Late’. Opvallend bij die laatste song is het versnellen van de zangpartij, iets dat later vaker in de muziekhistorie zou gebeuren.
In 1960 had Liberty opnieuw succes met Bobby Vee’s ‘Suzie Baby’ en ‘Devil or Angel’. Gene Pitney volgde hem op de hielen met ‘Rubber Ball’. Liberty had nu de smaak én de stroming te pakken: Willie Nelson, Jan and Dean, Johnny Burnette, Gene McDaniels, Del Shannon, Gary Lewis and the Playboys, Timi Yuro, Vikki Carr; ze hadden allemaal hits.
Misschien wel door het succes werd Liberty in 1963 verkocht aan Avnet. Die kochten ook Blue Note, Imperial, Dolton, Aladdin en Minit. Twee jaar later verkocht Avnet ze – met 4 miljoen dollar verlies – terug aan de vorige eigenaar van: Al Bennett. Die neemt in 1965 Pacific jazz over en daarmee een hele groep gerenommeerde jazzmusici.
In Engeland wordt Liberty verkocht als London Records. Dan opent men een eigen kantoor in Londen onder leiding van Andrew Lauder. Die sluit contracten met The Bonzo Dog Band, the Groundhogs en Aynsley Dunbar Retalliation en Hawkwind. In Amerika wordt Canned heat toegevoegd aan de stal. Ik ken het label van de Duitse krautrockgroep ‘Can’, maar ook van ‘Hawkwind’. Uit Amerika kwam Canned Heat mee. Die had een hit in Engeland met ‘On the Road Again’. Het liedje dat de meesten kennen van Woodstock, al dan niet de film.
In 1968 werd Liberty opnieuw verkocht, ditmaal aan een verzekeringsmaatschappij: Transamerica Corporation. Die kopen ook United Artists. Drie jaar later werd Liberty opgeheven en werd alles United Artists. Dan zijn bekende artiesten als Creedence Clearwater Revival en Captain Beefheart gecontracteerd. In Duitsland, bij de Duitse afdeling in München werd Amon Düül II aan het label toegevoegd. Later volgde, voor een korte tijd, Can. In Engeland gaven ze Neu! en Nektar uit.
Lauder neemt, op reis naar het hoofdkantoor, wat potentiële nieuwe klanten mee, waaronder Black Sabbath. Na dertig seconden werd die muziek afgezet. Amerika was nog al anders dan Engeland. Black Sabbath ging naar Vertigo en veroverde met die omweg alsnog Amerika.
In 1978 was de volgende overname, nu door EMI. EMI draaide de zaken om, liet de naam United Artists varen en bracht de naam Liberty weer terug. Vanaf 2001 werd het de basis voor acts uit het verleden. Uiteindelijk werd ook Liberty, eigenlijk EMI, overgenomen door Universal.

De naam klinkt als in een jongensboek uit de jaren vijftig: TRANSATLANTIC. Het platenlabel werd opgezet in 1961 door Engelsman Nat Joseph. Hij had een reis gemaakt door Amerika en zich gerealiseerd dat veel muziek in zijn eigen land niet te vinden was en daar moest verandering in komen. Transatlantic was bedoeld voor folk, blues en jazz. Joseph maakte deals met Amerikaanse jazzlabels als Prestige en Riverside. Hij keek verder dan Amerika, want zo sloot hij een deal met het relatief onbekende Russische label MK Records. Dat was vooral klassieke- en folkloristische muziek. Veel hoezen werden ‘verengelst’ en voorzien van nieuwe foto’s. Dat werd vooral gedaan door Brian Shuel. Transatlantic was een marginaal label totdat ze drie lp’s met seksuele voorlichting uitgaven: Doctor Keith Cammeron - Live With Love. In diverse delen: The Biology of Sex, The Meaning of Sex, Sex and Love, How Far is Marriage Possible, The Art of Love and How to Live with Love. Elk thema een plaatkant lang. De hoes van de eerste is prachtig met een verliefd stel, bloemetjes, bijtjes en verliefde vogels. De verkopen gingen al snel richting de honderdduizend per album en gaven Joseph aldus de mogelijkheid om te groeien door nieuwe artiesten aan te trekken. Daaronder waren The Dubliners. Het was niet alleen folk en jazz, onder de releases is ook werk van Pierre Boulez en John Cage. Later ook Ron Geesin’s experimentele muziek: ‘The Raise of Eyebrows.’
Zoals zoveel anderen had Transatlantic een sublabel: XTRA. Op dat label werden vooral lp’s van het Amerikaanse Folkways-label uitgegeven.
De sterke folkpoot zorgde ervoor dat een groep als Pentangle bij het label kwam en dat kwam precies op het moment van psychedelica en grensverleggende, elektrische folk. Succes voor het label dus. In 1968 zorgde het label voor een stunt door het uitgeven van een verzamelalbum, ‘Listen Here!’ mét de zeer lage prijs gedrukt op de hoes. Verder stond het album vol nieuwe tracks van albums die nog moesten verschijnen: Pentangle natuurlijk, maar ook Bert Jansch en Sallyangie, de groep van broer Mike en zus Sally Oldfield. Een andere sensatie was er met ‘Granny Takes a Trip’ van The Purple Gang. De BBC weigerde de single te laten horen vanwege vermeend LSD gebruik. De Zappa-fans kwamen in aanraking met Transatlantic door de uitgaven van Uncle Meat, maar er was weinig budget voor promotie. Zappa verklaarde de slechte verkopen door de verkeerde keus voor ‘some folklabel’, maar dat was gezien bestaande niet helemaal waar. Overigens is het lp-grootte boekwerk bij Uncle Meat op Transatlantic anders dan de anderen. Veel gezocht, weinig te vinden, een soort ‘Heilige Graal’ voor de fanatieke fans. In 1969 worden ‘underground’- bands als Circus, Jody Grind, The Deviants en Little Free Rock gecontracteerd. Ze werden gepresenteerd met de slogan ‘Let the Electric Children Play! ’Er zijn niet veel bands bij waar we het nu nog over hebben, behalve Circus, omdat daarin saxofonist, fluitist Mel Collins speelde. Collins speelde en speelt nu weer in King Crimson.
Begin jaren zeventig werden Gerry Rafferty en Gryphon toegevoegd, de laatste maakte een soort Middeleeuwse, rock, beetje richting Gentle Giant.
In 1975 verkocht Joseph driekwart van Transatlantic aan de Granada Group. Het werd geen vruchtbare samenwerking, Transatlantic bleek te eigenwijs, te onafhankelijk te zijn. Later ging de volle 100% naar de Marshall Cavendish Publishing Company en werd samengevoegd met Logo Records. Joseph ging aan de slag als theater-producer. Hij overleed in 2005.
Logo Records werd overgenomen door Castle Communications en vervolgens Sanctuary Records genoemd en dat zit nu weer allemaal onder die reuzenparaplu van Warner Music.
Ondanks de wat ‘wildere’ uitgaven wordt Transatlantic vooral gezien als het label van de (elektrische) folk. Maar net zo goed als de anderen op deze pagina was het een label dat de geest van de tijd goed aanvoelde, alleen was de insteek wat anders en stond het daardoor minder in de belangstelling dan Harvest of Vertigo. Maar niet iedereen heeft een Pink Floyd of Black Sabbath op zijn label.

De laatste halte in de Underground is PYE. We gaan terug tot begin jaren vijftig. Pye was een Engels zaakje dat radio- en Tv’s maakte. In 1953 kochten ze Nixa Records en twee jaar later Polygon Records. Polygon was opgezet door Alan Freeman en Clark (vader van) om de platen van Petula Clark te verkopen. In 1959 werd de naam Pye Records. Pye gaf op dat moment vooral budget-albums uit; oude, klassieke muziek veelal. Dat gebeurde op een sublabel: Pye Golden Guinea Records. Dat ‘guinea’ duidde op de lage prijs. Later werd de naam veranderd in Marble Arch Records.
In 1974 stak men de oceaan over voor een Amerikaanse tak van het label, maar dat ging niet goed en werd snel weer stopgezet.
Voor de Populaire muziek had men ‘Piccadilly Records’ en vanaf 1969 was daar ‘Dawn’ voor de ‘progressieve acts’. Bekende artiesten op Dawn zijn Status Quo (Voorheen Traffic Jam), de vroege David Bowie, Donovan, The Kinks, Petula Clark, Mungo Jerry, Brotherhood of Man, Atomic Rooster, Fruup en Sandie Shaw. Van al die artiesten was in die periode alleen Mungo Jerry succesvol; het resultaat van de bekende zomerhit ‘In the Summertime’ (1970). Aan de andere kant was die hit nu niet echt hét schoolvoorbeeld van een 'progressieve/underground-act', iets waar Dawn eigenlijk wel voor zou moeten staan. Om alles weer op die rails te krijgen werd een 'College-tour' opgezet, met passende acts als: Comus, Heron, Demon Fuzz en Titus Groan. Helaas geldt dat dat eigenlijk allemaal vrij onbekende acts zijn gebleven.
De acts die het beter deden, zoals Status Quo en Man zochten hun heil bij een ander label. Daarmee bleef Dawn in feite een randverschijnsel. In 1976 werd het label dan ook opgeheven. Pye richtte de ogen en oren richting disco. De ruim zeventig albums uit de Dawn-periode zijn nu erg gewild en (dure) 'collector's items' voor de muziekliefhebber. Het doosje 'Cave of Clear Light' geeft een mooi beeld van de periode.
De naam ‘Pye’ werd gekocht door Philips en nadat de rechten op die naam verlopen zijn werd Pye: PRT (Precision Records & Tapes). In 1988 wordt PRT gekocht door The Bell Group; een Australische maatschappij. Maar al heel snel ging het niet goed met de Bell Group en werd alles doorverkocht aan Meekland en alle masters aan Castle Communications, die werd later Sanctuary en nog later Universal (2007). In 2006 was de naam Pye weer terug op het toneel. Universal wilde graag verder met Pye, maar daar stak de Europese Commissie een stokje voor, omdat Universal ook al EMI had opgekocht. Sanctuary werd verkocht (2012) aan BMG Rights Management, een onderdeel van de Warner Group. In 2013 werd de naam Pye om zeep geholpen.
Nog een interessante zijtak is ATV Music Publishing, Pye was daar mede-eigenaar van. ATV had ook de rechten van Northern Songs en daar waren de rechten van The Beatles songs gehuisvest. Northern Songs werd tot ieders schande, vooral die van Beatle Paul Mc Cartney gekocht door Michael Jackson en later samengevoegd tot Sony/ATV Publishing. Nog weer later kocht McCartney de rechten terug.
Pye/Dawn had wel wat bekende namen, maar had niet de impact van de andere underground-labels uit deze periode, dat is de reden dat het wat meer aan de randen van die underground fungeerde dan in het centrum. Desondanks hoort het toch in de rij van verhalen op deze pagina.

Daarmee is de reis in de underground ten einde, een reis die ik begon als twaalfjarige, maar eigenlijk tot op de dag van vandaag nog steeds maak. Door de ‘ontdekking’ van het bestaan van de verzamelsets kwam de prachtige tijd van die avontuurlijke reis weer terug, een echte ‘memory lane’ dus. Alle sets bij elkaar is een muzikale schatkist op zichzelf; een schatkist waarin de Underground gelabeld wordt tot een herkenbaar en overzichtelijk geheel. Wel zo makkelijk, dat heb ik allemaal zelf moeten uitzoeken en uitvinden. Aan de andere kant, dat was misschien ook wel het leukste ervan en nu begint de reis opnieuw. Welkom in de Underground, stap ook in de trein, ga mee naar onbekende verten en maak de (muzikale ) reis van je leven…., of in het jargon van de jaren zestig: "Mammoth Rave, it's all happening: Schizophrenic, Psychedelic Pop, Freak Out-Schmeak Out, turn up, shell out, get lost, music in colour...."