logo van The Lemontree

Rivmic Melodies

Een concert op een tv met alleen zwartwitbeelden (1969) opende voor mij een nieuw venster. De VPRO presenteerde een studio-live-concert van de band rondom het tweede album, ‘Volume Two’. De geluiden van de drummer in een pyjamajasje, de bassist met een baskenpet op en een in zwart gehulde keyboardspeler waren in mijn oren totaal nieuw. The Soft Machine was in de jaren zestig een enorm populaire band. De muziek leefde, vibreerde en was samen met Pink Floyd hét toonbeeld van wat men toen de ‘underground’ noemde. Hun muzikale aanpak, gecombineerd met een geestverruimende lichtshow was voor die tijd ongekend. Na het eerste album werd de jazzinvloed iets groter en sprak men van rockband met jazz invloeden of kortweg rockjazz. Dat was het moment dat ik de band hoorde en er als een blok voor viel. Later werd dat omgedraaid en bleek de jazzinvloed gegroeid te zijn: jazzrock. Nog later werd de muziek fusion genoemd. Maar toen al was duidelijk dat de Soft Machine een beetje in het vergeethoekje geraakt was, immers geen echte popband met liedjes en geen jazzgroep. Wat moest men er mee? Een echte hitsingle was er ook al niet. De pers schreef doorgaans negatief over de band. Er was altijd wel een reden, dan weer mankeerde het aan de zang, dan weer aan het geluid, dan weer aan de jazz, dan weer aan de ...
Hoe dan ook, voor mij is het een band met een eigen geschiedenis en vooral met een eigen gevoel. Elke keer als ik iets van the Soft Machine hoor word ik er weer door geraakt. Nostalgie, sentiment? Of ‘gewoon’ goede muziek?

Het verhaal van The Soft Machine, toen nog in de stijl van de tijd met ‘The’ ervoor, begint in 1960 met het vertrek van Daevid Allen (1938-2015) uit Australië. Hij arriveert na enige omzwervingen in Parijs en blijft daar hangen. Parijs heeft een rijk jazzleven en Allen, jazzfanaat, bezoekt concerten van jazzgrootheden als Bud Powell, Charles Mingus, Thelonious Monk, Eric Dolphy en Sonny Rollins. Je zou zo willen ruilen. Allen’s volgende halteplaats is min of meer toevallig Canterbury. Die stad is niet zo groot en jongeren met eenzelfde visie kom je dan ook snel tegen. Robert Wyatt's (1945- ) ouderlijk huis is er een waar kunst, creativiteit en intellectualisme hand in hand gaan. Wyatt schilderde, speelde piano en had een stel muzikale vrienden: de broers Hugh (1945-2009) en Brian (1943- ) Hopper en Mike Ratledge (1943- ). Het leven van de vrienden bestond uit studie, kunst, cultuur en muziek. Hugh Hopper leerde basspelen in de stijl van Charlie Haden, met name die van de albums van Ornette Coleman. Ratledge en Allen hielden van elektronica en ‘urban sounds’. Wyatt’s huis was altijd vol muziek: Bartok, Stravinksy, Varèse en vooral heel veel jazz, bebop, free, noem maar op.
Allen had in Parijs Terry Riley ontmoet. Riley was bezig met tapeloops die zo dus oneindig klonken en minimal music. Allen nam die ideeën mee met als gevolg dat ook in Canterbury de jongens aan de loops gingen. Als de vrienden zelf geen muziek maakten luisterden ze naar jazzprogramma's van AFN (American Forces Network). Grappig is dat ik pas later bedacht dat ik daar zelf ook naar luisterde.

Allen, Hopper – Hugh, Wyatt en Ratledge besluiten gezien hun jazzliefde een jazzgroep op te richten. In praktijk bleek echter dat hun muziek iets te experimenteel was voor jazzbegrippen. Allen had al snel door geen tweede Charlie Christian te worden en verliet Engeland voor Deya op Ibiza om fulltime dichter te worden. In Deya loopt hij Kevin Ayers (1944-2013) tegen het lijf. Ayers was een vrijbuiter en zonaanbidder. Hij hield van popmuziek zoals The Beatles en The Yardbirds, iets waar Allen eigenlijk een hekel aan had. Pas na een goede trip kwam Allen er toe om popmuziek als cultureel fenomeen te bestuderen en dat opende voor hem de mogelijkheid zelf popachtige muziek te maken.

In 1963 besluiten Ayers en Allen naar Engeland te gaan. Allen zoekt aansluiting bij plaatselijke bands en komt bijna vanzelfsprekend terecht in The Wilde Flowers, de groep die dan bestaat uit de Hopper bros, Wyatt en Richard Sinclair (gitaar). The Wilde Flowers is inmiddels een legendarische band, nou ja band, het was meer een doorstroomproject. Elke serieuze muzikant uit Canterbury speelde ooit wel in The Wilde Flowers. De naam was afgeleid van een boek van Oscar Wilde dat Hugh toen las. Hoe The Wilde Flowers klonken is te horen op een cd uit 1994 (!), bestaande uit thuisgemaakte opnamen van Brian: een mengeling van jazz, pop, klassiek en zelfs soul.

Begin 1965 keren Ayers en Allen terug naar Ibiza om daar muziek te maken en wat geld te verdienen. Wes Brunson, de excentrieke eigenaar van een nachtclub, hoort hun muziek en dat bevalt hem nogal. Hij besluit bijna ter plekke de heren geld te geven om versterkers en goede muziekinstrumenten te kopen. Dat stimuleert natuurlijk en leidt in Engeland tot een nieuwe band: Mr. Head. Die bestaat dan uit Ayers (bas en zang), Allen (gitaar en zang), Wyatt (drums, piano en zang) en ene Larry Nolan (gitaar). Ratledge had (nog) geen tijd. Die studeerde op dat moment aan de Oxford Universiteit: psychologie en filosofie. Voor beide disciplines behaalde hij een graad. De naam Mr. Head sprak niet echt tot de verbeelding en werd via suggesties als ‘The Nova Express’ en ‘Dingo Virgin & the Foreskins’ uiteindelijk: The Soft Machine. Dat was naar aanleiding van – alweer - een boek. Het is de titel van het boek geschreven door William Burroughs. Dit keer kwam Ratledge met het idee. Die was toe aan meer dan alleen universiteit en had zich bij de groep gevoegd. Allen had Burroughs ontmoet op de boot naar Frankrijk en aan hem was het dus toestemming te vragen aan de schrijver. Die antwoordde kort en krachtig: “Why not?” en liep weg.

Nu The Soft Machine officieel geboren was, was het zaak om een tournee of optredens te regelen. Een van de eerste optredens vindt plaats in de Star Club in Hamburg. Die Club kennen we in muziekland als de club waar The Beatles ooit speelden. Het duurt niet lang, al de eerste avond wordt de band gedwongen het podium ijlings te verlaten, de muziek is te ‘vreemd’. Terug in Londen spelen ze mee tijdens een van de eerste Underground Happenings in de Marquee Club en in The All Saints Hall. Tot oktober 1966 maakt gitarist Nolan deel uit van de band. Na een aantal concerten vertrekt hij in de obscuriteit.
Allen had connecties met het impresario van John Hopkins, medeoprichter van IT-magazine en The UFO-club. Ayers wist de weg naar het kantoor van the Animals, waar Chas Chandler op zoek was naar nieuw talent. Het werkte. Chandler regelde eind 1966 concerten voor The Soft Machine. Concerten in the IT en the Roundhouse, vaak samen met bands als The Pink Floyd. In januari 1967 is The Soft Machine te vinden in Olympic Studios om hun eerste singel op te nemen: "Love Makes Sweet Music/Feelin' Reelin' Squeelin' (1967). In tegenstelling tot Arnold Layne, de singel van The Pink Floyd, deed de singel niets. Contact met de pers liep niet heel makkelijk; bij interviews bleek dat The Soft Machine anders reageerde dan de gemiddelde popgroep. Wellicht had de universitaire achtergrond iets mee te maken? Ratledge kon interviewers behoorlijk op het verkeerde been zetten.
Natuurlijk pikte John Peel de single op en draaide die in zijn radioprogramma ‘Perfumed Garden’. Via Chandler kwam Ayers in contact met Jimi Hendrix, die werd ook door Chandler gemanaged. Jimi's drummer Mitch Mitchell bleek dezelfde ideeën te hebben als Robert: meer vrij spelen en niet alleen het ritme of de maat aangeven. Ze werden snel goede maatjes. Als blijk van vriendschap doneerde Mitchell na een gezamenlijke tournee door Amerika zijn drumstel aan Wyatt.

Begin '67 werden opnames gemaakt in De Lane Lea Studios voor een mogelijk album. Dat was het niet helemaal en er werd vervolgens niets mee gedaan tot Giorgio Gomelsky ze ontdekte. Wyatt speelde en zong een goede partij, maar Allen was stoned en niet op zijn best. De acht opgenomen nummers werden later, onder protest van de band, op twee verschillende lp's uitgebracht; vier nummers per kant met aan de andere kant andere artiesten. In het cd-tijdperk kwamen de nummers weer samen onder de noemer ‘Jet Propelled Photographs’. Die tracks zouden nog op veel andere manieren gepresenteerd worden, sommigen zelfs in bewerkte versie als onderdeel van de eerste echte Soft Machine plaat. Ondanks het slechte spel is goed te horen waar The Soft Machine mee bezig is en welke kant de muziek opgaat.

29 April 1967 leverde een eerste succes op: The Soft Machine treedt, naast vele anderen, op in Alexandra Palace tijdens een van de grootste psychedelische happenings: ‘Technicolour Dream’. Die droom was ronduit indrukwekkend. Er waren vloeistofprojecties, rook, drugs, wierrook, happenings, motorgeluiden, kledingwedstrijd voor de ‘girls’ (the shortest barest – Marianne Faithfull won, ze had een afgeknipt habijt aan dat nauwelijks over haar billen viel en verder niets). Er was overal muziek. Ook was het een puinhoop, er waren (te) veel mensen, nauwelijks toiletten en het was vooral erg koud. In de zomer van 1967 speelt The Soft Machine veel in Zuid-Frankrijk en nemen er muziek op voor Pablo Picasso's voorstelling: Le Désir Atrappé Par Le Queue. Vooral het concert in Saint Tropez maakte de band bekend. Ze speelde er een één-uur durende versie van ‘We Did It Again’, een song die eerder zo’n drie-en-een-halve minuut duurde. De band maakte veel los, genoeg om van het Franse Ministerie van Cultuur de ‘Ordre de la Grande Gedouille’ te ontvangen.

Bij de terugreis naar Engeland werd Allen bij de douane geweigerd. Als reden werd opgegeven dat zijn visum verlopen was. The Soft Machine werd daardoor gereduceerd tot een trio. Allen ging terug naar Parijs, ontmoette Gilly Smyth en begon een eigen band: ‘Gong’ (elders op Under the LemonTree).
Het trio gaf een reeks concerten in op het vaste land, België, Frankrijk, Nederland. Hun mengeling van jazz, oosterse muziek, modern klassiek en experimentele klanken sprak hier meer aan dan in eigen land. Ratledge had inmiddels een Lowrey orgel gekocht, geld voor een echte Hammond was er niet. Hij had een beetje genoeg van gitaristen die de show stalen en probeerde uit zijn orgel allerlei klanken te halen en net zo wild te klinken als Hendrix bijvoorbeeld. Ondanks dat speelt nog heel even gitarist Andy Summers mee. Summers zou later erg beroemd worden als gitarist van The Police. Maar de ‘klik’ was er niet en bovendien kon Ratledge het zelf wel alleen af.

Door het contact met Chandler heeft de band de mogelijkheid een, achteraf slopende, tournee met Hendrix door de USA te maken. Hendrix is populair aan het worden en is dan ook de hoofdact. Tijdens die tournee kreeg de groep de mogelijkheid hun eerste album op te nemen. Tom Wilson, bekend van the Velvet Underground, Bob Dylan en The Mothers of Invention, deed de productie. Het resultaat was nogal teleurstellend. Kevin vond het vlak en ronduit slecht geproduceerd en beschuldigde Wilson daarvan. Ook de andere leden waren ontevreden. Misschien was het tegenvallende album het resultaat van die nachtmerrie-achtige tournee door de Verenigde Staten in het voorprogramma van Hendrix? Of de tijd die er was om een album op te nemen: vier dagen. Ondanks dat geeft ‘Volume One’ (1968) heel goed weer waar de band op dat moment voor stond: nieuwe, frisse muziek, beetje pop, beetje jazz, experimenteel, elektronisch, warm. Arnold Shaw beschrijft het in de binnenhoes beeldend en met verve: “Children of World War II, long hair, shades, multi-coloured, paisley-patterned shirts, offbeat hats, beads, bells and bikini shorts. Three British 'drop-outs' stranded on the French Riviera and sleeping on the beaches. But they have a panel truck bulging with electronic hardware. And soon their sound fills the first half of Jean Jacques Lebel and Alan Zion's Festival Libre at St. Tropez, loosening up audiences for a play by Pablo Picasso, Desire Caught by the Tail. Now, open year ears and listen to their music! It's a Now-sound, swings like jazz, rocks like rhythm-and-blues, hairy with fuzz-box distortion, of-the-keyboard with electronic atonalities - the sound of music updated by the music of sound.” Daar is helemaal niets aan toe te voegen toch?
Onder de tracks: ‘Hope for Happiness’, ‘We did it Again’ en ‘Why Are We Sleeping’. Die laatste twee werden live uitgerekt tot wel een half uur of nog langer, zoals in Saint Tropez. Op de laatste track van het album, ‘Box 25/4 Lid’ horen we een ander geluid, dat was de fuzzbas van Hugh Hopper. Toeval of niet, het was een voorbode voor het komende album. Hoppers naam stond niet eens op de hoes, net als die van de vrouwenband ‘The Cake’, Jeanette Jacobs, Barbara Morillo en Eleanor Barooshian. Zij doen de achtergrondzang doen op ‘Why Are We Sleeping’.
De originele verpakking was prachtig en ongekend. De voorzijde van het album had een draaischijf met de band en machineonderdelen daarachter. De achterzijde en binnenkant had, naast de tekst van Shaw en wie-doet-wat, een naakte ‘beatgirl’. Die girl werd in sommige uitgaven voorzien van een blauwe bikini... Niet iedereen kon de vrijheid van toen aan.

Het album, de verschrikkelijke tournee, het was bijna het einde van The Soft Machine: ruzies, uitgeput en geen zin meer. Amerika is toch anders dan ‘Good old England’. Mensen veranderen door tournees en hebben soms veel van elkaar te verduren. Ayers was inmiddels overtuigd macrobiotisch, kon zich niet meer handhaven in de hectiek van de band en vluchtte naar het relaxte Ibiza. Ratledge keerde terug naar Engeland en Wyatt bleef een tijd in Los Angeles met het vage idee voor zichzelf te beginnen. Maar, The Soft Machine had echter een contract voor twee lp's. Ayers weigerde terug te keren en gaf aan niets meer met de band te willen. Hij begon later met een eigen groep: ‘The Whole World’ een vervolgens een aardig succesvolle solocarrière. Hugh Hopper, die als roadie meegegaan was op de US-tour, nam zijn plek in.

Opnames voor het tweede album zijn in februari en maart 1969 in Olympic Studios, Londen. ‘Volume Two’ wordt uitgebracht in september 1969. Dit keer een wat fantasieloze hoes met een mechanisch vrouwfiguur op de voorzijde en verder enkele bandfoto’s. Er is opnieuw een tekst, een deel ervan: “There is music for the body and there is music for the mind. Music for the body picks you off the floor and hurls you into physical activity of whatever type you may prefer at the moment. Music for the mind floats you gently downstream, through pleasurable twists and turns, ups and downs, rapids and calm waters. The Soft Machine plays music for the mind… “ Dat klopt wel ongeveer, de muziek is compact, korte stukken aaneengesmeed tot twee langere composities: ‘Rivmic Melodies’ (kant A) en ‘Esther’s Nose Job’ (kant B). In een orgie van geluid, klanken, fuzzbas en – orgel, horen we het ABC voor- en achteruit opgezegd door Wyatt, prachtige songs, waarvan één in het Spaans, één akoestisch stuk, gillende brandweersirenes, musique concrète, Schönberg, jazz en een parodiedrumsolo. Wyatt’s teksten komen regelrecht uit het ‘gewone’ leven en verhalen over zijn levenservaringen.
Eén track springt er een beetje uit: ‘Dedicated To You But You Weren’t Listening’. De song is geschreven door Hopper en wordt hier gezongen door Wyatt met Hopper op akoestische gitaar. Het is een rustpunt in het ‘geweld’ van de muziek eromheen.
Nergens werd vermeld dat Hugh’s broer Brian meedeed, want die nam alle alt- en tenorsax partijen voor zijn rekening.

De ontvangst van ‘Volume Two’ was uitermate positief en het leverde The Soft Machine veel concerten en publiciteit op. Dat was ook de reden dat ze in Nederland waren en door de VPRO werden opgenomen.
Na vele concerten in de driemansbezetting liep men aan tegen de beperkingen ervan. Van oktober tot december 1969 werd de band dan ook uitgebreid tot een septet. Toegevoegd werden: Lyn Dobson (1939- sax, fluit), Elton Dean (1945-2006/alto sax, saxello), Nick Evans (1947- /trombone) en Mark Charig (1944 - /trompet, bugel). Dat beviel goed, maar bleek te duur. Later doken enkele fantastische opnames van deze bezetting op. Door de bezetting gaat Soft Machine wel veel meer richting jazz. Dean blijft als vast groepslid. In het begin blijft Dobson ook, dat maakt de band een kwintet, maar uiteindelijk wil die andere wegen bewandelen.

Het contract met Probe is voldaan, maar men is zeer ontevreden over de marketing. De groep kiest daarom voor CBS. Die wil wel. Third (1970) is een dubbel-lp, met slechts vier tracks, elk een kant lang. De recente ontwikkelingen richting jazz vroegen om langer werk, meer improvisaties, langere solo’s. Opvallend is de afwezigheid van songs, alleen kant 3, ‘Moon in June’ heeft tekst. Het was de eerste fase van Wyatt richting onmin met de band. ‘Facelift’ van de oude lp-kant 1 is een samenvoeging van twee livestukken, de een uit ‘Fairfield Hall’ in Croydon, de ander van ‘Mothers Club’, Birmingham. Kant 4 brengt ons minimal music in tapeloops, iets waar men al eerder mee bezig was, maar geen ruimte voor vond. ‘Third’ wordt nu gezien als een van de beste Soft Machine albums met de typerende klanken van Ratledge’s Lowrey fuzzorgelsolo’s, het wat geknepen geluid van de saxello van Dean, de fuzzbas van Hopper en die heerlijk swingende drums van Wyatt. Gezien de recente live-ervaringen met het septet duiken op het album bekende namen op: Lyn Dobson (fluit, sopraansax), Nick Evans (trombone), naast Jimmy Hastings (1938- /fluit, basklarinet) en Rab Spall (?/viool op de Moon in June). Bij de rererelease van het album in 2007 krijgen we als cd-bonus het concert uit Royal Albert Hall erbij. Dat is ook separaat te vinden op ‘Live at the Proms’ (1988).
In deze periode mocht de band namelijk optreden in the Royal Albert Hall tijdens the Proms. Iets wat in die tijd nieuw en allesbehalve vanzelfsprekend was. Wyatt schrijft in de hoes hoe het was: “We was invited by Tim Souster, who had an evening using the hall to do what we liked with. I believe he'd heard our second LP, asked us on the strength of that. He discovered us on the way to discovering Motown. Via the Who, I think. Anyway it was brave of him to invite us despite the withering contempt of the posh music establishment. Before our bit, I went out the back for a quick fag and then the doorman didn't want to let me back in. ''I've got to play in there'', I said. ''you must be kidding, son'', he said, '' they only have proper music in there''. Not that night they didn't.” Het concert duurde slechts drie kwartier, te weinig om een echt goed concert te geven, maar de toon was gezet.

Wyatt was, zoals opgemerkt, niet heel blij met de instrumentale richting van Soft Machine, meer en meer muziek werd uitgeschreven, de spontaniteit van het begin en zeker zijn songs werden steeds minder gespeeld. Hij probeerde zijn creativiteit elders te slijten, onder andere bij ‘Centipede’ en ‘The Whole World’. Door de ontevredenheid was Wyatt de eerst met een soloalbum: ‘The End of An Ear’ (1970). Fonetisch gespeld, maar de tekst was duidelijk. Hoogst merkwaardig vond ik het gebrek aan songs op dit album, het was nog experimentelere muziek (jazz?) dan Soft Machine. Het album versnelde vermoedelijk het vertrek van Wyatt uit the Soft Machine. Ratledge en Hopper, ondersteund door Dean, wilden nog meer een soort fusion maken met de nadruk op het gecomponeerde jazzaspect. Robert zag meer in een popachtige muziekstijl met jazzinvloeden. De discussies over het wel of niet verlaten duurde lang. Pas na het maken van de vierde plaat: Fourth verliet Wyatt the Soft Machine. Met hem ging, zeggen veel fans, de humor. Dat bleek duidelijk bij Wyatt’s nieuwe band: Matching Mole. De naam alleen al is humoristisch: Matching Mole is verbasterd Frans voor ‘Machine Môle’, en dat betekent: Soft Machine!

‘Fourth’ (1970) is een plaat met pittig jazzmateriaal en is voornamelijk geschreven door Hopper. De openingstrack ‘Teeth’ is van Ratledge, ‘Fletcher’s Blemish van Dean en de rest, ‘Kings and Queens’ en het lp-kant lange ‘Virtually’ van Hopper. Wyatt speelt weergaloos, maar zijn stem is inderdaad nergens te horen. Net als ‘Third’ zijn er gastvrienden: Roy Babbington (1940- / contrabas), Mark Charig (bugel), Nick Evans (trombone), Jimmy Hastings (altfluit, klarinet) en Alan Skidmore (1942- /tenorsax). Op de enkele hoes van ‘Fourth’ staat een behoorlijk serieus kijkende band. Bij sommige persingen staat er een grote ‘4’ op de voorzijde. Niet alle fans waren blij met de ontwikkeling, Soft Machine werd een ‘moeilijke groep’ lastig te vangen en te begrijpen.

Wyatt werd vervangen door de Australische free-jazz drummer Phil Howard (geboortedatum onbekend). Zijn behoorlijk free-jazzopvattingen over de te volgen weg leverden regelmatig discussies op met de andere leden. Howard was nog meer jazz dan de rest; er bleek nog steeds een rest ‘pop’ in Soft Machine. Ook had Howard moeite met de uitgeschreven partijen, die boden te weinig mogelijkheden om zich te uiten. Tijdens de opnames voor ‘Fifth’, verliet hij, na een nieuw conflict, plotseling de band. John Marshall 1941- ), afkomstig uit Nucleus, werd bereid gevonden zijn plek in te nemen. ‘Fifth’ (1972) heeft dan ook als merkwaardigheid aan elke plaatzijde een andere drummer. Het is een flink onderschatte plaat. Kan komen door de helemaal zwarte hoes, maar ook door het complexe materiaal: freejazz, geluidsexperimenten (‘Drop’), wat strakkere ritmes van Marshall en veel solo’s. Babbington speelt opnieuw mee op contrabas (heel kant B) om Hopper’s fuzz wat tegenwicht te bieden. Howard’s bekkens ruisen door kant A van de lp, een prachtig geluid.

Howard maakte met zijn mening wel iets los bij Dean. Die krijgt de vrijere jazzkriebels en vertrekt op zijn beurt. Samen met Phil Howard richt hij ‘Just Us’ op. Zijn plek wordt ingenomen door Karl Jenkins (1944- ), net als Marshall afkomstig uit Nucleus en bespeler van baritonsax, hobo en keyboards. Deze bezetting heeft een positieve uitstraling. Dat is op het in 1973 verschenen ‘Six Album’, een dubbel-lp, terug te vinden. Een lp is live, opgenomen in The Dome, Brighton en Civic Hall, Guildford in oktober en november 1972. We horen stukken van ‘Fifth’, maar ook nieuw werk. Duidelijk is ook meteen dat Jenkins niet stil zit en meeschrijft aan composities. Zijn hobo en baritonsax geven het geluid een nieuwe dimensie, dat is live al goed te horen, maar in de studio nog beter. De studio-opnames gemaakt in november en december in de Londense CBS Studios. Het studio-album bevat vier stukken en biedt ons filmische muziek in’ Chloe and the Pirates’ tot tapeloops en experimentele geluiden in ‘1983’. Het laatste stuk is ook het laatste stuk van Hopper voor Soft Machine. Ook hij houdt het nu voor gezien. Hopper zou vrij snel na zijn vertrek komen met een soloalbum ‘1984’ (1973). Nu is alleen Ratledge nog over van de originele bezetting.
Niet heel verrassend is dat Hopper vervangen wordt door Babbington, die deed immers al mee vanaf album vier. Babbington moest wel wat meer oefenen op de basgitaar, tot dan speelde hij vooral contrabas. Zijn basspel is erg geïnspireerd door het werk van… Hopper! Volgens Babbington een uniek en heel herkenbaar geluid en de eerste bassist die dat voor elkaar kreeg.

‘Seven’ (1973) wordt het nieuwe album. Een mooi album verpakt in een wat vreemde, eigenlijk bijna saaie, mathematische hoes. De critici roepen (natuurlijk) dat het niet zo’n sterk album is, maar dan hebben ze niet goed geluisterd. De opnames klinken anders door het gebruik van synthesizers, het nieuwe speeltje van Ratledge. Een goede stap, want het geluid van zijn fuzzy Lowrey komt inmiddels wat gedateerd over. ‘Seven’ is echt een Soft Machine-album in navolging van ‘Six Album’, minimal music, tapeloops, filmmuziek (‘Carol Ann’), het karakteristieke scheurend orgel en het opvallende, softe geluid van de hobo. De meeste tracks zijn geschreven door Jenkins die zich daarmee stevig nestelt in de machine.

Na ‘Seven’ zoekt Soft Machine naar een nieuw geluid, iets anders, een frisse blik. Eerst wordt een nieuw contract afgesloten met Harvest Records en vervolgens wordt een horde musici uitgenodigd mee te komen spelen. Een van die musici is gitarist Allan Holdsworth (1946-2017). Die speelt met de snelheid van het licht en heeft een heel eigen karakteristiek vloeiend geluid. Dit is wat men zoekt! Voor het eerst sinds het prille begin speelt er weer iemand gitaar in de band. De nieuwe composities worden geschreven door bijna iedereen in de band, de meeste weer door Jenkins.
Het nieuwe album heeft een titel, niet ‘Eight’, maar ‘Bundles’ (1975). Het album opent met kerkklokken en dan kan het duo Holdsworth-Marshall los gaan, want die twee zetten hier de toon. ‘Bundles’ kent veel, lange gitaarsolo’s. Voor het eerst is de pers enthousiast. Wat een frissigheid van die muffe machine. Ondanks dat is het een herkenbaar Soft Machine-album, inclusief loops, het scheurorgel, alhoewel dat steeds minder wordt, en een drumsolo van Marshall. De afsluiter, ‘Floating World’ is zo’n loopstuk met bijdragen van Ray Warleigh op alt- en basfluit. Het is het enige gastoptreden. Ik vond het indertijd een verrassend, maar prachtig album, het was niet van mijn draaitafel te krijgen. Dat zegt wel iets.
De bijdragen van Holdsworth was meer mensen opgevallen, hij werd veel gevraagd en kan niet weigeren als zijn ‘held’, drummer Tony Williams, hem vraagt in diens band ‘Lifetime’ te komen spelen. Gaat het eindelijk goed krijg je dat. Holdsworth wijst zelf zijn opvolger aan: John Etheridge (1948- ).

Met de tweede John in de band begint men in 1976 aan een volgend album. Ratledge is inmiddels moe van het componeren (dat was al duidelijk) de drukte van de tournees en al dat gewissel in de band. Hij houdt het dan ook voor gezien en geeft de rest de bandnaam mee. Niet heel onterecht, vergelijk je ‘Volume One’ met ‘Bundles’ dan zijn er nauwelijks overeenkomsten, niet in naam en niet in muziek. Door het terugtreden van Ratledge wordt Jenkins de belangrijkste componist en toetsenist. Om zijn blaaspartijen op te vangen wordt Alan Wakeman (1947- / en inderdaad, de neef van Rick) aangetrokken. ‘Softs’ gaat verder waar ‘Bundles’ ophield, maar ligt over het algemeen iets makkelijker in het gehoor, met Ratledge is ook de dwarsigheid de band uit. Ratledge doet nog mee met zijn synthesizer op twee stukken: ‘Ban-Ban Caliban’ en ‘Song Of Aeolus’. Dat zijn ook de tracks die het meest herinneren aan ‘Bundles’.

Na ‘Softs’ wordt het wat stiller rondom de machine. Harvest brengt in 1977 ‘Triple Echo’ uit, drie lp’s, en een fraai boekje op lp-formaat. We vinden er de eerste single, songs van de Gomelsky-albums en een dwarsdoorsnede van de jaren Soft Machine. Heel prettig vond ik de tweede lp: live stukken met het septet: ‘Esther’s Nose Job’ en de ‘suite’: ‘Mousetrap/Noisette/Backwards/Mousetrap Reprise. Ook de ‘Moon in June’-uitvoering is geweldig, maar dat komt vooral door de bijna breekbare zangpartij van Wyatt. Het laatste livestuk, ook weer een soort suite is met het kwartet met Dean: ‘Slightly All The Time/Out Bloody Rageous/Eamonn Andrews’. Van dit soort platen word ik altijd geval blij en heb die dan ook talloze keren gedraaid.

De eerste teleurstelling komt met ‘Alive & Well-Recorded in Paris’ (1978). De vraag doet zich meteen voor of dit nog wel een Soft Machine album is. Wakeman is weg, maar erger is het vertrek van Babbington. Nieuwelingen zijn Rick Sanders (1952- /viool) en Steve Cook (1948- /bas). Live werd Cook vaak vervangen door Percy Jones, de bassist van Brand X. ‘Alive & Well’ is zoals de titel al aangeeft opgenomen in Parijs, Theatre Le Palace, Montmartre. Het is een samenstelling van vier concerten uit juni 1977. De titel moet misschien niet te serieus genomen worden, want de plaat heeft weliswaar over het algemeen een Soft Machine-achtig geluid, maar het is niet meer het indrukwekkende of levendige van voorheen. Daarbij zou de eindtrack ‘Soft Space’ zo als begeleiding kunnen dienen voor Donna Summer’s ‘I Feel Love’, nou niet bepaald Soft Machine toch? De kleine letters goed gelezen? Mike Ratledge: ‘synthesizer and programming on 11’, dat is die Soft Space… Hm.

Dan wordt het heel stil rondom the Soft Machine. Er stond toch al weinig in de muziekbladen, nu helemaal niets meer. Is de groep opgeheven? Niemand weet het. In 1983 sta ik in een platenzaak in Breda in een wat vreemde stemming nadat net mijn relatie net afgelopen is en trek daar een lp uit de bak; ‘Land of Cockayne’- Soft Machine. Inderdaad met Jenkins en Marshall, maar ook Holdsworth. Ik geloof mijn ogen niet en vraag of ik een stuk mag horen. Ik vind het geen Soft Machine, maar wel een sfeervolle plaat die prima past bij mijn stemming. Zeker de openingstrack: ‘Over ’n Above’ die oneindig lang lijkt te duren. Het album stikt van de strijkers en wordt genoemd als werk van Jenkins en Marshall, maar Jenkins neemt alle composities voor zijn rekening, speelt keyboards, Synclavier en dirigeert het anonieme strijkensemble. Een reeks gasten treedt aan: Allan Holdsworth (gitaar), Jack Bruce (bas/die van Cream), Ray Warleigh (altsax, basfluit), Dick Morrissey (tenorsax), Alan Parker (ritmegitaar), John Taylor (Fender Rhodes, en hoe), Tony Rivers (achtergrondzang), Stu Calver (achtergrondzang) en Jerry Perry (achtergrondzang). Achteraf was het dé gelegenheid voor Jenkins om een orkest te dirigeren en dat te oefenen. Hij genoot volop. Hoogtepunt is ‘(Black) Velvet Mountain’, dat zou zo in een liefdesfilm kunnen, iets met regen en voorbije relaties. De gitaar huilt mee.

Na mijn relatie is nu ook Soft Machine voorbij. Maar, ik schreef dat al eens vaker, in muziekland is voorbij nooit voorbij. Er komen nog bijna veertig (!) cd’s, lp’s uit met werk van Soft Machine. Voor de liefhebber is het niet gemakkelijk om de collectie bij elkaar te sparen. Cd's verschijnen bij allerlei onbekende en kleine maatschappijtjes en vaak ook maar kort. Soms worden albums en cd’s samengevoegd tot een nieuwe cd met andere verpakking, soms komen ze alleen in Japan uit. Opmerkelijkst is dat nadat the Soft Machine gestopt is er dus meer cd's zijn verschenen met opnamen dan ooit tevoren. Daar zit prachtig werk bij, vooral de kort bestaande bigband uit 1969 laat horen wat the Soft Machine toen betekende. Opmerkelijk bij al die uitgaven is dat er weinig te horen is van de laatste bands. Het accent ligt vooral op de beginperiode, vaak in de bezetting met Wyatt, Ratledge en Hopper, of het kwartet met Dean erbij. Alle cd’s in dit verhaal opnemen gaat te ver. Ze zijn te vinden op mijn Soft Machine website ’Noisette’ (klik onderaan de pagina op de naam).

De meeste groepsleden zitten nog altijd in de muziekscene. Ratledge en Jenkins hebben een eigen maatschappij; ze leveren muziek voor commercials! De rest toert met vrienden, oude bekenden en nieuwkomers in verschillende bands en bezettingen. Zo duiken er regelmatig kruisbestuivingen op, maar allemaal iets ‘Softs’: Soft Works, Polysoft, Soft Mountain, Soft Machine Legacy, Soft Heap en Soft Head. Steeds zitten er één of meer ex-Soft Machine leden in, soms zelfs die nooit eerder met elkaar in Soft Machine gespeeld hebben.

Soft Machine Legacy is het meest actief en gaat sinds 2017 door het leven als: Soft Machine, een nieuwe incarnatie van de band dus. In de ‘jongste’ band spelen oudjes: Etheridge, Babbington en Marshall, aangevuld met jonkie Theo Travis (1964- /tenor- en sopraansax, fluit, Fender Rhodes). Hij speelde nooit eerder in Soft Machine. Deze Soft Machine maakte in 2017 een nieuw album ’Hidden Details’ Het album sluit qua muziek naadloos aan op ‘Bundles’. Het gekke is dat de pers er dit keer unaniem lovend over was. Deze bezetting speelt nog volop en zolang men het volhoudt bestaat Soft Machine nog steeds, of opnieuw, of weer? Maakt niet uit, door deze band komen oude versies ook weer in de belangstelling. Deze ‘rivmic melodies’ gun ik namelijk iedereen.