logo van The Lemontree
pink floyd: ummagumma

Fucking good

omschrijving afbeelding

‘Ummagumma’ (1969) is het vierde album van Pink Floyd. De pers was lovend, maar de band sprak er met terugwerkende kracht vooral negatief over. Ik heb er duidelijk een andere mening over.

‘Ummagumma’ is vooral een album van afscheid en vooruit kijken, een album met live-opnamen en een met elk-voor-zich opnamen. Hoe zit dat precies?

En wat betekent die vreemde naam, ‘Ummagumma’, of betekent het niets?

Over de hoes is ook nogal wat te vertellen. Het is niet zomaar een hoes om een plaat.

Duik mee in de geluidsverleggende wereld van een ‘fucking good’ album.




De Grote Drie uit mijn jeugd zijn Frank Zappa & the Mothers of Invention, Soft Machine en Pink Floyd. Ik duik daarmee regelrecht de jaren zestig in. Mijn drie favoriete albums van deze bands stammen ook uit deze periode, achtereenvolgens: Uncle Meat (1969), Volume Two (1969) en Ummagumma (1969). Daarmee is 1969 de winnaar en dat voor iemand die toen dertien jaar was. Nu is Ummagumma dan wel mijn favoriet, de heren van Floyd zien dat heel anders, het album is al meerdere keren verguisd, beschimpt en afgedaan als amateuristisch gepruts, maar daar ben ik het niet mee eens. Je doet iets omdat je op dat moment denkt dat het zo moet. Je kunt het later, als je – in het geval van Pink Floyd letterlijk – groot bent dan wel bekritiseren omdat je inzichten veranderd zijn, op dat moment was het zoals het was en dat was niet niks.

Ummagumma is het vierde album van Pink Floyd en werd vijf maanden na ‘More’, op 7 november 1969, uitgebracht. Het is Pink Floyd’s eerste album op het Harvest-label en meteen ook maar een dubbelalbum. Twee lp’s met totaal negen tracks, een live-album met vier tracks en een studioalbum met drie lange en twee iets kortere tracks. Het livealbum is een groepsgebeuren, het studioalbum een individuele aanpak.

Na het tweede album, ‘A Saucerful of Secrets’ (1968), zocht de met de verdwenen Syd Barrett en nieuw aangesteld David Gilmour een eigen richting in muziek. Hoe die zou kunnen worden was al een beetje te horen op ‘More’ (1969), maar dat album werd toen gezien als een tussendoortje. De ‘echte’ opvolger van ‘A Saucerful of Secrets’ was ‘Ummagumma’. Dat album is er in alle opzichten een met meerdere kanten, maar vooral een van afscheid nemen en vooruit kijken. Afscheid nemen van de composities die ze al een tijd live speelden, vooruit kijken door nieuwe wegen te openen. Maar hoe was de vraag. Er waren geen plannen, geen ideeën. Zo ging dat toen. Naar de studio en daar zien we wel verder. Het is een opzet die lange tijd Pink Floyd’s werkwijze bleef. Misschien niet heel verkeerd, maar wel tijdrovend, duur en naarmate de inspiratie opdroogt frustrerender. Het kwartet wilde af van de songs die ze live al geruime tijd speelden en wilde ‘iets’ anders om mee vooruit te kunnen. ‘Ummagumma’ werd zo met terugwerkende kracht een transitioneel album, een leermoment ook.

Afscheid nemen van: ‘Astronomy Domine’, ‘Careful with that Exe, Eugene’, ‘Set the Controls for the Heart of the Sun’ en ‘A Saucerful of Secrets’. Stuk voor stuk nummers die live al talloze keren gespeeld waren. Men had er – terecht - een beetje genoeg van. Het idee was ze op het album te zetten, dan hoefden ze die daarna niet meer te spelen. Dat was echter buiten het publiek gerekend en het succes van het album (het was een Top5 hit). Nieuwe mensen kwamen naar de concerten en wilde horen wat de plaat hun bood. Een dualisme, want het publiek loopt altijd achter op de groei van een band. Iets heel nieuws spelen kan risicovol zijn, omdat het in dat opzicht over het algemeen wat conservatievere publiek een verkapte moraal hanteert van ‘wat de boer niet kent vreet hij niet.’ Tenzij je was opgevoed door Frank Zappa, bij hem wist je nooit wat er live gespeeld zou gaan worden, zowel qua stijl als qua band. Aan de andere kant snap ik ook dat je iets wil horen wat je kent. Pink Floyd had in die tijd al een fenomenale geluidsinstallatie en ook al waren de individuele leden geen supermusici, ze konden wel een sfeer neerzetten. En daar wil je bij zijn natuurlijk en dat aan den lijve ervaren.

De vier livestukken zijn volgens de hoes opgenomen in juni 1969, maar dat klopt niet helemaal, of, kan ik beter zeggen, helemaal niet. Er waren drie opnamesessies gepland bij drie shows: Bromley Technical Collage op 26 april, Mother’s Club, Birmingham op 27 april en Student Union Building, College of Commerce, Manchester op2 mei. De show in Bromley was het helemaal niet, dus werd gebruikt gemaakt van de optredens in Birmingham en Manchester. Wright: “The first time at Mothers in Birmingham we felt we’d played really well, but the recording equipment didn’t work so we couldn’t use nearly all of that one. The second time at Manchester was a really bad gig but as the recording equipment was really working well, we had to use it.” Het gevolg was dat stukken van ‘Saucer’ van Birmingham werden overgedubd en/of samengevoegd met die van Manchester. Verder werden alle zangpartijen overgedaan in Abbey Road Studios. Uiteindelijke conclusie van Wright: “The stuff on the album isn’t half as good as we can play.”

Misschien was dat meteen de reden van de band om er afstand van te nemen? Voor de meeste mensen, zoals wij in Nederland, die al die shows niet kenden was het live-album toch een echte ear-opener. Wat een sensatie, een soort virtuele trip met onbekende bestemming naar oneindige verten. Laat je meevoeren op de muziek en ‘free your mind’. Ik zag toen de meest abstracte kunstwerken voor me en dat zonder enig genotsmiddel. De muziek deed het werk wel alleen. Wright: “I suppose much of what gives our music a space-like quality is that it is very free-form, especially on stage. We work out basic formats but it’s all improvisation on known themes. A lot of people think that on stage we work with tapes – but that’s just not true. We spend a lot of time looking for new sounds especially when we’re in the recording studios. A lot of it happens when we’re on a gig – them we remember the sound and use it afterwards.”
Met de beperkte ruimte van rond de achttien tot twintig minuten van vinyl toen was het live-album met deze vier tracks gevuld. ‘Interstellar Overdrive’ was ook geselecteerd, maar kon er niet meer op. Ik vond en vind dat niet erg. Die was al uitgemolken eigenlijk en vergeleken met het werk dat we nu gepresenteerd kregen een stuk dat op een of andere manier meer gebonden leek aan Barrett dan ‘Astronomy Domine’.

Voor het studioalbum was al één nummer opgenomen: ‘The Embryo’. Een prachtig, sfeervol nummer dat live vaak gespeeld werd. Niet in de korte, bijna vijf minuten, durende opname, maar soms wel twintig minuten. ‘Embryo’, nu zonder ‘the’ viel af, nadat er besloten was allemaal iets eigen in te brengen. Embryo werd later uitgebracht op de Harvest verzamelset: ‘Picnic, A Breath of Fresh Air’ (1970). Alleen al vanwege de onbekende/ontbrekende track van Pink Floyd verkocht dit album goed.

Het idee om afzonderlijk van elkaar iets te doen kwam van Gilmour: “It was down to a lot of paranoia amongst each other, and thinking we would have a good time doing things on our own for a change, just for a laugh.” Gilmour verklaarde later: “It think it was Roger’s idea.” En Mason zei dat hij dacht: ‘The idea came from Richard.” Los van wie het idee nu was is het een bijzonder gegeven, omdat Pink Floyd weinig interviews gaf, zichzelf als één geheel presenteerde en bijna alles samendeed. Van sommige bands wist iedereen wie er in speelde, van Pink Floyd was dat minder bekend en konden de heren gewoon over straat lopen zonder een schare gillende fans achter zich aan te krijgen. Deze aanpak wordt weerspiegeld in de hoes, daarover later mee. Dat lachen verging ze echter snel, want de individuele aanpak was er een van – te? - geconcentreerde serieuziteit.

In volgorde van het album. De eerste compositie is van Rick Wright (1943-2008/keyboards, vibrafoon, trombone, percussie) en heet: ’Sysyphus’. Daarmee duiken we meteen de Griekse Mythologie in: Sisyphos was de stichter en koning van Korinthe. Hij was een sluwe man, maar beging de vergissing de goden uit te dagen. Hij wist telkens aan hen te ontsnappen, maar verergerde hiermee zijn uiteindelijke straf. Die luidde dat hij tot het einde der tijden in de Tartaros een rotsblok tegen een berg moest duwen dat echter telkens van de top weer in de diepte rolde waardoor hij gedoemd was eeuwig dat rotsblok opnieuw en opnieuw de steile berg op te duwen. Hiermee toonde de oppergod Zeus aan dat uiteindelijk de goden toch nog slimmer waren dan Sisyphos (bron: Wikipedia). Het is nogal wat voor een compositie bestaande uit vier delen. Het werk begint met slagwerk en zwaar aangezette klanken van een Mellotron. Het zou zo een stuk van King Crimson kunnen zijn. De overgang is naar een deel solo-piano dat behoorlijk klassiek aandoet, maar langzaamaan ‘ontspoort’ en met allerlei elektronische effecten en het slaan op de snaren van de vleugel steeds verder richting avant garde en Musique Concrète gaat. Net als je denkt dat de Apocalyps nadert doemt er uit het niets nu de zachte klank van de Mellotron op en gaan we met Wright’s orgel zwevend het heelal in om vervolgens ruw wakker geschud te worden met dreigende orgelklanken en een reeks ongrijpbare elektronische klanken. Gelukkig keert het beginthema terug, waarna Sysyphus opnieuw kan of moet beginnen. Mijn muzikale grenzen werden met dit stuk flink opgerekt. Wright vond later dat het nogal ‘prententious’ was. Daar had hij helemaal gelijk in, maar soms moet je dat zijn om vooruit te komen.

Na de toch wel heavy kost is het eerste stuk van Roger Waters (1943- /basgitaar, gitaar) een verademing. We gaan de natuur in en wel naar ‘Grantchester Meadows’. Die grazige weiden liggen ten zuiden van Cambridgeshire; een plek in de buurt van Gilmour’s huis en geliefd oord bij studenten. Het is een mooi natuurgebied dat hier door Waters in gepaste setting lyrisch bezongen wordt. De track begint met het zachte geluid uit die natuur en al snel horen we een veldleeuwerik. Die komt terug in een gemaakte ‘loop’ en bezingt Waters op bijna lyrische wijze de schone plek zichzelf begeleidend op akoestische gitaar. Hij heeft het over vogels die zingen in de lucht, mistige ochtenden, blaffende honden, een ijsvogel die in het water duikt en de terugkerende rivier in het groen, met het groen van bomen aan de waterkant gespiegeld in het water. De eindeloze zomer blijft het water naar de zee voeren en ondertussen ligt hij in het gras en wordt overspoeld met zonnestralen. Langzaam gaat de middag voorbij en komen de geluiden van vroeger terug in zijn herinnering als hij weer thuis is. Je ziet de filmbeelden voor je, hier is alles pais en vree en vooral rustig en stil, Je zou er zo naar toe gaan. Halverwege het nummer horen we een gans die vervolgens met veel gespetter het luchtruim kiest en tegen het eind vliegt een vlieg langs. Die is echter niet gewenst en wordt al snel achterna gezeten met een vliegenmepper, trap op, trap af, en vervolgens geplet. Stilte.
Waters had nog een klein toegift, met een enorm lange titel: ‘Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving with a Pict’. Die bontdiertjes mag je zelf invullen, een Pict is iemand uit de late IJzertijd en vroege Middeleeuwen die leefde in het oosten en noorden van Schotland. Waters hanteert een etnolinguïstisch Keltisch taalgebruik, tenminste dat moeten we maar geloven, want eigenlijk is het allemaal onzin. Het is in feite een linkje richting zijn Schotse muziekmakker Ron Geesin (1943- /piano, componist). Geesin staat dan bekend als muzikant, componist van nogal ongebruikelijke muziekscheppingen en het gebruik van allerlei geluiden in muziek. Geesin zou met Waters samenwerking op de soundtrack voor de film ‘The Body’ (1970) én met Pink Floyd voor de titeltrack van het album na Ummagumma: ‘Atom Heart Mother (1970)’. Eenmaal ‘grappig’ bezig kon er nog wel iets bij. Als je het nummer vanaf vier-en-een-halve minuut op halve snelheid draait hoor je Waters in je rechter speaker zeggen: “This is pretty avant-garde, isn’t it?” Nou ja, dat valt wel mee vind ik. Hoe dan ook, het korte nummer met de lange titel is niet bepaald het meest interessants van het album en zeker na de serene rust van ‘Grantchester Meadows’ een anticlimax.

Gitarist David Gilmour (1946- /gitaren, basgitaar, keyboards) opende lp-kant vier met zijn bijdrage: ‘The Narrow Way’, een stuk in drie delen. Na een elektronische slinger zet Gilmour in met een akoestische gitaar die ‘aangevallen’ wordt door allerlei geluidsexperimenten. Zo gauw de elektrische gitaar inzet wordt de sfeer wat grimmiger en nemen de effecten het over. Halverwege de compositie is er een omschakeling en wordt ‘The Narrow Way’ een echte song. Die gaat over iemand die een donker pad naar het noorden volgt. Het is tijd om te rusten, maar de mist dringt op en de creaturen roepen, er is geen ontkomen aan. De song lijkt te gaan over de angst in jezelf, want ooit was er een tijd, lang geleden, dat er leven was in de ochtend. Maar misschien worden de nachten ooit ook wel zo als die ochtend? De song sluit af met een korte gitaarsolo. Gilmour vond het – en dat bleef zo – lastig om songteksten te schrijven. Op zijn meer recentere werk liet hij dat graag over aan zijn schrijversvrouw Polly, maar in 1969 stond hij er alleen voor en had hij het ook nog nooit eerder gedaan. Hij belde daarom met Waters en vroeg hem om een tekst, maar die weigerde simpelweg met een kort ‘No!’. Dat verhaal wordt vaak aangehaald als het gaat om de latere scheiding in de band, maar de achtergrond in die tijd was heel anders en zoals Gilmour zelf al aangaf, er was genoeg paranoia onderling. Waters vond dat hij het echt alleen moest doen en de opmerking was dan ook semi serieus en – het moet gezegd – Gilmour schreef dan uiteindelijk en onder druk zijn eigen tekst.

Nick Mason (1944- /drums, percussie) levert het laatste deel van het kwartet: ‘The Grand Vizier’s Garden Party’. Het bestaat uit drie delen: ‘Entrance – Entertainment – Exit’. Het tuinfeest begint met fluitspel. Dat is Mason’s toenmalige vrouw Lindy Rutter. Vervolgens leeft Mason zich bijna in traditie van Edgard Varèse uit op het slagwerk, de percussiesectie en dat alles met toegevoegde elektronische effecten. Mason hield niet van drumsolo’s, de acrobatische toeren om te laten zien hoe goed en snel je was. Mason: To annoy an audience beyond all reason is not my idea of a good night out.” Daarin kan ik hem geen ongelijk geven. De meeste drumsolo’s zijn behoorlijk saai, zeker als je ze alleen hoort en niet ziet. Het feest van de Grootvizier sluit af met het fluitthema van het begin.

Toen ik het album kocht was het luisteren er naar als een bombardement van geluiden, sferen en indrukken. Ik vond het geweldig en dat vind ik nog steeds. De heren Floyd denken daar nogal anders over. Wright omschreef het, zoals ik al opmerkte, als ‘pretentious’, Waters vond het een ‘disaster’ en Gilmour omschreef het als ‘horrible’. Mason had ook kritiek, maar zag wat voordelen: "I thought it was a very good and interesting little exercise, the whole business of everyone doing a bit. But I still feel really that that's quite a good example of the sum being greater than the parts ...". Verder merkte hij op dat hij het album zag als: "a failed experiment. The most significant thing is that we didn't do it again".
Ze waren het allemaal wel eens met Mason’s visie dat als ze de individuele delen ingebracht hadden om er samen iets mee te doen het een beter album geworden was. Dat idee hielden ze vast en gebruikte dat voor de opvolger: ‘Atom Heart Mother’. Wel maakte deze aanpak duidelijk waar de zwakke ene sterke punten van iedereen lagen en dat is iets dat op een goede manier ingezet kan worden om elkaar te versterken. Tot ‘Dark Side of the Moon’ (1973) gebeurde dat ook, daarna roerden ego’s zich teveel en ging het mis.

De naam van het album, ‘Ummagumma’ was voor velen net zo mysterieus als de muziek. Een goede keus, want niemand wist wat het betekende. Het duurde jaren voordat ‘onthuld’ werd dat er wel een betekenis was en waar de naam vandaan kwam. Het wordt omschreven als een ‘Cambridge slang word’, maar vriend Emo weet wel beter: ‘It was a word I made up about shagging, as in ‘I’m off home fors ome ummagumma’… “ Het beruchte ‘F’-woord mocht in die tijd absoluut niet als albumtitel gebruikt worden. Dit is een creatieve oplossing en bovendien wist toch niemand wat het was, ondertussen hebben ze natuurlijk met zijn allen zitten lachen als het woord op de raio of tv kwam.

De verpakking mocht en mag er wezen. Op de voorzijde zien we de band in verschillende houdingen in de deuropening en de tuin van het huis van Libby January, vriendin van hoesontwerper Storm Thorgerson. Het idee is afkomstig van wat we in Nederland het ‘Droste-effect’ noemen, een herhaling van beelden in het beeld. Dat was te zien op het blik Droste Cacao. Dat ontwerp is afkomstig van Jan Musset die het rond 1900 bedacht. Hij op zijn beurt was waarschijnlijk geïnspireerd door de pasteltekening van de Zwitserse schilder Jean Étienne Liotard: ‘La serveuse de chocolat’. We blijven zo wel in chocoladesfeer. De naam ‘Droste-effect’ is afkomstig van dichter, journalist Nico Scheepmaker. In het buitenland wordt dit effect anders genoemd: ‘Mise-en-Abyme’ en dat staat voor 'geplaatst in de afgrond'…
Thorgerson over het idee: “I was telling my then girlfriend (Libby) that I thought that Floyd were multi-layered, thus more complex and rewarding than others, and she said ‘infinite regression’ has lots of layers. I said especially as a real thing or a photo of a real thing, namely a picture on the wall showing the room in which there is a picture on the wall which is showing a room with a picture etc. etc. – and this what we did.”
Voorop de hoes staat een lp tegen de muur: ‘Gigi, Original Cast Sound Track Album’ (1958). Het is de muziek bij de uitvoering van de gelijknamige musical. Bij de eerste Amerikaanse en Canadese persingen was deze hoes helemaal wit vanwege auteursrechten. In Australië verdween ‘Gigi’ helemaal. In ruil kregen de Amerikanen en Canadezen wel een uitgewerkte tekst bij ‘A Saucerful of Secrets’, daar was dat werk in vier delen gesplitst: ‘Something Else, Syncopated Pandemonium, Storm Signal en Celestial Voices’.
Thorgerson had overigens geen enkele bedoeling met de hoes van ‘Gigi’, het stond gewoon goed.

In de binnenhoes zien we in zwartwit foto’s van de vier bandleden. Waters met zijn toenmalige vrouw Jude, eigenlijk Judith Trim. In latere, vooral cd-versies, verdween ze, omdat het paar inmiddels gescheiden was. Ze kwam weer terug bij de meest recente edities. Er kwam nog één fotoshoot van de heren voor een hoes (Meddle), daarna wilde ze niet meer in beeld gebracht. In feite is dit, net zoals het studioalbum, de individuele leden, terwijl op de voorzijde de groepsvorming wordt gesuggereerd.
Op de achterzijde zien we de ‘Van’ met twee ‘roadies’ en de ‘uitrusting’. Nu oogt dat beperkt, toen was dat behoorlijk uitgebreid voor een band. De opstelling op het ‘London Biggin Hill Airport’ is gedaan naar een idee van Mason. In veel tijdschriften met militaire vliegtuigen werd het wapenarsenaal zo gepresenteerd met het vliegtuig centraal, hier dus de bus De opstelling is naar analogie van die van de Lockheed F-104 Starfighter, een van de meest gebruikte en populairste vliegtuigen in deze periode. De twee heren zijn Alan Styles, diezelfde Alan van ‘Alan’s Psychedelic Breakfast’ op ‘Atom Heart Mother’ en Peter Watts. Van die laatste is zijn acterende dochter, Naomi Watts, een stuk bekender geworden dan haar vader.
Er is nog een alternatieve fotoshoot van de achterzijde bekend, die staat bovenaan deze pagina. Storm Thorgerson vond Ummagumma zijn mooiste hoes ooit: "I always thought, and I still think, that Ummagumma is a great design. I probably shouldn't, as an artist, like my own work (heavens, us artists are supposed to suffer dreadfully), but I quite like it.”

Na de release kwam het album tot de vijfde plek in de UK-album hitlijst en tot de vierenzeventigste in die van Billboard Top100. Vier maanden later was het daar een gouden album en weer een maand later platina. De pers ontving het album lovend. International Times: "probably one of the best live recordings I have ever heard". Vox schreef: "The Greatest Live Albums Ever". Toch niet verkeerd allemaal. In 2015 volgde een ander soort eerbetoon. Een nieuw ontdekt libellensoort werd ‘Umma’ genoemd met een korte verwijzing naar het album van Pink Floyd.

Diverse tracks van het album werden of waren inmiddels al live gespeeld als onderdeel van een project dat ‘The Man and the Journey’ is genoemd. ‘Grantchester Meadows’ was de opening van ‘The Man’ en heette daar ‘Daybreak’. In het tweede deel, ’The Journey’ zit deel drie van ‘The Narrow Way’. Het hele gebeuren van de man en zijn reis is opgenomen door onze eigen VPRO en indertijd uitgezonden op de radio. Flink voer voor bootleggers. Het zou ooit op lp verschijnen, maar had – volgens de band – teveel overlappingen met albums als ‘Ummagumma’ en ‘More’. Hoe het allemaal klonk en ook hoe andere composities in dit live-project waren verwerkt is uiteindelijk toch te horen en wel op een van de cd’s in ‘Pink Floyd the Early Years, Dramatis/Ation’ (2016). Een weetje: ‘The Journey’ werd soms ook wel ‘The Labyrinths of Auximines’ genoemd.

Waarschijnlijk door de visie van de band en de extreme successen van ‘Dark Side of the Moon’, ‘Wish You Were Here’ en ‘The Wall’ vallen de oudere albums wat buiten het auditieve beeld. Als je bedenkt dat de groep van die albums dezelfde groep is die Ummagumma gemaakt heeft is dat verwonderlijk. Echter, ligt hier juist bij ‘Ummagumma’ de kern, het onderzoek, de basis, voor dat succes en dat mag best gememoreerd worden, want, zoals de pers toen al wist, het is gewoon een ‘fucking good’ album.