logo van The Lemontree
pink floyd: the piper at the gates of dawn

Waar werkelijkheid fantasie wordt

omschrijving afbeelding

The Pink Floyd maakte halverwege de jaren zestig grensverleggende muziek die ondersteund werd met lichtshows en vloeistofprojecties. Ideaal voor blowers, trippers en mensen met andere vormen van hallucinaties. Dat drie van de vier bandleden erg ‘down to earth’ waren was hun blijkbaar ontgaan.

The Piper at the Gates of Dawn is een van de essentiële albums van de psychedelische muziek. Dat de grenzen van de muziek nog verder opgerekt konden worden bewees Pink Floyd eigenlijk pas daarna. Het maakt hun eerste album daarmee als een prelude op wat komen gaat.

Syd Barrett, ooit omschreven als dé Pink Floyd, speelt alleen op dit album mee; het album waarvan hij de meeste nummers componeerde. Daarna raakte het beoogde ‘wonderkind’ in een dusdanige crisis dat hij niet meer aan spelen toe kwam. Tot op vandaag leeft de vraag: “Wat als…?”

Een verhaal over The Piper at the Gates of Dawn, het eerste album van The Pink Floyd, mag hier niet ontbreken. maar het album is nauwelijks de weerslag van hoe de band in het echt klonk.




In 1962 zouden we op de Nederlandse radio liedjes kunnen horen als ‘Roses Are Red’ van Bobby Vinton; ‘Jambalaya on the Bajou’ van Fats Domino; ‘Telstar’ van The Tornados; ‘Can’t Help Falling in Love’ van Elvis Presley; ‘Take Five’ van Dave Brubeck en in het Nederlands: ‘Middellandse Zee’ van Anita Berry; ‘Katinka’ van De Spelbrekers; ‘Brandend Zand’ van Anneke Grönloh, maar ook een lied van de buren: ‘Tanz mit Mir in den Morgen’ van Gerhard Wendland. Op Regent Street Polytechnic, Londen, studeren dan Roger Waters (1943- /basgitaar, gitaar, zang), Nick Mason (1944- /drums) en Richard ‘Rick’ Wright (1943-2008/piano, keyboards, synthesizers, trombone, zang). Behalve de studie architectuur zijn de drie geïnteresseerd in muziek, ze ontmoetten elkaar en besluiten een bandje te vormen: The Meggadeaths, later: The Abdabs. Leuk, gezellig, beetje blues en jazz; van alles wat. In 1964 komt een oude schoolvriend van Waters, Roger ‘Syd’ Barrett (1946-2006/gitaar, zang) vanuit Cambridge in Londen wonen. Barrett studeert aan de School of Art. Natuurlijk komt hij langs bij Waters. Die huurt dan met Mason ruimte in het huis van Mike Leonard. Leonard is docent aan de Polytechnic en experimenteert volop met licht en geluid, bovendien speelt hij piano. Het is vaak een gezellige boel in huis en blijkt een goede voedingsbodem voor de muziek van Waters en Mason. Naast Barrett komen andere vrienden, Bob ‘Rado’ Klose (1945- /gitaar) en Chris Dennis (?zang) meespelen, net als Wright’s vriendin Juliette Gale (?/zang). De groep heet dan soms Leonard’s Lodgers, maar meestal The Tea Set. Barrett ontdekt dat er al een groep is met die naam, maar vindt ook dat de naam wel iets origineler mag. Hij komt ter plekke met The Pink Floyd. Die naam is abstracter en biedt ruimte voor de in te vullen muziek. The - in die tijd hadden alle groepen dat voorvoegsel ervoor – Pink Floyd is een samenvoeging van de namen van twee bluesmuzikanten: Pink Anderson en Floyd Council.

Begin 1965 bestaat The Pink Floyd uit vijf musici: Mason, Water, Wright, Barrett en Klose. In deze bezetting wordt voor het eerst iets opgenomen in Decca Studios: ‘Lucy Leave’; ‘Double Bo’; ‘Remember Me’; Butterfly’; ‘I’m a King Bee’ en ‘Walk With me Sydney’; die laatste met Gale als zangeres en Waters als componist. Behalve ‘I’m a King Bee’, dat van bluesmuzikant Slim Harpo is, zijn alle composities van Barrett. Hoe die stukken klinken is te horen op: ‘Pink Floyd The Early Years 1965-1967 Cambridge St/ation’ (2016). Ik zou zeggen: voornamelijk bluesy met soms al een opvallend afwijkende klank, vorm en richting.
De stukken werden live ook gespeeld, maar daar worden ze langzamerhand uitgetrokken, langer, met meer ruimte voor geluidsexperimenten. Nadat Klose in verband met zijn studie de groep verliet nam het experimenteren exponentieel toe. Barrett probeerde allerlei geluiden uit zijn gitaar te halen en gebruikte daar zijn aansteker of een glas voor, tikte, klapte, gleed op en over de snaren. Dat versterkt weergegeven heeft nogal wat impact. Zeker als Wright, die op zijn orgel een echo apparaat heeft staan, de band hult in galm of echo’s. Pink Floyd was totaal anders dan de mainstream bands met hun afgeronde liedjes. Het viel op en er werd over de band gesproken.

Het geluid paste perfect in de nieuwe tijd. Een tijd waarin grenzen opgezocht werden of vervaagden. De haren groeiden, het vrijheidsideaal nam toe, iedereen moest vooral lief zijn voor elkaar, er was aandacht voor kunst, poëzie, de kleren werden veel kleurrijker, de rokken veel korter, soms wel heel erg kort vond een oudere generatie. Eén ding was duidelijk, er waaide een andere wind. Jongeren zochten elkaar op en kwamen bijeen in happenings, be-ins, love-ins en spontaan georganiseerde evenementen. The Pink Floyd stond in maart 1966 op het podium bij zo’n ‘Spontaneous Underground Event’. Ook speelden ze bij een ‘happening’ in Notting Hill Free School en in oktober tijdens het feest ter ere van de lancering van het eerste, echte underground-magazine ‘IT’. Officieel was het ‘International Times’, maar iedereen kende het blad vooral als ‘IT’.

Nu de groep steeds meer het ‘underground house orchestra’ werd en veelvuldig optrad hadden ze een goede manager nodig. Ze kwamen terecht bij Blackhill Enterprises van Peter Jenner en Andrew King. Blackhill regelde de optredens in de nieuwe, hippe club ‘UFO’. Die club werd zo’n beetje de thuisbasis van de band. In UFO konden ze volop met licht en geluid experimenteren. Het geluid was vooral ‘terrible loud’. ‘the lights’ indringend, met flitsen, dia- en vloeistofprojecties. Het was niets meer of minder dan een regelrecht bombardement voor de zintuigen. Je kon je eraan overgeven of vertrekken. Veel bezoekers gaven zich over, maar dat kon ook liggen aan het gebruik van allerlei stimulerende middelen. Veel mensen experimenteerde met LSD; Lysergeenzuurdi-ethylamide, LSD-25 of, korter, lsd of acid. Op films uit die tijd zie je mensen heel verschillend reageren, of ze kijken murw geslagen glazig voor zich uit, of ze staan te dansen in ‘free form’. De lichteffecten lijken op die van een trip. Ondertussen beukt Mason een constant ritme en vliegen de effecten van Barrett en Wright door de ruimte. Waters bevindt zich ergens halverwege dit spectrum, hij is nog niet de sterk verbale figuur die hij later zou worden.
‘Interstellar Overdrive’ past meer dan welk ander nummer bij de setting hierboven beschreven. De eerste tonen geven al aan dat hier iets gaat gebeuren, een reis naar onbekende verten. Het is als een raket die de ruimte ingaat, het onbekende tegemoet. De kosmische geluiden illustreren de trip perfect. Het nummer kon live-on-stage soms wel een half uur duren. Een en ander is te zien in Peter Whiteheads’s film ‘Tonight Let’s All Make Love in London’ (1967). The Pink Floyd, speelt twee tracks: ‘Interstellar Overdrive’ en ‘Nick’s Boogie’. Die laatste is een spontane improvisatie.

Joe Boyd is producer en mede-eigenaar van UFO. Hij brengt The Pink Floyd in contact met Polydor, maar die twijfelen. Samen met de band neemt Boyd in Sound Techniques Studios alvast enkele tracks op: ‘Arnold Layne’; ‘Matilda Mother’; ‘Chapter 24’; ‘Interstellar Overdrive’ en ‘Let's Roll Another One’. Waters vindt dat die laatste titel de groep teveel in de richting van druggebruik plaatst, iets waar behalve Barrett, niemand aan doet. Ze wordt daarom veranderd in ‘Candy and a Currant Bun’. Mason: "We knew we wanted to be rock'n'roll stars and we wanted to make singles, so it seemed the most suitable song to condense into three minutes without losing too much". Met enige moeite werd zo ‘Arnold Layne’, een nummer dat live gemiddeld een kwartier duurde, teruggebracht tot de vereiste drie minuten van een gemiddelde single.

In februari blijkt dat de groep getekend heeft voor EMI/Columbia. ‘Arnold Layne’ moet de nieuwe single worden. Bij EMI werd de groep verwezen naar Norman Smith, de technicus van The Beatles. Hij probeerde ‘Arnold Layne’ opnieuw op te nemen, maar de versie van Boyd bleek niet te overtreffen. De single ‘Arnold Layne/Candy and a Currant Bun’ – allebei geschreven door Barrett - wordt uitgebracht op 10 maart 1967. Het is de laatste keer dat het lidwoord ‘The’ voor de groe
psnaam gebruikt wordt en de laatste keer dat Boyd optrad als producer. Heel vooruitstrevend voor de tijd is de promotiefilm, de clip, bij het nummer. Nu is dat standaard en soms nog belangrijker dan de muziek lijkt het, toen was dat een uitzondering. In de zwartwit film zie je de groep aan het strand hannesen met een paspop. Het ziet er wat amateuristisch uit; de scenes lijken ter plekke geïmproviseerd.
De single werd veel gedraaid, totdat BBC’s Radio London die, vanwege de tekst, verbood. Het is dan ook geen huis-tuin-en-keuken-tekst, het is het verhaal van een travestiet die bh’s en slipjes, die buiten aan de waslijn hangen, van de eigenaressen steelt. Volgens Barrett en Waters een waar gebeurd verhaal. Maar toch, ‘The good old bieb’ was er niet blij mee. Door het verbod, er werd nu immers over gesproken en geschreven, steeg de single alsnog tot een twintigste plek in de Engelse single hitlijst. Succes dus, maar de gevolgen waren minder prettig. De groep kwam op andere plekken, in andere zalen, terecht. Plekken waar men liefst eenvoudige, makkelijk in het gehoor liggende muziek hoorde en niets begreep van de ‘far out music’ van The Pink Floyd. Ook nieuw: het nummer moest voor allerlei tv-zenders opgenomen en nagesynchroniseerd worden. Het was een wereld die ver weg was van wat men beoogde.

Meer thuis was de groep in Alexandra Palace, Londen, tijdens de ’24 Hour Technicolour Dream’ op 29 april 1967. Die droom was opgezet door Barry Miles en John ‘Hoppy’ Hopkins om geld binnen te halen voor hun zieltogende International Times. Er trad een enorme reeks bands op, er waren ‘poetry-readings’; ‘performance arts’; goochelaars, dansers, films. Er was een wedstrijd voor de kledij, ‘shortest barest’. Die werd gewonnen door Marianne Faithfull die in een wel heel erg kort afgeknipt nonnenhabijt kwam met verder daar niets onder aan In de enorme hal waren twee podia voor de bands en een kleinere voor de rij hierboven. Op de grote podia stonden artiesten als: The Crazy World of Arthur Brown; The Move; Soft Machine; Tomorrow; Pretty Things, Pete Townsend (The Who); Yoko Ono; John Lennon (nog apart toen). Op het kleine podium een landgenoot: onze eigen dichter Simon Vinkenoog.
Pink Floyd begon om vijf uur ’s ochtends. De groep was net terug met de veerboot van een optreden in ons land. Nadat de groep begon te spelen kwam de zon op en scheen door de ramen naar binnen. Voor alle aanwezigen een magisch en gedenkwaardig moment.
De happening werd gefilmd door Peter Whitehead. Hij gebruikte delen van de opnames voor zijn al genoemde film ‘Tonight Let’s All Make Love in London’.

Met Norman Smith werkte Pink Floyd aan een album en een tweede single: ‘See Emily Play/Scarecrow’. Opnieuw zijn beide composities van Barrett. De single wordt op 16 juni 1967 uitgebracht. Dan zitten we middenin ‘the Summer of Love’ en komt de opvallende single tot de zesde plek in de Engelse single-hitlijst. ‘Emily’ blijkt opnieuw een waargebeurd verhaal. Volgens Barrett was het een meisje dat drugs gebruikte, naar het bos ging en in huilen uitbarstte. Emily kennen anderen als Emily Young, dochter van Wayland Young, 2nd Barron Kennet. Emily staat bij die anderen beter bekend als ’the psychedelic schoolgirl at UFO’.
In de tekst komt de eerste titel van het nummer voor: ‘Games for May’: “You'll lose your mind and play. Free games for May. See Emily play.“ De hoes met de trein erop is gemaakt door Barrett. Al vanaf het begin had de band een flinke vinger in de hoezenpap. De naam, zonder the, staat nog wel voorop.

‘See Emily Play’ duurde, niet verwonderlijk inmiddels, eigenlijk langer en werd teruggebracht tot de bijna drie minuten, maar niet tot tevredenheid van Barrett, die wilde dat het nummer zo niet uitgebracht werd. Of hij nog een helder beeld had van het hoe en wat is onduidelijk. David Gilmour, een oude vriend van Barrett, bezocht de studio’s tijdens de opnames en schrok van hoe zijn vriend erbij liep; Barrett herkende hem niet eens… Een fenomeen dat zich jaren later omgekeerd zou herhalen.
Bij het Tv-programma ‘Top of the Pops’, waar de groep vanwege de Top10-notering werd opgenomen, merkten ze de teloorgang van Barrett ook. Barrett had de eerste week al weinig zin om zijn tekst en gitaarpartij te mimen. Bij de tweede week weigerde hij bijna helemaal met de opmerking dat “John Lennon dat ook niet hoefde.” Uiteindelijk stond hij er wel, maar leek en keek behoorlijk afwezig.

Met de opnames voor een album was begonnen in februari 1967. Historisch gezien een bijzonder feit is dat in de studio ernaast The Beatles bezig waren met de opnames voor ‘Sgt. Pepper’s Lonely Heart Club Band’. Volgens Smith liepen de opnames aanvankelijk soepel, maar gaandeweg raakte Barrett meer en meer in zichzelf gekeerd en stond hij niet meer open voor suggesties of opbouwende kritiek: "With Syd, I eventually realised I was wasting my time." Het was lastig werken, want het merendeel van het werk was van Barrett.
Op 21 februari werd ‘Matilda’s Mother’ opgenomen. Op de lp bleek dat de naam iets aangepast was: ‘Matilda Mother’. Op 27 februari werden ‘Interstellar Overdrive’ (Pink Floyd) en ‘Chapter 24’ opgenomen. De volgende sessie was op 26 maart: een poging om ‘Interstellar Overdrive’ in te korten. Op dezelfde dag werd ‘Snowing’ opgenomen. Die naam werd al snel veranderd in ‘Flaming’. Drie dagen later was men weer in de studio voor ‘The Gnome’, de dag daarna voor ‘Take Up Thy Stethoscope and Walk (Waters) en 22e voor ‘’ The Scarecrow’. Tussen 21 maart en 12 april warden de lange live-stukken opnieuw opgenomen, en nog eens en nog eens: ‘Astronomy Domine’; ‘Interstellar Overdrive’ en ‘Pow R. Toc H.’ (Pink Floyd). Deze stukken met een lengte van een kwartier of langer moesten ingekort worden voor het album. Dat bleek een lastige klus. Tussen 12 en 18 april werden ‘Percy the Rat Catcher’ en ‘She Was a Millionaire’ opgenomen. Percy kreeg een nieuwe naam: ‘Lucifer Sam’. De miljonaire verdween voorgoed uit beeld, ze komt zelfs niet voor in een van de ‘Early Years’-boxen. Op 21 mei werd het laatste nummer opgenomen: ‘The Bike Song’, die werd voor het album ingekort tot ‘Bike’. Het was een van de laatste opnames met een redelijk functionerende Barrett, daarna ging het snel bergaf met hem.
De groep gaf hun concerten in UFO, maar Jenner en zijn secretaresse, June Child, zagen dat het niet goed ging met Barrett. Child: “... I found him in the dressing room and he was so ... gone. Roger Waters and I got him on his feet, we got him out to the stage ... and of course the audience went spare because they loved him. The band started to play and Syd just stood there. He had his guitar around his neck and his arms just hanging down.” Het zou niet de laatste keer zijn.
Tijd voor een korte vakantie. Waters en Barrett gingen naar Formentera en daar liet Barrett zich behandelen door dokter Sam Hutt, een specialist in zake mensen met gebruik van verdovende middelen. Het hielp weinig.

‘The Piper at the Gates of Dawn’ werd uitgebracht op 4 augustus 1967. De albumtitel is van Barrett afkomstig uit het kinderboek ‘The Wind in the Willows’ (1908) van de Schotse schrijver Kenneth Graham. Het boek is vooral een ode aan het platteland. ‘The Piper at the gates of Dawn’ komen we tegen in hoofdstuk zeven: “Rat gaat op bezoek bij zijn oude vriend Otter en hoort daar dat diens zoontje wordt vermist. Rat en Mol besluiten hem 's nachts per roeiboot te gaan zoeken. Op een gegeven moment horen ze muziek die zo mooi is dat ze niet anders kunnen dan op zoek gaan naar de maker ervan. Vlak voor zonsopgang vinden ze op een klein eilandje in de rivier de god Pan, die het kind bij zich heeft. Rat en Mol, wiens herinneringen Pan heeft uitgewist, brengen het terug bij zijn ouders.” (citaat: Wikipedia). Voor de kenners van de band was het een wat vreemd album, een mix van psychedelische underground, gekoppeld aan liedjes die geschikt leken te zijn voor een sprookjes- of kinderboek. Knap is dat het lange werk, ‘Interstellar Overdive’, teruggebracht is tot net geen tien minuten. De meeste andere songs variëren van twee tot vier minuten, net als bij elke ‘normale’ lp in deze tijd.

'The Piper at the Gates of Dawn' opent met een ijzersterk nummer: ‘Astronomy Domine’. We gaan, zelfs zonder het gebruik van stimulerende middelen met muziek en tekst de kosmos in: “Lime and limpid green, a second scene now fights between the blue you once knew. Floating down, the sound resounds around the icy waters underground. Jupiter and Saturn, Oberon, Miranda and Titania, Neptune, Titan, stars can frighten…” Op de achtergrond hoor je stemmen van ‘ground control’, maar ondertussen zweef je op de uitwaaierende gitaarklanken steeds verder weg de sterren tegemoet. Met de andere nummers van kant A blijven we in dezelfde sfeer hangen/zweven, al lijkt ‘Take Up Thy Stethoscope and Walk’ iets meer wortels in de aarde te hebben.
Dat hielp vroeger enigszins, want het was nodig de lp om te draaien. Gelukkig hebben we tegenwoordig cd’s die die hinderlijke onderbreking niet meer hebben. Op de lp gaan we verder met hét kosmische nummer bij uitstek: ‘interstellar Overdrive’. Het is een aardige versie, maar haalt het bij lange na niet bij de live-versies die veel indringender, intenser en vooral veel langer zijn. ‘The Gnome’ vertelt het verhaal van een kleine man, maar dan zitten we gezellig bij elkaar met akoestische gitaren. Het is een heel andere kant van Pink Floyd, met de kennis van nu, veel meer de andere kant van Barrett die we nog zouden gaan horen op zijn soloalbums. Dat gaat dan meteen ook op voor de andere tracks op kant B, waarin we eindigen met het wat eenvoudige ‘Bike’. Het einde is dan wel weer helemaal in ‘freak out’- stijl.
Al is het niet heel eenduidig, ik vond het een prachtig album, nog steeds, en had geen moeite met de verschillen in aanpak. Dat was eerder een verrijking. ‘Piper’ was voor mij vooral een mooi begin van een ontluikende, muzikale liefde die ‘Pink Floyd’ heet. Een stevige liefde, de band staat bij mij in de top drie van favoriete bands.

Voor die tijd heel normaal: de lp kwam uit in zowel mono als stereo. Mono was de standaard, maar stereo kwam al meer en meer voor. ‘The Piper’ had wel iets blijkbaar. Veel jongeren herkende iets van de geest van de tijd in de vrije muziek. Het albumkwam tot de zesde plek in de Engelse albumlijst. In Amerika moesten men het doen met een heel ander album, daar werd ‘See Emily Play’ erbij gezet, maar dat ging ten koste van liefst drie nummers: ‘Astronomy Domine’; ‘Flaming’ en ‘Bike’. Eerder was mij ook al eens opgevallen dat Amerikaanse albums in deze periode gemiddeld korter waren dan de Europese. In theorie had ‘Emily’ makkelijk bij het volledige album gevoegd kunnen worden, maar dat was, volgens Capitol, teveel voor de Amerikaanse ‘kids’. Latere uitgaven hebben wel de normale volgorde en nummers.

De hoes leidde tot enige verwarring. Sommigen noemde het album ‘Pink Floyd’, want dat is wat er op de voorkant stond. Ongebruikelijk was dat de titel op de achterkant stond. Niet iedereen begreep dat. De heren Floyd begrepen het het best, want na het tweede album kwam er helemaal geen tekst meer op de voorkant, geen naam, geen titel. Het leidde tot iconische hoezen. Bij de recente cd-releases is het woord ‘Pink Floyd’ op de voorkant dan ook verdwenen.
De achterzijde is een idee van Barrett. Het zijn de schaduwen van de bandleden die achter elkaar staan en hun handen uitsteken. De voorzijde is van fotograaf Vic Singh. Singh had van George Harrison een bijzondere voorzetlens voor zijn fototoestel gekregen. Met die lens kon hij het onderwerp verveelvuldigen. Hoe dat werkt is te zien op hoes. Van tevoren had hij aan de groep gevraagd de meest bonte kleding die ze konden vinden aan te doen. Het was afwijkend en gaf meteen iets van de sfeer van de muziek aan; het caleidoscopische effect van de lichtshows was daarmee vertaald in de hoes. Klaar. Iedereen tevreden.
Latere hoesversies, nu onder invloed van de vaste hoezenmakers van Pink Floyd, Hipgnosis, laten kleine veranderingen zien, zoals het verdwijnen van de naam op de voorkant en een grotere figuur op de achterzijde. Bij de cd’s zit een uitgebreid tekstboekje in psychedelische kleursetting. Helemaal afwijkend zijn enkele verjaardagsedities. Het dertigjarige feest (1997) werd gevierd met een in groen ribbelkarton, met reliëf, verpakte cd in mono! In het karton de cd met nieuw boekje en vier exclusieve kaarten. Tijdelijk gratis erbij: een cd met daarop de eerste drie singles van de band, voor -en achterkanten. Het veertigjarig festijn (2007) werd opgeluisterd met een 3cd set: de mono- én stereo-uitvoering en een derde cd met de eerste drie singles daarop, twee andere versies van ‘Interstellar Overdrive’; een stereo-versie van ‘Apples and Oranges’ en een alternatieve versie van ‘Matilda Mother’. Voor de echte fans was er een gelimiteerde editie met een 16-pagina’s tellend boekje op A5-formaat in een hardkartonnen, linnen verpakking met goudopdruk. Als bijzonderheid was een mapje met daarin een reproductie van een aan- en tekeningen van Barrett opgenomen. Voor de vijftigjarige was er niets, wel voor de een-en-vijftigste verjaardag. Ter gelegenheid van ‘RSD’, Record Store Day, werd de lp, de mono-versie, in een psychedelische omslag verkocht. Nu op de voorzijde is het schaduwbeeld van de groep in goud met op de achtergrond vloeistofprojecties. In de hoes de authentieke hoes en een poster met een zwartwit foto van de band ten tijde van het maken van de schaduwfoto.

Na het album ging de band gewoon verder met tournees, zowel in eigen land, Europa als Amerika. Die tournees verliepen echter niet best. Barrett werd meer en meer een probleem. Soms wilde of kon hij niet spelen, soms verdween hij gewoon en was Pink Floyd gereduceerd tot trio. Een andere keer haalde hij tijdens het spelen de snaren van zijn gitaar. Het publiek vond het geweldig, want bij zo’n experimentele muziek kon je van alles verwachten. Ondertussen zaten de andere drie vol afgrijzen te kijken en te bedenken hoe ze dit nog met enig fatsoen konden rechtbreien. Moeilijke tijden. Tijdens de tournee in Engeland werd Barrett vervangen door David O’List, de gitarist van The Nice, hun openingsact. Als tussenoplossing werd David Gilmour (1946- /gitaren, basgitaar, keyboards) gevraagd Barrett’s partijen te komen spelen.
Op 18 februari 1968 werd aangekondigd dat Pink Floyd voortaan met vijf personen was. Dat was ook de bedoeling, met zijn vijven op het podium, maar dat bleek niet te werken. Al gauw werd dan ook gedacht “waarom zouden we hem (Syd is dat) nog ophalen?” Dat gebeurde inderdaad niet. Barrett werd niet opgehaald. Het vervolgplan was dat Gilmour live kon spelen en Barrett thuis kon blijven en nieuw werk bedenken. Eenzelfde strategie werd eerder gevolgd door The Beach Boys en hun wonderkind Brian Wilson. Men was zich er terdege van bewust dat Barrett had gezorgd voor de meeste composities, dat er dringend nieuwe nodig waren én dat Barrett populair was. In praktijk werkte het niet, Barrett trok zich helemaal terug. Het betekende ook een splitsing van Blackhill, het management. Die zagen alleen potentie in Barrett en kozen zijn kant. Achteraf hebben ze misschien spijt gehad, want Barrett heeft nooit meer het niveau gehaald van zijn eerste album.
Op 6 april 1968 was het officieel. Barrett was uit de groep en Pink Floyd ging met Bryan Morrison als manager in zee. Zonder keus van Blackhill was dat waarschijnlijk ook gebeurd, want de groep was zo goed als failliet. Blackhill opereerde nogal onhandig en amateuristisch en had weinig vat op de zoeken. Morrison was uit ander hout gesneden en kon een en ander rechttrekken.

Pogingen van vooral Gilmour om nog iets van Barrett uitgebracht te krijgen verliepen moeizaam. The Madcap Laughs (1970) en Barrett (1970) laten vooral akoestisch werk horen met een Barrett die soms wat ongecontroleerd met zijn stem. Uithaalt. Tegelijkertijd laat hij ook prachtige songs horen. In 1972 staat Barrett heel kort op een podium met een band: Stars, maar hij hield het niet vol. Waters, Wright en Mason keken later met plaatsvervangende schaamte terug op deze periode. Hadden ze hem maar beter geholpen. Aan de andere kant gingen die zaken toen gewoon zo, bandjes wisselden bezettingen bij de vleet en er was geen aandacht voor iemands geestelijke gestel. Dat kwam later pas op gang.
Een typische gebeurtenis in de geschiedenis van Pink Floyd is Barrett’s plotselinge verschijning tijdens de opnames voor ‘Wish You Were Here’ (1975). Het album is een ode aan Barrett, de track ‘Shine On You Crazy Diamond’ gaat over hem. Bizar dat hij dan plotseling in de studio staat. Niemand herkende de dik geworden man met het kale hoofd. Toen ze het doorhadden vloeide de tranen. Ze spraken kort met elkaar, daarna verdween hij weer in de anonimiteit, thuis, om te schilderen. Roger ‘Syd’ Barrett overleed in 2006 aan leverkanker.

Pink Floyd ging na het vertrek van Barrett verder. Nieuw management, nieuwe optredens, maar nu ook meer zelf aan de slag om nieuw werk te produceren. EMI bracht nog maar eens een single uit: ‘Apples and Oranges/Paint Box (1967). Die opnames lagen er al, maar er gebeurde weinig met het gezonde fruit. Het was de eerste single die ‘niets deed’ en al snel in de anonimiteit belandde. Barrett bij de opname: "It's a happy song, and it's got a touch of Christmas. It's about a girl who I saw just walking round town, in Richmond." New Musical Express omschreef de single als de meest psychedelische van de band, maar schreef er meteen bij dat die nauwelijks te koop was…

David Gilmour bleef, maar in aanvang leverde dat vreemde situaties op. Ze moest hij vaak Barrett’s partijen mimen bij tv-opnames, ook moest hij min of meer diens gitaarstijl aanleren. Langzamerhand werd de te volgen richting van de groep duidelijker. Dat is goed te horen op het tweede album: ‘A Saucerful of Secrets’ (1968). In feite is dat een soort verzamelalbum met restwerk van Barrett aan de ene kant en nieuwe composities van Waters, Wright, Mason en Gilmour aan de andere kant. Het verhaal over dat album is elders op de LemonTree te lezen.

Barrett werd gezien als een genie, iemand van wie nog heel veel verwacht werd. Men heeft het er nog steeds over. Hij wist waarschijnlijk zelf het best dat hij dat niet kon waarmaken en wilde daarom ontsnappen uit zijn eigen kooi. Barrett hield van experimenten met geluid, maar eigenlijk hield hij het meest van eenvoudige, korte liedjes. Met Pink Floyd was hij meer en meer een andere richting opgegaan, uiteindelijk was niet zijn richting. Waters, Wright en Mason zagen wel potentie in die richting en liepen verder op het ingeslagen pad, een onwisse en grillige toekomst tegemoet. Waar het hun gebracht heeft weet iedereen. Voor veel mensen begint het verhaal van Pink Floyd pas bij ‘Dark Side of the Moon’(1973), maar daar gaat een lange geschiedenis aan vooraf.

Met terugwerkende kracht wordt ‘The Piper at the Gates of Dawn’ gezien als een van de pijlers en daarmee een van de essentiële albums als het gaat om psychedelische en/of underground muziek. Niet iedereen stond nog open voor de verlokkingen van de fluitspeler bij de poort van de dageraad. Eenmaal door die poort ging er een ongekende wereld voor je open, een wereld waar werkelijkheid fantasie wordt.