logo van The Lemontree

Muziek als een droge Martini

paul desmond

Dave Brubeck werd er bekend mee, maar ‘Take Five’, een drumsolo, is geschreven door zijn altsaxofonist Paul Desmond.

Paul Desmond speelde op een zachte, mooie, ronde wijze. Hij vond dat zijn sax moest klinken als een droge Martini.

Desmond maakte opvallend weinig soloalbums. De belangrijkste zijn de vijf die hij voor RCA-Victor maakte. Ze zijn opgenomen in een mooie box: ‘The Complete RCA Victor Recordings’.

Desmond stierf jong als gevolg van het vele roken. Tot zijn hilariteit niet eens aan een leveraandoening vanwege het vele drinken.

Lees het verhaal van de saxofonist die van hemzelf een prijs kreeg voor ‘stilte’.


De meeste muziekliefhebbers kennen het nummer ‘Take Five’ van het Dave Brubeck Quartet. De voor die tijd, eind jaren vijftig, ongewone vijfkwartsmaat maakt dat nummer zo opvallend. Minder bekend is dat de melodie die bij ‘Take Five’ geschreven is, eigenlijk bedoeld was om een drumsolo te illustreren. Paul Desmond: “It was never supposed to be a hit. It was supposed to be a Joe Morello drum solo. Ondanks de andere maatsoort ‘swingt’ ‘Take Five’ behoorlijk. Eenmaal gehoord blijft het nummer in je hoofd zitten. De track is te vinden op het album ‘Time Out’ (1959). Brubeck maakte op dat album een aantal variaties op de tot dan doorgaans gebruikte vierkwartsmaat. Zo is ‘Blue Rondo à la Turk’ bijvoorbeeld in compositie in negen-achtste maat. Misschien nog het meest bijzonder aan dit album is dat alle composities van Dave Brubeck (1920-2012) zijn, maar juist het nummer dat dit album én hem op de jazzkaart zette, ‘Take Five’ dus, geschreven is door altsaxofonist Paul Desmond. Desmond was jarenlang deel van het Brubeck Quartet en viel op door zijn harmonische, zachte altsaxtonen, licht als de wind, of zoals hij het zelf graag zag: “like a dry Martini”. Hij omschreef zichzelf altijd als “the world's slowest alto player” en vertelde graag met de nodige humor dat hij in 1961 een speciale – zelfverzonnen – prijs had gekregen, die voor ‘quietness’.
Fans hadden hem een bijnaam gegeven ‘Stork’ (ooievaar), omdat hij vaak met een been opgetrokken en geleund tegen Brubeck’s piano stond te spelen. Maar pas op, dan was hij op zijn best. En dat was jaren voordat Ian Anderson van Jethro Tull op één been fluit stond te spelen. De bescheiden saxofonist maakte een aantal soloalbums, waarvan die voor RCA-Victor het meest bekend en significant zijn. Niet al het solowerk is uitgebracht op cd. Dat is jammer, want de Pall Mall kettingrokende en ‘Dewar’s Scotch’ kettingdrinkende saxofonist met dat mooie, ronde geluid mag best wat meer aandacht krijgen.

Paul Emil Breitenfeld (1924-1977) is geboren in San Francisco, de zoon van Shirley King en Emil Aron Breitenfeld. Vader speelde piano en orgel en arrangeerde muziek voor theaterproducties. Paul kreeg de muziek dus al met de paplepel geserveerd. Tijdens de eerste Wereldoorlog bleef vader Emil muzikaal actief en schreef ‘The last Long Mile’, een van de meer populaire soldatendeuntjes uit die periode. Moeder’s leven was er een in disbalans vanwege een reeks aan geestelijke aandoeningen. Ze kon haar zoon niet zelf opvoeden. Die ging daarom voor enige tijd, uiteindelijk werden dat vijf jaren, naar familie in New York. Daar begon hij met klarinet spelen. Terug in San Francisco ging hij daarmee door, maar wilde eigenlijk overstappen naar viool. Zijn vader vond dat niks, want violisten heb je: "a dime a dozen....with the violin, you'll starve." Geen viool dus, maar wel een pen. Paul Breitenfeld bleek schrijverstalent te hebben en zette zich in voor de schoolkrant. Na de middelbare school begon hij pas altsax te spelen. In 1943 werd hij opgeroepen voor zijn dienstplicht en kwam niet heel onlogisch terecht in de Army Band. Na drie jaar dienst, zonder ingezet te zijn, kon hij weer gaan.

Kort na het vertrek uit het leger veranderde Breitenfeld zijn naam in Desmond. Verteller als hij is zijn er verschillende versies, maar de meest voor de hand liggende is deze: Samen met een vriend luisterde hij ooit naar de band van drummer Gene Krupa. Die had op dat moment (1942) een zanger in de band, Johnny Desmond. Breitenfeld zei toen tegen zijn vriend: "that's such a great name. It's so smooth and yet it's uncommon....If I ever decide I need another name, it's going to be Desmond." De naam werd dus Desmond, Paul Desmond.

Met zijn pas verworven naam trouwde hij in 1947 met Duane Reeves Lamon. Maar al na drie jaar was het huwelijk voorbij. Desmond zou nooit meer opnieuw trouwen. Dat was, volgens Brubeck in diens verhalen ook niet nodig, Desmond had vriendinnen te kust en te keur en stond bekend als een behoorlijke ‘womanizer’.

Na zijn diensttijd zocht Desmond werk als muzikant, waar dan ook. Zo kwam hij Brubeck tegen, maar dat was tijdelijk. Daarna volgde een eigen band, met wel weer Brubeck op piano. Die band speelde veelal in de zogenaamde ‘Band Box’. De zaak werd van de hand gedaan en Brubeck had wel interesse. Door toedoen van Desmond liep dat anders, waardoor beiden gebrouilleerd raakten en hun eigen wegen gingen.
Desmond kwam vervolgens (1950) terecht in de bigband van pianist Jack Fina, maar na het horen van Brubeck’s trio op de radio, besloot hij terug te keren, handen te schudden en alsnog met Brubeck verder te gaan.

Brubeck was nog zo boos op Desmond dat hij zijn vrouw, Lola, had verboden Desmond binnen te laten. Desmond was altijd erg gesteld geweest op de drie Brubeck kinderen, had opgepast was er met ze op uit getrokken. Op het moment dat Desmond aanklopte was Brubeck in de tuin en liet Lola hem gewoon binnen. Na excuses draaide Brubeck bij en werd het alsnog een gezellige dag. Om de zaken met de groep goed te regelen werd een contract opgesteld waarin stond dat Desmond niet ontslagen kon worden, maar ook dat hij twintig procent aan inkomsten van de nu tot kwartet uitgebreide groep kreeg. Het Dave Brubeck Quartet begon in 1951 en werkte door tot 1967. Naast Brubeck en Desmond bestond de groep uit Eugene ‘the senator’ Wright (1923- /contrabas) en Joe Morello (1928-2011/drums). Wright en Morello bleven, net als Desmond, tot het eind in de band. Morello werd in 1988 opgenomen in de ‘Hall of Fame’ en vijf jaar achter elkaar door het jazzblad Downbeat uitgeroepen tot ‘Best Drummer’.

Door de aard van de muziek, de meer op klassieke muziek gerichte ‘sophisticated’ jazz, speelde de groep het liefst voor een universitair publiek. Niet vanwege de opleiding, maar meer omdat die groep vaak meer openstond voor nieuwe richtingen in muziek. Diezelfde stap zou in de pop- of rockmuziek op precies dezelfde wijze gezet worden. Met name de underground muziek en de progressieve rock ontwikkelde zich op de universiteitscampussen.
Met zijn geluid en aanpak past zowel Brubeck als Desmond goed in het ’West Coast’ genre. Het rustige, harmonische ‘coole’ genre uit steden als Los Angeles en San Francisco stond lijnrecht tegen dat van de drukke en onrustige bop uit de oostkust, New York. Dat genre kreeg in de jaren vijftig al veel meer aandacht en er werd, onterecht, soms wat laatdunkend gedaan over dat gebeuren aan de Westkust. Brubeck, Mulligan, Desmond, maar ook Chet Baker, Stan Getz, Jimmy Giuffre en op enig moment Miles Davis om er een paar te noemen waren vertegenwoordigers van dat ‘coole’ genre. Het ‘Quartet’ is ondanks de aanhoudende kritiek uit het oosten echter zo succesvol dat Brubeck in 1954 op de omslag van Time Magazine prijkt. In 1967 is het tijdelijk voorbij met het viertal. Later keert Brubeck terug met ‘Two Generations of Brubeck’ met in die band zijn drie, opvallend zeer langharige, zoons in de gelederen. Chris (speelt zo’n beetje alles), Dan (drums/percussie) en Darius (piano). Desmond treedt incidenteel op als gastmuzikant.

In 1957 maakt Desmond een klein uitstapje naar baritonsaxofonist Gerry Mulligan (1927-1996) en vormt met hem het Gerry Mulligan-Paul Desmond Quartet met daarin Joe Benjamin (bas) en David Bailey (drums). Mulligan was tijdens een concert, waar ook diens band optrad, uitgenodigd met het Brubeck Quartet mee te spelen. Het klikte meteen met Desmond. Na afloop vroeg Mulligan of ze niet samen een album konden maken. Dat kwam er en werd vrij simpel: ‘Gerry Mulligan - Paul Desmond Quartet’ (1957) genoemd. Later werd het bekender als ‘Blues in Time’. Een opmerkelijk album, want, zoals Mulligan het omschreef: “I’m very proud of several things we did on this date. Like sometimes we’re blowing passages in thirds and they come off. It’s a little alarming.”
Vijf jaar later nodigde Desmond Mulligan op zijn beurt uit om een album te maken. Dat werd: ‘Two of a Mind (1962). De naam was niet zomaar gekozen. Mulligan en Desmond hadden nogal wat overeenkomsten, niet alleen in muzikale aanpak, maar ook in humor en aantrekkingskracht op het vrouwelijk schoon.
Het tweede duoalbum is geen ‘Quartet’, maar een noodgedwongen sessie met een reeks andere musici, met als bassisten Wendell Marshall, Joe Benjamin, John Beal en drummers Conny Kay en Mel Lewis. Beide heren hadden zo hun verplichtingen; als de een kwam stond de ander weer klaar om te vertrekken. Daarom was het lastig een vaste groep om hen heen te krijgen. Desalniettemin is ook dit album zeer geslaagd: “a classic collaboration by two of the greatest soloist in modern jazz”. De muziek wordt omschreven als “transparent and light as the finest lace…” Nou, dan weet je het wel.

Desmond maakte voor een artiest van zijn kaliber weinig soloalbums. Een heel korte, 12”, voor Prestige en een reeks van vijf met gitarist Jim Hall (1930-2013) voor RCA/Victor. Die vijf vormen zo’n beetje de kern van Desmond’s muziek, ook al heeft hij daarna nog een handvol andere gemaakt voor andere maatschappijen. Maar vreemd genoeg zijn die tot nu toe niet allemaal op cd uitgebracht. In dit stuk wil ik me voornamelijk beperken tot de kern, de RCA-box.

‘Desmond Blue’ is de eerste, opgenomen in 1962. Het is een jazzalbum met ‘strings’. Ooit een gewaagd concept, maar nadat altsaxofonist Charlie Parker er succes mee had werden strings vaker ingezet. De arrangementen zijn gedaan door Bob Prince. Prince was enorm enthousiast: “He (Desmond) was a wonderful musician, one of the few to transform the saxophone and shape it into a new sound. I’ve never known anyone with such a pure tone – one that I’ve never heard before and never will again.”
Het album begint als een barokplaat, maar al snel komt het jazzelement in het gehoor. Een heerlijk, loom album voor warme dagen. Op het album staan een aantal klassiekers als: ‘My Funny Valentine, I’ve Got You Under My Skin, Like Someone in Love en Autumn Leaves’, maar ook een paar eigen composities: ‘Desmond Blue’ en ‘ Late Lament’.
Deze versie van het album is niet helemaal de originele samenstelling. ‘Desmond Blue’ heeft namelijk een wat verwarrende geschiedenis. Het album werd in 1978 ‘Pure Gold Jazz’ genoemd en kreeg een andere volgorde en hoes. In hetzelfde jaar (1978) werd het album ‘Late Lament (1978) genoemd met nu weer de originele volgorde. In 1987 kwam de originele titel weer terug, inclusief de dame met het blauwe hoofddoekje op de voorzijde, maar deze versie had wel drie extra tracks: ‘Autumn Leaves’, ‘Imagination’ en ‘Advise and Consent’.

‘Take Ten’, een aanvulling op ‘Take Five’ is uit 1963. Naast Hall als gitarist speelt Connie Kay op alle tracks drums. De bassisten wisselen elkaar wat af: Gene Cherico, Eugene Wright en George Duvivier. In origine had het album negen tracks. De drie extra zijn overeenkomstig die uit de 4cd of 6lp ‘Mosaic’-box: ‘The Complete Recordings of the Paul Desmond Quartet wit Jim Hall’ (1989). Op ‘Take Ten’ horen we drie Desmond-composities: ‘Take Ten’, ‘El Prince’ en ‘Embarcadero’.
“Take Ten’ lijkt, niet heel verrassend wel iets op ‘Take Five’, maar is zachter, mysterieuzer. Desmond’s altsax klinkt soms als een hobo of shenai en geeft het nummer een oosters tintje. De versie heeft een mooie gitaarbegeleiding van Hall, die hier nergens op de voorgrond treedt. Om de vijfkwartsmaat onder de knie te krijgen volgden wat extra tellessen van bassist Wright: “1, 2, 3/1, 2, that’s the only way you can keep track of it until it becomes natural.”
Met ‘El Prince’ begaf Desmond zich op het sambapad, iets dat hij herhaalde met ‘Samba de Orpheu’ van Luis Bonfa. Het werd later een hit van Antonio Carlos Jobim. Desmond had al bijna spijt dat hij het had opgenomen, hij was niet zo van de hypes en de bossa nova’ leek een regelrechte hype te worden.

De derde cd in de set is er een met een wat vreemde titel: ‘Glad to be Unhappy’ (1965). De bezetting is bijna hetzelfde als op ‘Take Ten’, minus bassist Duvivier. ‘Any other time’ is de enige Desmond-compositie. Op de titeltrack, geschreven door Rogers en Hart, is Hall duidelijk en goed aanwezig met zijn gitaar naast Desmond. Zo zou je ook wel blij zijn om niet vrolijk te zijn. Het blijft een tegenstrijdige titel. ‘Stranger in Town’ van Mel Tormé is een prachtige setting voor Desmond’s altsax. En van wie die ‘Angel Eyes’ zijn? Het model op de voorkant wellicht? RCA huurde ze in en Desmond pochte dat hij ze allemaal persoonlijk kende. Aan de andere kant zei hij ook dat hij liever niet zelf op de voorkant stond, niet alleen omdat dat kopers zou afschrikken, maar ook dat dat een leegte in zijn persoonlijke leven zou kunnen betekenen.
Ook hier drie extra tracks opgedoken door de makers van de Mosaic-box, één ervan is gecomponeerd door Hall: ‘All Across the City’.

‘Bossa Antigua’ is net als ‘Glad to be Unhappy’ uit1965 en heeft dezelfde bezetting als het album hierboven. Dit keer geen dame op de voorkant, maar een gepast weefwerk. Het hele album is, ondanks Desmond’s eerdere opmerking over hypes, een in stemmige bossa nova muziek. Ideaal voor hete zomers. Veel eigen nummers dit keer: ‘Bossa Antigua’, ‘Samba Cantina’, ‘Curaçao Doloroso’(na een nacht vol drank en een flinke kater), ‘Alianca’ en ‘The Girl from East 9th Street’ (een ‘tegenhanger’ van ‘The Girl from Ipanema’ natuurlijk). In de drietal extra tracks komt er nog een bij: ‘Sama Cepeda’.

De vijfde en laatste in de box is ‘Easy Living’(1966). De dame is weer terug in een nogal uitnodigende pose. Terug zijn ook Hall en Kay; de bassistensectie is uitgebreid met Modern Jazz Quartet-bassist Percy Heath. Meegenomen door Kay, die zijn kruk ook daar had staan. Dit keer slechts één Desmond-track: ‘Blues for Fun’. In de drie-bonus-sectie nu een compositie van bassist Wright: ‘Rude Old Man’. Het album opent met een niet vaak gespeelde compositie: ‘When Joanna Loves Me’ van Robert Wells en Jack Segal. Desmond heeft het waarschijnlijk niet voor niets uitgekozen, hij klinkt wat melancholiek hier. ‘Polka Dots and Moonbeams’ is daarentegen heel bekend. De ‘dots’ komen van Hall, de ‘moonbeams’ van Desmond schat ik zo in.

Een eerdere versie van de ‘complete RCA-opnamen’, ‘The Complete RCA Victor Recordings (1961-1965)‘ (1996) had een zesde cd, maar dat was er een die hier niet zo goed bij paste, namelijk die met Mulligan: ‘Two of a Mind’.

Na RCA kwam Desmond terecht bij een reeks andere maatschappijen en maakte nog enkele albums met wisselende resultaten. ‘From the Hot Afternoon’ (1969), opnieuw een samba gerelateerd album, heb ik altijd erg mooi gevonden door met name de eerste track: ‘Outobro’ (oktober) van Milton Nascimento en Fernando Brant. Door het arrangement van Don Sebesky dwarrelen de bladeren hoorbaar in de wind. Maar eigenlijk zijn dat Hubert Laws en Stan Webb met hun dwarsfluiten. Het ‘parallel-album’ ‘Summertime’ (1968) is zo’n album dat nog in het lp-tijdperk is blijven steken. Wel op cd verschenen is ‘Bridge over Troubled Water’ (1970), een ‘easy-listening’ (hm) album met alleen werk van Simon and Garfunkel. Weer in samba-stijl, maar toch. Het is net allemaal iets ‘te’.

Nadat het Brubeck Quartet gestopt was en Desmond ook niet zo meer aan de bak ging trok hij zich meer en meer terug. Totdat Hall op een keer vroeg of hij niet toch een keer wilde spelen. Vanwege de vriendschap zegde hij toe, maar eigenlijk “only because it was nearby and I could tumble out of bed to work.” Vanaf dat moment (1971) treedt Desmond weer vaker op, meestal zelfs voor uitverkochte zalen. In 1971 speelt hij ook een tijdje mee met het Modern Jazz Quartet voor hun kerstconcerten in New York. Vervolgens duikt hij even op bij Chet Baker en maakt een klein aantal opnamen met hem. Bij Hall’s album ‘Concierto’ (1976) doet Desmond mee op twee tracks. Hall stelt hem vervolgens voor aan gitarist Ed Bickert (1932-2019), waarmee Desmond vervolgens enkele tournees maakt. In februari 1977 speelt Desmond nog een keer met Brubeck. Hij is dan al behoorlijk ziek, maar vertelt daar niets over.

Paul Desmond overlijdt op 30 maart 1977 ten gevolge van longontsteking, opgelopen door het vele roken. Hij is dan pas twee-en-vijftig jaar. Bij de eerste ziektebeelden wordt zijn lichaam binnenstebuiten gekeerd en krijgt hij, tot zijn grote hilariteit, te horen dat zijn lever in opperste gezondheid verkeerd. Hij was door zijn vele drinken altijd gewaarschuwd voor zijn lever, maar daar mankeerde dus helemaal niets aan. Het boek waar hij aan bezig was, een boek over zijn leven in de muziek kreeg hij niet meer af. En titel had hij al wel: ‘How many of you are there in the quartet?” de vraag die hem te vaak werd gesteld door diverse stewardessen.

Omdat Desmond zo gesteld was op de Brubeck’s zonen en met name Michael liet hij die laatste zijn saxofoon na. De opbrengsten voor ‘Take Five’, ook de toekomstige, aan het Rode Kruis. “Boy, I sure miss Paul Desmond”, liet Brubeck zich eens ontvallen. Dat gold zeker ook voor Doug Ramsey, degene die de tekst voor het boekje bij de RCA-box schreef. Het intro is er een om hier te vermelden. Ramsey: “We were in an elevator in the Portland Hilton waiting for the doors to close when the car jerked and dropped slightly, and a bell sound. “What was that?’ a startled woman asked. “E-flat.” Paul Desmond and I said simultaneously. I think that’s when he decided we become friends.” Maar het zegt ook iets over Desmonds humor en opstelling.

Met zijn mooie, lyrische klanken maakte Desmond, mits in een goede setting geplaatst, prachtige muziek. Langzaam, bedachtzaam, contemplatief zelfs, stil, nauwelijks wild of met uithalen. Hij hield nu eenmaal van ronde tonen met een rijke schakering, net zoiets als de whisky die hij dronk. Ondanks dat vergelijk hij zijn aanpak het liefst met een droge Martini. Hij maakte één grote hit en verder muziek voor mooie momenten, zoals warme zomers. Dan kan er geen Desmond genoeg in huis zijn. Met dit warme weer denk ik er dan ook meteen aan, laat Desmond’s droge Martini maar klinken!