logo van The Lemontree

De buisklokken en de maagd

Sommige albums leek wel iedereen in huis te hebben. Tubular Bells was zo’n album. Met inmiddels ruim vijftien miljoen verkochte exemplaren op de teller.

Werken aan Tubular Bells viel allesbehalve mee. Er moesten nogal wat hindernissen overwonnen worden, niet in het minst die Oldfield’s eigen gesteldheid. Dat hij het album kon maken zou je een wonder op zich kunnen noemen.

Na het maken was het album ‘out of my system’, zo legde Oldfield uit. Maar toch keert hij er steeds weer naar toe terug.

Met Tubular Bells begon Mike Oldfield zijn muzikale carrière en Virgin Records hun platenmaatschappij. Zonder Oldfield was dat niet gelukt.

Lees het verhaal over de beginfase van Mike Oldfield, de fase voor zijn ‘hergeboorte’. Daarna werd alles anders.


Er zijn van die albums die iedereen lijkt of leek te hebben. Daarbij denk je zeker aan ‘Dark Side of the Moon’ van Pink Floyd, maar er is er nog één die bij menigeen in huis stond: ‘Tubular Bells’. Het album uit 1973 van Mike Oldfield was ongekend populair en er werd veel over gesproken en afgespeeld. Dat kwam niet alleen door de opvallende hoes van een buisklok in de vorm van een en soort krakeling boven opspattend zeewater, maar vooral door de twee, lange tracks, die alsmaar opbouwde en uitdijde op een hypnotiserende manier. Ik vond de aankondigingen van alle gebruikte instrumenten best grappig. Muziek hoeft niet altijd serieus te zijn toch? Mar bovenal was het een mooi muziekstuk waar je urenlang naar kon luisteren. Sommigen noemde het een pre-new-age album, maar dat doet dit album zeker tekort, daarvoor gebeurt er veel meer in alle aangebrachte lagen. Het piano-intro was zo pakkend dat het al snel werd gebruikt voor een film. Daardoor werd het album nog populairder en kwam vervolgens tot de eerste positie in diverse hitlijsten. Klinkt allemaal goed, maar eigenlijk was Oldfield een introvert, gekweld persoon die zijn spanningen alleen in muziek kwijt kon. Dat leverde een drietal (eigenlijk drie-en-een-halve) prachtige albums op. Daarna ging Oldfield in therapie, werd een stuk toegankelijker en positiever, maar werd zijn muziek, volgens opnametechnicus Newman, minder, omdat het de essentie, het spanningselement, ontbrak.

Mike Oldfield (1953) is het derde kind van Raymond Oldfield en Maureen Liston. Oldfield heeft nog een oudere zus, Sally (1947) en broer Terence, Terry (1949). Als Oldfield zeven jaar is verdwijnt moeder vrij plotseling uit het gezin en blijft geruime tijd weg. Ze was zwanger en bevallen van een zoon, David. Eenmaal thuis gaf vader aan dat het kind bij de geboorte overleden was, maar later bleek dat het kind het Syndroom van Down had en nog een jaar had geleefd, weliswaar in slechte conditie. Terug bleek moeder niet meer de oude en kreeg slaapmiddelen waaraan ze verslaafd raakte. Na de slaapmiddelen kwam de alcohol. Vader was huisarts en niet veel thuis. De drie kinderen gingen daarom vooral hun eigen gang. Om de rust in huis te bewaren zaten ze veel op hun eigen kamers. Sally met een vriend, die net als zij een beetje (folk-)gitaar speelde. Op een dag gaf ze de gitaar aan haar jongere broer zodat hij wat te doen had. Ze leerde hem wat eenvoudige akkoorden, maar na een week kon hij al veel meer dan zijn zus en haar vriend. Hij speelde vervolgens op de gitaar van zijn broer, die daar niets mee deed. Heel veel contact had Oldfield toen overigens niet met zijn broer en zus, zij waren ouder en trokken daarom meer met elkaar op.

Oldfield luisterde naar albums van zijn vader, zoals die van Bert Jansch en John Renbourn en probeerde die muziek na te spelen. Met veel geploeter leerde hij zichzelf muziek schrijven. Nu hij talent bleek te hebben kreeg Oldfield op eigen verzoek een goede gitaar van vader. Op zijn twaalfde speelde Oldfield in diverse folkclubs, daarin soms bijgestaan door zijn zus, die zelf ook aan de weg timmerde. Als hij op de middelbare school de opdracht krijgt zijn lange haar, het is nu 1968 de tijd van langere haren, te knippen weigert hij dat en vertrekt vervolgens om niet meer terug te keren. Sally heeft inmiddels een contract gekregen om een album te maken, maar de producer zoekt nog een gitarist erbij. Sally weet wel een goede: haar broer. Ze gaan optreden onder de naam Sallyangie, Sally is duidelijk, ‘Angie’ komt van hun favoriete Bert Jansch compositie ‘Angie’. Vader regelde een kleine bestelwagen en het duo trekt het land in en steken zelfs het kanaal over naar Parijs. Ze maken samen één album: ‘Children of the Sun’ (1968). Sally is dan twintig, Mike vijftien. Het succes blijft uit en broer en zus besluiten te stoppen met hun groep. Wel is Oldfield onder de indruk van het studiogebeuren, iets dat hij zelf ook graag wil leren. Want hoe neem je geluid goed op? En al die schuiven…

Na Sallyangie zoekt Oldfield naar een nieuwe manier om met muziek bezig te zijn. Zo komt hij terecht bij de band ‘Family’ van Roger Chapman. Hun bassist, Ric Grech, was vertrokken naar Blind Faith. Behalve Chapman was niemand enthousiast, dus dat ging niet door. Daarop besloot Oldfield, nu samen met zijn broer Terry, een eigen groep te beginnen, Barefoot’. Mike speelde gitaar, Terry een beetje bas en wie de drums speelde weet niemand. De naam staat zelfs niet in Oldfield’s biografie. Barefoot, Oldfield liep bijna altijd op blote voeten, gaf slechts een handvol optredens en nam niets op.
Nieuwe kansen waren er in de band van ex- Soft Machine bassist Kevin Ayers: The Whole World. Ayers (ex-Soft Machine) zong en speelde gitaar, Oldfield kon terecht als bassist en incidenteel gitarist. Oldfield maakt twee albums als bandlid van Ayers: ‘Shooting at the Moon’ (1970) en ‘Whatevershebringswesing’ (1971). In die band zitten dan musici als David Bedford (keyboards), Lol Coxhill (saxen), Didier Malherbe (uit de band Gong/saxen, fluit). Op het eerste album speelt Oldfield nog bas, op het tweede al veel meer gitaar. Het is een leerzame periode. Ayers treedt een beetje op als een vader voor de veel jongere Oldfield. Oldfield ontdekt dat als hij eerder kwam de studio leegstond en hij gewoon op alle instrumenten kon spelen, zoals de Mellotron, piano en klavecimbel. Ook leerde hij er van de al aanwezige technicus wat kneepjes van het vak.
Oldfield woonde in die periode, net als de rest van de band, in hetzelfde huis als Ayers, met elk een eigen huishoudelijke taak. De groep bestond en korte tijd, deed diverse tournees en zo kwam Oldfield in aanraking met het echte leven ‘on the road’. Dat beviel maar matig. Veel reizen achterin een busje, rondhangen, wachten. Een hard leven. De optredens waren ook al niet geweldig; de drummer was niet zo’n goede, vond hij, en de rest zo verschillend dat het een wonder was dat ze samen muziek konden maken. Ook kon hij nauwelijks horen wat er gespeeld werd en luisterde vooral naar de hi-hat om te kunnen volgen. Soms kreeg hij de rol van gitarist en dan leefde de altijd wat achteraf staande Oldfield op. Later kreeg hij een belangrijkere rol in de band, maar dat vond de rest minder plezierig, hij was immers het jonkie en kreeg nu teveel praatjes. Ayers merkte dat het niet werkte en gaf aan met zijn muziek iets anders te willen gaan doen. Om het leed iets te verzachten leende hij Oldfield zijn tapedeck. Die trok zich terug op zijn kamer en begon eigen muziek op te nemen. Het deck had beperkte mogelijkheden, maar kon, na wat kleine modificaties van Oldfield, extra sporen opnemen. Het piano-intro van Tubular Bells onstaat daar. Oldfield had zijn eigen gitaar, een geleende bas en wat percussie. Van Bedford had hij een Farfisa-orgel te leen gekregen. Het idee van een lange compositie kwam van Terry Riley’s ‘A Rainbow in Curved Air’ (1969), een van de eerste ‘minimal music’ composities. Dat repetitieve element hoor je inderdaad terug in Oldfield’s werk. Oldfield had met zijn werk dat hij inmiddels ‘Opus One’ genoemd had het beeld van een klassieke compositie.

Om geld te verdienen speelt Oldfield een tijd in de begeleidingsband van Steve Broughton bij de Engelse versie van de musical Hair (in ons land deed een prille Focus dat). Maar een half jaar steeds hetzelfde gespeeld te hebben had hij het eigenlijk wel gezien. Om het voor zichzelf leuk te houden en dus wat variatie aan te brengen, zo gaat het verhaal, speelde hij een keer zijn gitaarpartij in 7/8. Daarop werd hij ontslagen. Thuis werkt hij intussen door een zijn muziekstuk. Hij biedt het aan bij diverse platenmaatschappijen, maar wordt steeds afgewezen, vaak met eenzelfde argument, “er wordt niet op gezongen’ of ‘not marketable’, omdat er bijvoorbeeld gen drums inzitten, het te lang is, er relatief weinig gebeurt.

Oldfield wordt daarom maar sessiemuzikant voor de Arthur Louis Band. Die band komt terecht in The Manor, de gloednieuwe studio van Richard Branson. Branson heeft net een weinig rooskleurige carrière achter de rug als maker van een studentenblad en zoekt naar andere wegen. Muziek lijkt hem wel wat. In eerste instantie heeft hij, samen met Nik Powell, een postorderbedrijf, later een importplatenzaak, genaamd Virgin Records. Die blijkt populair en dan komt natuurlijk de vraag, “kunnen we niet zelf platen gaan maken?”. Daarop besluit Branson, samen met Simon Draper, een eigen platenlabel te beginnen, ook Virgin Records genoemd. De eerste stap is een studio. Ze vinden een oud landhuis in Oxfordshire. Die wordt ingericht als studio met technici Tom Newman en Simon Heyworth. Oldfield vraagt op enig moment of ze naar zijn muziek willen luisteren: “Listen to this”. De introverte en alcoholverslaafde Oldfield praat dan alleen in korte zinnen, die soms nauwelijks te verstaan zijn. Beide heren luisteren én vinden het prachtig. Ze sturen een kopie naar Branson in Londen. Branson, die eigenlijk niets van muziek weet, luistert en vraagt waar de zang is. Maar op een of andere manier blijft de muziek wel hangen en dus biedt hij Oldfield de mogelijkheid om een week lang zijn muziek goed te kunnen opnemen in The Manor. Oldfield laat meteen weten wat extra instrumenten, zo’n drie-en-twintig, nodig te hebben en stuurt de lijst door naar Branson. De vrachtwagen die ze aflevert haalt ook de instrumenten weg van de vorige sessies van John Cale. Oldfield vertelt in zijn boek dat als de buisklokken, de tubular bells, worden weggereden hij een plotselinge ingeving krijgt: “Laat die maar staan.”

In de week die hij heeft werkt Oldfield continue door om zijn muziek goed op te nemen. Dat gaat gepaard met veel emoties, zoals Newman vertelde: ‘He (Oldfield) was almost constantly in tears.” Na een week is de tijd om en is pas en deel klaar. Branson heeft ondertussen besloten het album zelf uit te brengen na positieve reacties die hij van mensen kreeg die de tape hoorde. Hij bood Oldfield maar meteen een contract aan voor zes albums, met een optie voor nog vier. Een deel was wel af, maar het andere deel moest nog. Tegelijkertijd was The Manor volgeboekt. Om het album af te maken mocht Oldfield The Manor blijven wonen en de vrije studio-uren gebruiken. Tussen februari en april werd zo het tweede deel opgenomen.

Oldfield werkte met hulp van een soort blokkenschema, sommige delen hebben subnamen, zoals de ‘Caveman’-sectie en het eindstuk, ‘The Sailor's Hornpipe’. Dat laatste speelde hij al bij de concerten van Ayers, maar duikt hier weer op. Er is een versie met Vivian Stanshall, die een verbale rondleiding door The Manor geeft. Die afwijkende versie is te horen op de vierde lp, genaamd ‘Collaborations’ in de ‘Boxed’-doos (1976). De naam ‘Caveman’ komt niet uit de lucht vallen. Het muziekdeel van het werk was klaar, maar er moest nog een hoofdinstrument bij, maar veel instrumenten waren al gebruikt. Oldfield had wel een melodie en een idee voor een zangpartij, maar hij vond zichzelf een beroerde zanger. Op een dag, na een goed pubbezoek, herinnerede hij zich de fles whisky in de kelder en begon die leeg te drinken om zo zijn zangpartij in te kunnen zingen. Newman startte de tape en Oldfield begon een soort oergeluiden te maken om in een soort roes te raken en als een bezetene te blijven schreeuwen. De schreeuw voortkomend uit een gefrustreerde historie. Hij deed dat zo vol overgave dat hij daarna een week zijn stem niet kon gebruiken.
Niet alles kon of deed hij zelf. Zus Sally en Mundy Ellis hielpen mee als zangeres, Jon Field met fluiten, Lindsay Cooper op contrabas, Steve Broughton, drums, technicus Newman op akoestische gitaar en Vivian Stanshall als ‘master of ceremonies’. Stanshall, bekend uit de Bonzo Dog Doo-Dah Band, was dichter, kunstenaar, schrijver, komiek. Hij dook na een week op in de studio omdat zijn band ging opnemen. Hij liep spontaan binnen bij Oldfield: “what’s going on here?”. Het leek een leuk idee om de instrumenten door hem aan te laten kondigen in het almaar opbouwende stuk. Dat lukte nauwelijks tot frustratie van Oldfield en hilariteit van Newman, omdat Stanshall steeds op het verkeerde moment zijn aankondigingen deed. Maar na aanwijzen van de instrumenten door Oldfield wist hij wat hij moest zeggen. Dat werkte perfect: “Grand piano; reed and pipe organ; glockenspiel; bass guitar; double speed guitar; two slightly distorted guitars; mandolin! Spanish guitar, and introducing acoustic guitar, plus... tubular bells." Dat laatste stukje deed het hem: “plus… tubular bells!”. Dat ging zo goed dat Oldfield besloot het album zo te noemen.

Buisklokken vallen in de sectie ‘percussie-instrumenten’ en worden in de klassieke muziek gebruikt om (kerk-)klokken te laten horen. Oldfield vond de klank mooi, maar Newman vond ze veel te zacht klinken. Hij vond dat ze harder moesten, meer voorop. De gebruikelijke ‘hamer’ om tegen de buizen te slaan bleek onvoldoende klank te genereren, waarop Newman een klauwhamer haalde en er daarmee tegenaan sloeg. Dat had het gewenste effect. Oldfield twijfelde nog, maar Newman zette door, uiteindelijk tot ieders tevredenheid.

Oldfield had met zo’n 274 overdubs zijn eerste album gemaakt. Op de hoes maakt hij melding van ‘speed guitar’ en ‘fuzz guitar’ en ‘guitars sounding like bagpipes’, maar uiteindelijk is dat één en dezelfde gitaar met verschillende effecten. Het was Oldfield’s eigen, ‘aangepaste’ gitaar. Alle andere instrumenten waren gehuurd of geleend, zoals de basgitaar die van Newman was. Het was voor het eerst dat op zo’n grote schaal gewerkt was met overdubs. Soms moesten ze met zijn vieren de ‘mixing console’ bedienen en hadden ze nog handen tekort. De mix was niet optimaal vond de kritische Oldfield. Inmiddels had hij zoveel geleerd dat hij dat zelf ook wel kon doen. Dat deed hij, in zijn eentje met handen, ellebogen en neus om de schuiven te bedienen.

De muziek was nu klaar, de titel van het album bekend, nu nog een hoes. In eerste instantie had Branson gedacht aan ‘Breakfast in Bed’ met daarbij de afbeelding van een gekookt ei waar bloed uitdroop. Een wanstaltige voorstelling vond Oldfield. Maar nadat Stanshall zo mooi de slotzin had gedeclameerd en Oldfield de titel wist, viel alles snel op zijn plek. Trevor Key, de fotograaf, vroeg wat Oldfield wilde. ‘Iets met een kapotte klok?’ Daarbij dacht hij aan het geluid van de buisklokken. Key kwam met een heel ander idee, namelijk de gebogen buisklok, zwevend boven de golven. Oldfield vond het ontwerp meteen prachtig, Zo mooi dat hij de naam van het album en zeker zijn naam maar heel klein op de voorkant wilde hebben. Key maakte een ontwerp dat zo herkenbaar bleek dat Oldfield hem later zelfs gebruikte als logo voor zijn eigen maatschappij, ‘Oldfield Music Ltd.’ De Engelse post was er ook weg van, want de hoes kwam uit de bus als een van de tien beste voor een en reeks van tien ‘Classic Album Covers’-postzegels (2010).

25 Mei 1973 werd het album uitgebracht als Virgin V2001, de allereerste Virginplaat. Dezelfde dag kwamen nummer twee en drie ook uit: ‘Flying Teapot’ van Gong (V2002) en ‘Manor Live’ (V2003). Op de achterzijde van de enkele hoes is naast de credits een bijzondere opmerking geplaatst: "In Glorious Stereophonic Sound: Can also be played on mono equipment at a pinch. This stereo record cannot be played on old tin boxes no matter what they are fitted with. If you are in possession of such equipment please hand it into the nearest police station." Oldfield wilde graag dat de muziek waar hij met hart en ziel (en drank) aan gewerkt had goed zou klinken.

In eerste instantie gebeurde er weinig met het album, na een half jaar kwam het terecht in de album Top100 en begon tergend langzaam omhoog te kruipen en kwam tot aan de top 10 aan het eind van het jaar. Het ging iets sneller nadat de bekende en muziekstimulerende DJ John Peel kant één van de lp helemaal liet horen tijdens zijn radio-uitzending: "One of the most impressive LPs I've ever had the chance to play on the radio, really a remarkable record". Later noemde Peel het: "a new recording of such strength and beauty that to me it represents the first break-through into history that any musician has made".
Het bleef niet alleen bij de lovende woorden van Peel en de pers. Branson nodigde Oldfield een keer uit op zijn kantoor om daar iemand te ontmoeten, ene Ahmet Ertegün. Oldfield zei vriendelijk “Hello” en vertrok weer, een geshockeerde Ertegün achterlatend. Oldfield had geen flauw idee dat Ertegün de directeur en oprichter was van het grote Atlantic Records. Atlantic Records distribueerde Virgin Records in Amerika, dus ook Oldfield’s album. Veel later kwamen ze elkaar weer tegen, dit maal wist Oldfield wie hij voor zich had en konden de twee goed met elkaar overweg. Ondanks de vreemde ontmoeting speelt Ertegün een cruciale rol in Oldfield’s succes, maar daarvoor moeten we eerste na de film. William Friedkin was klaar met zijn film, ‘The Exorcist’, maar niet tevreden over de muziek van de gerenommeerde filmcomponist Lalo Schifrin. Hij zocht iets anders. Toevallig was hij bij Ertegün op kantoor en zag daar een album liggen met een witte hoes en label. Hij zette het album op en was meteen verkocht. Het intro van ‘Tubular Bells’ was precies wat hij zocht voor de film. Hij gebruikte het thema op twee plekken in de film. ‘The Exorcist’ kwam eind 1973 in Amerika op de markt, begin 1974 in Europa. Friedkin had het goed gehoord, juist het thema van ‘Tubular Bells’ bleek karakteristiek voor de film te zijn. Daarna schoten de verkopen van het album de lucht in en kwam het album op diverse plekken op de eerste plaats terecht.

Natuurlijk kwamen er singles, versies met fragmenten van ‘Tubular Bells’, meestal het intro. Dat allemaal zonder goedkeuring van Oldfield. Desondanks deden die het goed in Amerika en Canada. Zijn eigen korte versie ‘Theme from Tubular Bells’ (1974) kwam slechts tot een 31e plek. Het album deed het beter, dat stond één jaar lang in de hitlijst met één week op de eerste positie. In Amerika kwam het tot de derde plek in de Billboard200 en in Canada en Australië tot een eerste plek. Na de release van de opvolger ‘Hergest Ridge’ (1974) kwam ook ‘Tubular Bells’ weer in de topregionen en wisselde beide albums elkaar af op nummer één en twee. Opmerkelijk genoeg komt ‘Tubular Bells’ om de zoveel tijd weer terug in de hitlijst, soms zonder duidelijk aanwijsbare reden.

Er wordt geschat dat er tot nu toe wereldwijd ruim vijftien miljoen verkocht zijn, maar de verkopen blijven doorgaan. Dat had rond 2010 te maken met de overstap van Virgin naar Mercury met als gevolg nieuwe versies, nieuwe mixen, de nostalgische hang naar vinyl en de andere versies van het album. Zo maakte Oldfield een ‘Tubular Bells II’ (1992) en zelfs drie (1998). Daarnaast zijn er nog variaties zoals de ‘Millennium Bell’ (1999) en de bewerking van Oldfield: ‘Tubular Bells 2003’ Hij lijkt wel een Amerikaan, maar ja, als je inmiddels op de Bahama’s woont?
Die 2003-versie had nog een vreemd eind. Stanshall was inmiddels overleden, daarom werden de aankondigingen nu overgedaan door John Cleese (die van Monty Python en Fawlty Towers).

Met een succesvol album is het bijna vanzelfsprekend dat je die live laat horen, maar hoe Branson en anderen ook aandrongen, Oldfield weigerde. Dat was ver buiten zijn comfort-zone. Daarbij dacht hij aan zijn ervaring bij Ayers. En zelfs als, hoe zou je dat ‘überhaupt moeten gaan doen? Hij had er meer dan een half jaar aan gewerkt, het stikte van de overdubs. Dat krijg je live niet voor elkaar en bovendien, zo legde hij uit, “krijg je dan niet de sfeer en intentie zoals ik dat in mijn hoofd heb.” Branson had zoiets van, dan pakken we het echt groots aan. Uiteindelijk stemde Oldfield in met een concert in Queen Elizabeth Hall. De zaal was uitverkocht, de musici stonden klaar, maar Oldfield wilde niet. Uiteindelijk kon Branson hem op het podium krijgen door zijn eigen Bentley, waar Oldfield gek op was, aan Oldfield te geven. Het hielp, achteraf bleek dat de auto door en door rot was en Oldfield er weinig aan had, maar op dat moment was het voldoende. Het concert verliep vreselijk, zo beschrijft Oldfield in zijn biografie, gitaren waren ontstemd, partijen liepen niet goed, het geluid was vreselijk, Stanhall riep de verkeerde dingen op de verkeerde momenten en ga maar door, maar uiteindelijk stond het publiek op een applaudisseerde langdurig. Oldfield in stomme verbazing achterlatend; “Vonden ze dit nu echt mooi?” Ja, dus.
Het hielp mee om de registratie voor de BBC, later op diezelfde dag, wat makkelijker te laten verlopen. Het is een bijzondere opnamen van het eerste deel van het album door tal van bekende artiesten. Veel komen uit de Virgin-gelederen, maar anderen omdat ze dit project graag wilde steunen. De meesten zaten overigens ook op het podium bij de voorstelling eerder die dag: Jon Field (fluit), Fred Frith (elektrische gitaar en – basgitaar), John Greaves (elektrische piano, Farfisa orgel, tin whistle, Vox orgel), Tim Hodgkinson (Farfisa orgel, Fender Rhodes piano, Vox orgel), Steve Hillage (elektrische gitaar), Karl Jenkins (hobo), Geoff Leigh (fluit), Pierre Moerlen (percussie), Terry Oldfield (fluit), Tom Newman (stem, mix), Mike Ratledge (keyboards), Ted Speight (elektrische gitaar, - basgitaar), Mick Taylor (elektrische gitaar) en een niet nader genoemd dameskoor.
Als je een beetje bekend bent met de groepen zie je leden uit Henry Cow, Gong en Soft Machine. Eerder op de dag stonden daarbij ook oude bekenden als Kevin Ayers (basgitaar), David Bedford (vleugel, accordeon, orgel, koordirigent), Steve Broughton (drums) op het podium. Het koor is hier wel bekend. ‘Girlie Chorus”: Sarah Greaves, Kathy Williams, Sally Oldfield, Maureen Rossini, Lynette Asquith, Amanda Parsons, Maggie Thomas, Mundy Ellis, Julie Clive, Liz Gluck, Debbie Scott, Hanna Corker. Waarschijnlijk staan zij of een groot deel hiervan ook ’s avonds op het podium. De opname is te zien op de dvd “the Elements’ (2004) en de ‘Deluxe’ (2009) en ‘Ultimate Editions’(2009). De musici zitten in een grote ruimte in cirkelopstelling met Oldfield in het midden. Om de cirkel draait de camera. Dat is nog eens wat anders dan recht-toe-recht-aan film.

Enmaal de smaak te pakken kwam Branson met een klassiek vervolg, maar daar had Oldfield helemaal geen zin in; ‘zo niet mijn muziek’. Dat concert ging gewoon door in september 1974 met The Royal Philharmonic Orchestra onder leiding van David Bedford. ‘Vreselijk’, vond Oldfield. Echter voordat het album op de markt kwam speelde hij in de studio nog wat gitaartracks in, om het nog enigszins zijn muziek te maken. Desalniettemin kwam het album op de markt als : ‘The Royal Philharmonic Orchestra With Mike Oldfield on Guitar, Conducted By David Bedford ‎– The Orchestral Tubular Bells’ (1975). Ik vond dit niets, nee, dan toch liever maar de authentieke.

Er waren nog enkele ‘Tubular Bells’-concerten in Groot Brittannië, steeds zonder Oldfield. Daarbij fungeerde Steve Hillage als muzikaal leider en primaire gitarist. Het maakte Oldfield wel wat uit, maar aan de andere kant ook weer niet, omdat hij van het album, nadat het af was, zei: "got it out of my system". Hij dacht er niet meer aan en wilde er ook niet meer aan denken. Het werk was gedaan en daarmee klaar. Het zou nog jaren duren voordat hij er zich weer actief mee bezighield en het zelfs later opnieuw mixte en remasterde. Uiteindelijk leverde dit album hem zijn beroemdheid op, zijn geld en de mogelijkheden van alles te kunnen doen.

Oldfield had het wel uit zijn systeem, maar de wereld reageerde er anders op, met name het thema dat ook voor The Exorcist gebruikt was, kwam en kom je overal tegen, het werd onder anderen gebruikt door de NASA voor ‘The Space Movie (1979); Janet Jackson samplede het voor haar album The Velvet Rope (1997), onze eigen wereldhelden Bassie en Adriaan gebruikte het in een aflevering, genaamd ‘De Plaaggeest’; Volkwagen voor een advertentie van de Diesel (2002) en als thema bij de Olympische spelen van 2012. Die laatste in aangepast versie. Voor de snelle beslissers was toen een vinylversie in rose/blauw te koop. Gemaakt in een oplage van 500. Een collector’ s item dus.

In 1974 kreeg Oldfield voor ‘Tubular Bells’ de Grammy voor ‘Best Instrumental Composition’. Q-magazine vond het het zesde beste album uit de jaren zeventig. Q en Mojo plaatste het album in hun verhaal ‘The Story of Prog Rock ‘ (2005) op nummer negen in de lijst ‘40 Cosmic Rock Albums’.

Na alle tumult om ‘Tubular Bells’ had Oldfield zich ver van de bewoonde wereld teruggetrokken. Hij had een oud huis gevonden, ‘The Beacon’. Dat huis stond op een heuvel en lag op de grens van Engeland en Wales. De buurheuvel en het gebied eromheen heet ‘Hergest Ridge’.
Oldfield vroeg Branson het huis voor hem te kopen, er was immers geld genoeg. Dan zit je daar rustig en krijgt wekelijks salaris, maar de druk kun je niet ontlopen. De druk van liveoptredens en die van album nummer twee. Branson vroeg Oldfield hoe het zat met de plannen daarvoor, maar die waren er niet. Oldfield had zolang aan zijn eerste album gewerkt dat al zijn ideeën nu op waren. Onder die druk kreeg hij paniek-aanvallen, die hij bestreed met alcohol. Wel was hij in oude, historische folktunes gedoken en dat vond hij wel wat. In de kroeg onderaan de heuvel speelde hij die muziek in ruil voor gratis drank.
Zijn huis werd inmiddels voorzien wat opnameapparatuur en instrumenten, zodat hij de tijd had om eventuele, muzikale ideeën op te kunnen nemen. Langzaamaan kwam er wat op tape te staan en kreeg een tweede album gestalte. Enerzijds had hij er nog steeds geen zin in, anderzijds begreep hij wel dat er ‘iets’ moest komen. Maar achteraf heerst vooral onvrede: "I have to listen really hard to pick out something that I know that I'm proud that I did". Zeker waren er mooie momenten, maar als geheel vond hij het een zwakker album. Het zit niet propvol overdubs en biedt meer ruimte voor de diverse instrumenten, met de gitaar voorop. Sommige delen zijn echter beter uitgewerkt dan op ‘Tubular Bells’. Dat dan weer wel.
Er waren dagen dat Oldfield totaal geen zin had om ook maar iets op te nemen, in plaats daarvan ging hij liever naar buiten om daar met modelbouwvliegtuigen aan de gang te gaan. Een hobby die hij had overgenomen van zijn vader. Newman was ook liefhebber, dus het tweetal was regelmatig buiten, daarbij bijgestaan door de studiohond, genaamd ‘Bootleg’.
De opzet van ‘Hergest Ridge’ is dezelfde als zijn voorganger, twee lange nummers, elk een lp-kant. De afsluitende opnames vonden plaats in het voorjaar van 1974 in The Manor met Newman als technicus. Veel meer nog dan zijn eerste werd ‘Hergest Ridge’ een bijna soloalbum. Enige hulp was nodig van June Whiting (hobo) en Lindsay Cooper (hobo), Ted Hobart (trompet), Chili Charles (snaardrum) en zang van zus Sally en Clodagh Simmonds. De orkestpartij werd gedirigeerd door David Bedford.

De hoes was opnieuw van Trevor Key. Hij maakte een mooie sfeerimpressie van wat er zich afspeelde tijdens de opnames. Latere edities van ‘Hergest Ridge’, vanaf 2010, hebben een iets gewijzigde voorstelling met een zweefvliegtuig op de voorkant. Oldfield had een hekel aan vliegen, maar de barkeeper uit de kroeg onderaan de heuvel bleek zweefvlieger te zijn en wilde Oldfield wel eens meenemen. Die vond het zo fantastisch dat hij later zelf zijn vliegbrevet haalde. Daarna ontdekte hij het plezier van een helikoptervlucht en kocht er zelf maar een.

‘Hergest Ridge’ (1974) kwam snel op de eerste plek van de albumlijst om daar drie weken te blijven. Daarnaast moest het album plaatsmaken voor: ‘Tubular Bells’! Het was tot dan niet eerder gebeurd dat een artiest twee albums tegelijkertijd op de hoogste posities had.
Net als bij ‘Tubular Bells’ wilde Oldfield niet optreden. Om dat gat op te vangen werd een concerteditie gemaakt met David Bedford als dirigent met het Royal Philharmonic Orchestra of het Scottish National Orchestra en Steve Hillage of Andy Summers (die van The Police) op gitaar. Stukken muziek van het album kwamen ook in de eerder genoemde NASA-documentaire ‘The Space Movie’.

Voor de vier-lp- doos ‘Boxed’ (1976) maakte Oldfield een nieuwe mix van ’Hergest Ridge’ met de eis dat die voortaan gebruikt zou worden voor alle releases. Dat gebeurde tot 2010. Na de overstap naar Mercury bewerkte Oldfield al zijn vroege albums opnieuw. Als bonus kreeg je er in de ‘deluxe’-versie de ‘authentieke’ versie toch bij.

Niet iedereen was even enthousiast over ‘Hergest Ridge’, Oldfield zelf als eerste, maar ook critici die spraken van een slap aftreksel van ‘Tubular Bells’. Het zette Oldfield aan om te laten zien dat hij echt wel iets kon. Met nieuwe energie ging hij daarom aan de slag voor het derde album. Hij vroeg Branson een complete studio te bouwen in ‘The Beacon’, zodat hij ongestoord in alle rust kon werken aan het project. Oldfield had een tijd in zijn huis gewoond met zijn vriendin, maar die relatie hield niet stand. Omdat er genoeg ruimte was trok zijn vroegere muziekmaat en drummer bij Kevin Ayers, William Murray, bij hem in. Murray zorgde een beetje voor Oldfield, kookte, nam de telefoon aan, dat soort dingen.
Kort na de aanvang met het nieuwe album kreeg Oldfield een telefoontje dat zijn moeder overleden was. Het raakte hem zeer, want zijn moeder, ondanks al haar eigen problemen, had altijd precies begrepen hoe hij zich voelde. Troost vond hij nu in het maken van muziek. Maar het noodlot sloeg nog een keer toe. Na enkele maanden opnemen werd hij geconfronteerd met de matige kwaliteit van de tapes, het ijzeroxide viel er letterlijk vanaf. Een reservekopie brak halverwege af. Hij kon weer helemaal opnieuw beginnen. Na een goede kwaliteit tape gevonden te hebben, bleek dat opnieuw opnemen makkelijker dan gedacht. De ’blokken’ zaten nog goed zijn geheugen en bovendien maakte het sommige zwakke passages beter.
Voor het uiteindelijke eindresultaat keerde hij alsnog terug naar The Manor.

Het derde album heeft een sterke Keltische invloed, wellicht omdat Oldfield zocht naar de roots van zijn moeder, een Ierse. Dat verklaard het gebruik van de zogenaamde ‘uilleann pipes’. Hij riep voor de authentieke stijl de hulp in van Paddy Moloney (van The Dubliners) en zangeres Clodagh Simonds. Voor de drums zocht hij het iets verder, namelijk in Afrika. Simon Draper van Virgin Records is Zuid-Afrikaan en kende een hele reeks Afrikaanse musici. Op Oldfield’s vraag stuurt hij de drumgroep ‘Jabula’ naar de studio. Eddie Tatane, Ernest Mothle, Julian Bahula en Lucky Ranku proberen van alles, maar de vonk sloeg letterlijk niet over. Maar na wat flessen drank en joints raken de mannen echt op dreef en drummen tot diep in de nacht, overigens was dat laatste heel gebruikelijk. Op het album zijn verder te horen de The Hereford City Band, een ‘brassband’, onder leiding van Leslie Penning; David Strange (cello), Terry Oldfield (panfluit), Leslie Penning (blokfluiten), William Murray (percussie), Don Blakeson (trompet), Pierre Moerlen (pauken), Herbie (doedelzak) en zangeressen Bridget St. John en Sally Oldfield. Voor het kinderkoor treden de Penrhos Kids op.

‘Ommadawn’ (1975) heeft in tegenstelling tot de vorige twee albums, naast twee lange tracks een korte, verstopte, derde: ‘On Horseback’, het eindstuk van ‘Ommadawn deel II’. Het refereert on het paardrijden van huisgenoot Murray, Pennings en Oldfield in Hergest Ridge. In dit stuk speelt Paddy Moloney, iets dat niet op de hoes vermeld was.
Nu zocht hij nog een tekst, maar wilde niet dat er met woorden gewerkt werd die iets konden betekenen. Simonds zong van alles en nog wat en verzon ter plekke gekke zinnen die door een kennis werden ‘vertaald’ in het Iers. Simonds zei: “Daddy's in bed, The cat's drinking milk, I'm an idiot, And I'm laughing”. Uit de vertaling kwam: “Tá daidí 'na leaba. Tá an cat ag ól an bainne. Tá mé an amadán ag ceol. Amadán ag ceol”. In die zinnen bleek, na een fonetisch spel met uitspreken in een Engelse versie, de titel van het album besloten: ‘Ommadawn’.

Dit keer geen foto van Key op de voorkant maar een van David Bailey. Op de voorkant Oldfield zelf in een wat mijmerende pose, met daaroverheen een stuk natuur. ‘Ommadawn’ werd in oktober 1975 uitgebracht en kwam ‘slechts’ tot een vierde plek. Oldfield vond dat vreemd, omdat dit album veel beter was dan zijn vorige.
Net als de voorgangers werd ‘Ommadawn’ in 1976 geremixt voor de ‘Boxed’-doos, maar nu niet in een afwijkende mix. Bij de rereleases voor Mercury (2010) werd er in de ‘deluxe’-serie een vroege demoversie van ‘Ommadawn’ toegevoegd, net als enkele singles: ‘In Dulce Jubilo’, ‘First Excursion’, ‘Argiers’ and ‘Portsmouth’. Oldfield verkocht in 2010 250 luxe boxsets, inclusief ingelijste, gesigneerde cover via zijn eigen website ter gelegenheid van de nieuwe edities.

In 1990 deed Oldfield een poging om een tweede versie van ‘Ommadawn’ te maken, dat werd ‘Amarok’. ‘Amarok’ heeft echter weinig binding met ‘Ommadawn’ en kan beter als ‘standalone’- project gezien worden. Beter ging het hem af met ‘Return to Ommadawn’ (2017). Die werd enthousiast ontvangen, maar heeft in mijn optiek wat minder vloeiende overgangen en is soms iets te ‘zwevend’.
Niet heel verrassend zitten in de NASA ‘Space Movie’ delen van ‘Ommadawn’. Verder werd muziek gebruikt bij diverse BBC-series en een documentaire van Tony Palmer in zijn serie ‘All You Need is Love (deel 17)’.

In november, een maand na ‘Ommadawn’ bracht Oldfield een single uit: ‘In Dulci Jubilo’/On Horseback’ (1975). De track met hoog kerstmisgehalte kwam tot de vierde plek (net als het album dus) in de hitlijst. Maar dit feit werd meer gezien als een succes, terwijl die van het album tegenviel. Het is een vreemd soort dubbelvisie zal ik maar zeggen, iets me hoge verwachtingen versus nul verwachtingen.

Nadat het album uit was verhuisde Oldfield naar een nieuw pand, ‘Througham Slad Manor’, Dat ligt in Gloucestershire. De studio verhuisde mee en werd meteen gemoderniseerd.

Wat hij met een vierde album aan moest wist Oldfield niet zo goed. Hij had nu een, zoals hij het omschreef, ‘klassiek’ album (Tubular Bells) een gitaar/folk-album (Hergest Ridge) en een Afrikaans album (Ommadawn). Wat nu? Iets magisch, een "real incantations to exert a benign magical influence on anybody who heard it". Daarbij dacht hij aan de oude Druïden en hun ‘bezweringen’. Via nodigde een aantal mensen uit, met heel wisselende resultaten; een wilde niet praten over druïden, maar hem wel bekeren, een ander praatte helemaal niet. Wel kwam hij zo op de gedichten van Kathleen Raine, die hij inspirerend vond en het verhaal van ‘Gog and Magog’ met daarin ‘Diana the Huntress’. Omdat niemand echte bezweringen wilde uitten voor het album, bleek die laatste meer praktisch te zijn voor de rode draad van zijn nieuwe werkstuk met ‘some magical things’. Oldfield ging aan de slag en schreef dit keer zelf de orkestpartijen en arrangementen. Hij nodigde een aantal musici uit in zijn studio om die partijen op te nemen. Bij de latere uitwerking kwam hij terecht in een canon-vorm en bedacht om die met twee vibrafoons te laten spelen. Daarop vroeg hij Pierre Moerlen, die bracht zijn broer, Benoit, mee. Het tweetal speelde magisch inderdaad. Maar als je naar Pierre Moerlen’s Gong luistert weet je waar die partijen vandaan komen.
Langzamerhand ontstond zo een lang werkstuk, bestaande uit vier delen. ‘Incantations’ (toverspreuk/bezwering) werd de naam voor het album. Maar voordat het album af was, eigenlijk was het nog pas een schets, kreeg Oldfield bezoek van Branson en enkele andere Virgin-gedelegeerden. Hij liet horen waar hij mee bezig was en iedereen, behalve Branson, viel stil. Waarschijnlijk had men iets anders verwacht. End jaren zeventig, begin jaren tachtig zijn lange muziekstukken niet meer in zwang, immers: kort, krachtig, punk heerst. Of dit bezoek de regelrechte oorzaak was weet niemand, maar binnen de kortste keren draaide Virgin Records honderdtachtig graden in hun muziekaanpak. Niet meer de progressievere muziek van Oldfield, Gong, Henry Cow, Hatfield & the North, Tangerine Dream en ga maar door, nee, Punk! Die andere muziek was uit de tijd, obsoleet. Punkers hadden het over Oldfield als ‘Mike Oldfart’ en zijn muziek was die van een dinosaurus, uit een ander tijdperk. Harde tijden voor muzikanten dus. Hoe dan ook, Virgin deed nauwelijks nog iets om Oldfield te ondersteunen en die knapte daar zo op af dat hij eigenlijk geen zin meer had in het hele album. Gevolg: opnieuw aan de drank, toenemende agressie en daardoor de nieuwe relatie beëindigd. Vader en broer namen hem mee op reis naar Italië en Griekenland, maar die haalde weinig uit. Eenmaal thuis suggereerde de vrouw van een studiotechnicus een ‘Exegesis Seminar’. Dat was gebaseerd op Werner Erhard's EST training, een discutabel soort zelf-assertiviteitsprogramma in combinatie met wedergeboorte-ervaring. Oldfield dacht dat het iets zou kunnen zijn. Na drie intensieve dagen kwam hij als herboren terug, als een ander mens: . "It was like opening some huge cathedral doors and facing the monster, and I saw that the monster was myself as a newborn infant, because I'd started life in a panic." Plotseling praatte hij met iedereen, maakte grapjes, had zin om op te treden, poseerde zelfs naakt. Totale ommekeer, de ballast van het verleden leek achter hem.

‘Incantations’ moest nu ook af, maar was eigenlijk een oud blok aan zijn been. Liever wilde hij wat anders gaan doen. Uiteindelijk zette hij door en deed wat er van hem verwacht werd. Net als de vorige keer zijn broer en zus aanwezig en verder Mike Laird (trompet), Jabula (Afrikaanse drums), Pierre Moerlen (drums), Sebastiaan Bell (fluit), Maddy Prior (zang), The Queens College Girls Choir en dirigent David Bedford.
De betovering zit hem vooral in de minimalistische muziekaanpak, de continue wisselende patronen. Rustgevend of hypnotiserend?
Het hoesontwerp is weer van Trevor Key, maar ook dit ontwerp werd in 2011 aangepast, Oldfield verdween van de voorkant.

Eind 1978 kwam het album uit en werd binnen twee weken platina met als top een veertiende plek. Hoezo Punk Rules? Een bijbehorende single, ‘Guilty/Excerpt from Incantations’ kwam tot een twee-en-twintigste plek. ‘Guilty’ was het eerste teken van een nieuw geboren Oldfield, namelijk een disco-achtig nummer.
In het cd-tijdperk werd deel drie ingekort om alles op één cd te krijgen. Zo ging dat toen. Nu kan er plotseling meer op een cd en hoeft die censuur niet meer.
in 2011 werd ‘Incantations’ opgepoetst en verscheen, naast een gewone editie, in een deluxe-versie, met uittreksels van de sessies en een deel met livebeelden. Vreemd genoeg staat ‘Incantations’ er niet op in originele versie, want de tape daarvoor was of kwijt of zwaar beschadigd.

Na ‘Incantations’ begon Oldfield aan zijn eerste solotournee. Op het podium heeft hij een band, orkest en koor. Van de diverse concerten werden opnames gemaakt en later uitgebracht op ‘Exposed’ (1979). Daarop staan eigenlijk maar twee stukken: ‘Tubular Bells’ en ‘Incantations’ en als het toegift ‘Guilty’. Schuldig was hij, of liever gezegd Virgin wel, want de opnames waren gemaakt zonder goedkeuring van de artiesten. Niet iedereen was daarom blij met deze actie.

Na zijn eerste kwartet maakte Oldfield nog heel wat albums, maar qua geluid aangepast aan de tijd, geen lange nummers meer, veel meer songs. Allemaal niet heel verkeerde muziek, maar voor mij was er iets weg. Newman beschrijft dit in het intro heel goed, de spanning, de worstelende drive, die urgentie die Oldfield had was nu weg. Daarna haakte ik ook wat af en zocht mijn heil elders.
Opvallend is wel dat Oldfield steeds terugkeert naar zijn beginperiode. Kijk maar naar al die versies van ‘Tubular Bells’ en vrij recent nog (2017) die van ‘Ommadawn’. Hij weet natuurlijk ook dat hier de basis van zijn succes ligt, zijn muzikale wortels. Meer nog dan zijn latere muziek kwam deze muziek diep uit zijn hart en zoiets vergeet je nooit meer en wordt onlosmakelijk deel van je persoon. ‘Tubular Bells’, ‘Hergest Ridge’, ‘Ommadawn’ en iets minder ‘Incantations’ zitten ook diep in mijn ‘systeem’. Elke keer als ik ze weer luister verbaast mij de originaliteit, de visie en aanpak van een twintigjarige muzikant. Dat hij met zijn eerste album en passant een heel platenlabel mee hielp opbouwen is een minstens net zo bijzondere prestatie en samen een prachtig verhaal, het verhaal van de buisklokken en de maagd.