logo van The Lemontree

La Nouvelle Vague et jazz

‘Kwartet!’ of beter ‘Quartet’? Als je de vier cd-hoesjes zo ziet gaat het wel die richting uit. Natuurlijk zet ik ze hier bewust bij elkaar. Zoals zo vaak is dit het topje van de bekende ijsberg, maar juist dit Fontana-groepje zegt iets over de tijd waarin de muziek opgenomen werd ten behoeve van de films. Een spannende tijd, nieuw, uitdagend en vooral anders. ‘La Nouvelle Vague’ wordt die stroming genoemd. Die ontstond eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Jonge, Franse filmmakers hadden genoeg van de gezapigheid van hun voorgangers. Ze wilden experimenteren, niet alleen in beeldtaal, maar ook in dialogen én muziek. De nieuwe filmstijl was sociaal- en politiek bewust, wist wat er leefde in de maatschappij van dat moment. De taal was de (straat)taal van nu. Voor hun films gebruikten de regisseurs handcamera’s, lichteffecten en lange takes. De langzame beelden werden afgewisseld met korte fragmenten, waardoor de film meer het karakter kreeg van een documentaire. Nieuw was ook dat de kijker niet per sé antwoorden kreeg op de vragen die er in de film opgeroepen werden. Soms zat het publiek na afloop nog ruime tijd in de zaal, gehuld in bedachtzaam zwijgen en denkend over wat ze nu gezien hadden en hoe ze dat moesten interpreteren.
De stroming begon met een manifest van François Truffaut: ‘Une certaine tendance du cinéma français’ (1954), dat gepubliceerd werd in ‘Cahiers du cinéma’. Dat was een tijdschrift voor filmmakers en filmliefhebbers. Filmmakers als Jean-Luc Godard, Éric Rohmer, Jacques Rivette, en Claude Chabrol schreven ook voor het tijdschrift. Het was een succesvolle en financieel welgestelde groep. De naam ‘La Nouvelle Vague’ werd voor het eerst gebruikt in ‘Cahiers du cinéma’. Het ‘Cahiers’ keek goed om zich heen, want steunde tevens een andere groep filmmakers: die van de ‘Rive Gauche’. Dat was een groep vaak wat oudere filmmakers, die het wel eens was met het manifest, maar minder fanatiek waren en ook minder middelen hadden. In de ‘Rive Gauche’ kon je filmmakers vinden als Alain Resnais, Agnès Varda, Chris Marker, Henri Colpi en Jacques Demy.

De nieuwe filmstijl vroeg om een nieuwe, muzikale benadering. Niet meer die grote, logge orkesten, maar muziek die paste bij de snelheid én de tijd van de films. Jazz was op dat moment, zeker in Parijs, populair. Grote namen als Miles Davis en Art Blakey gaven er concerten, de jonge filmmakers waren jazzfans. Het lag dan ook voor de hand om jazz te gebruiken als muzikale uiting van de ‘La Nouvelle Vague’.

Een van de meest bekende albums uit deze ‘stroming’ is ‘Ascenseur pour l’échafaud’ (Lift naar de galg, of ook wel: Lift naar het schavot/Engels: Elevator to the gallows) van Miles Davis. Eind 1957 was Davis in Parijs en voelde zich geweldig: “I had never felt that way in my life. It was the freedom of being in France and being treated like a human being, like someone important. Even the band and the music sounded better over there… I even found myself announcing the songs in French.” (uit zijn biografie). Davis was net van een heroïneverslaving af, overigens net zoals van zijn oude platenmaatschappij, Prestige.
Marcel Romano (onthoudt die naam) had voor Miles een korte reeks optredens in Europa geregeld met als sluitstuk een week in ‘Club St. Germain’ in Parijs. Op 8 december 1957 zou Davis met dezelfde bezetting als waarmee hij Parijs speelde ook in het Concertgebouw in Amsterdam spelen (opgenomen door de VARA en in 2005 op cd uitgebracht door Lone Hill Jazz). Daar speelde hij ‘gewoon’ standaardwerk, waaronder ‘Bag’s Groove, A Night in Tunesia, Walkin’ en Round About Midnight’ en slechts één eigen compositie: ‘Four’. De tournee ging tevens naar Brussel en Stuttgart, maar was niet echt een succes.
Romano wilde eigenlijk een film maken over een jazzband aan het werk, maar dat idee ging niet door. Hij besprak het met Jean-Paul Rappeneau, filmregisseur én jazzfan. Die stelde Davis voor aan collega Louis Malle die met een film bezig was. Rappeneau, op dat moment Malle’s assistent, kende de muziek van het Modern Jazz Quartet voor Roger Vadim’s: film ‘Sait-on jamais’. Die film werd bekend als ‘Does One Ever Know’ en ‘No Sun in Venice’ en was een paar maanden eerder verschenen. In feite was dat de eerste Franse film met gebruik van jazzmuziek.

Even naar Venetië: Vadim’s film gaat over een Franse journalist op vakantie in Venetië. Daar ontmoet hij een mysterieuze vrouw, Sophie, die hij regelmatig ziet en met wie hij het bed deelt. Maar al gauw staat haar ex-man voor hem, een neurotisch en crimineel figuur. Het is de assistent van haar eerste man. Haar liefde is oprecht, maar de ingewikkelde driehoeksrelatie die ze voorheen had maakt het leven niet makkelijker, integendeel…
The Modern Jazz Quartet maakte de muziek bij deze film. De groep speelde in 1956 in Parijs en bestond op dat moment uit: Percy Heath (bas), John Lewis (piano), Milt Jackson (vibrafoon) en Connie Kay (drums). Ze werden na het concert aangesproken door Raoul Levy, producer van Vadim’s eerste film: ‘Et Dieu.. crea la femme’ (Engels: ‘And God created Woman) met in de hoofdrol Brigitte Bardot. Levy vroeg of The Modern Jazz Quartet de muziek wilde verzorgen voor Vadim’s tweede film. Lewis zag daar meteen wat in. Enerzijds kon hij zo zijn eerste soundtrack schrijven, anderzijds bevrijdde hij zo de jazz van het ‘voor films ongeschikt’ keurslijf. Tot dan werd er wel jazz gebruikt, maar meestal als losse snippers en niet als totaalmuziek. Nu kon hij zich helemaal uitleven in muziek in alle emoties laten horen. Lewis ging aan de slag, maar moest de tijd delen met tournees van het Quartet en zijn eigen beschikbaarheid. Ondanks het feit dat de soundtrack geschreven is over een langere periode komt die heel coherent over. De opnames vinden plaats op 4 april 1957 in New York. Nadat de film première geweest was voerde het Modern Jazz Quartet de zes stukken die voor de film geschreven waren tijdens een concert in New York uit. De muziek was anders, complexer dan wat de groep eerder had laten horen, maar het beviel hun, maar ook het publiek goed. Die stijl van componeren bleef daarom een onderdeel van de stijl van het Quartet.
In 1958 bracht Atlantic een mono-lp uit ‘No Sun in Venice’, met de zes stukken in een, in mijn optiek, niet heel fraaie of gepaste hoes. In Frankrijk werd het album uitgebracht als ‘Sait-on-Jamais’ door Versailles in een iets andere, meer even lelijke hoes. In 1960 brengt Atlantic een Franse versie op de markt in een meer passende verpakking, maar die blijkt – helaas – eenmalig.

Terug naar Parijs. Malle is jong en progressief. ‘Ascenseur pour l’échafaud’, zijn eerste speelfilm, is gebaseerd op een boek van Noël Calef en gaat vooral over Florence Carala. Zij is de echtgenote van Simon, een rijke industrieel. Florence heeft een geheime minnaar, ene Julien Tavernier. Ze overtuigt hem ervan haar man te vermoorden. Dat plan lukt, maar meteen na de moordpartij komt Tavernier vast te zitten in de lift in het gebouw van Simon Carala. Op dat moment wordt zijn auto gestolen door een stelletje op zoek naar avontuur. Ondertussen is Florence ’s nachts in de regen (natuurlijk) op zoek naar Julien en kan hem niet vinden. De triestheid van dat moment wordt perfect vertolkt door Miles Davis. De hoofdrol wordt gespeeld door Jeanne Moreau, haar eerste hoofdrol en meteen haar doorbraak. Moreau was nogal eigenzinnig en wilde alleen ‘au naturel’, zonder opmaak, in een film spelen. Juist dit element zorgde voor het succes.
Misschien nog meer dan de film leeft de muziek. De relaxte Davis kwam in de studio samen met Barney Wilen (tenorsax), René Urtreger (piano) en Pierre Michelot (bas). Dat waren op dat moment Parijs’ topmusici die reeksen plaatopnames gemaakt hadden in allerlei bezettingen. Kenny Clarke, drummer van Davis zorgde voor het slagwerk. De opnames vonden ’s avonds plaats op 4 en 5 december 1957 in La Poste Parisien Studio. Aan alles was gedacht, Moreau was zelf in de studio en had het, volgens allerlei foto’s, vooral druk met Davis. Davis wist al van tevoren wat hij wilde. Hij had al takes gezien en in de hotelkamer een en ander uitgedacht. Hij improviseerde in de studio zijn muziek bij de filmbeelden die op dat moment afgespeeld werden en gaf de musici om hem heen minimale aanwijzingen. Eenzelfde strategie zou hij gebruiken voor zijn volgende albums: ‘MIlestones’ en ‘Kind of Blue’. Maar Malle, zelf natuurlijk ook aanwezig, wist wat hij wilde, soms alleen bas en drums, dan weer een stuk met trompet. De muziek stond zo op band, dat heb je met topmusici. Zowel film als muziek werden geloofd. Malle kreeg alle eer en ontving voor zijn film de ‘Prix Louis Delluc’; een jaarlijkse prijs voor de beste, Franse film. Zijn film valt inmiddels onder de noemer ‘neo noir’. Al die hokken ook…
Davis kreeg en krijgt nog steeds de eer voor zijn sfeervolle, soms wel heel trieste muziek. Criticus Ebert schreef hierover: “An improvised Jazz score by Miles Davis seems to belong to the night as much as she does.”
Fontana bracht de muziek uit op 10”, een ‘ten inch’. Een normale lp is 12”, dit is dus een iets kleiner formaat. In Amerika werd het de helft van een album voor Davis’ nieuwe platenmaatschappij Columbia: ‘Jazz Track’. De andere kant werd gevuld met drie tracks met nieuw werk. De Amerikaanse versie werd genomineerd voor een Grammy Award.
Fontana bracht in 1988 een speciale editie uit op cd met daarop alle takes en de tracks zonder de extra toegevoegde ‘reverb’, galm of echo, die te pas en te onpas aan muziek wordt toegevoegd. De muziek blijkt tijdloos en ook zonder filmbeelden hoort die zonder meer in de veelkleurige, muzikale rij van Davis’ albums.

Eén jaar eerder kwam de eerste cd in deze reeks van vier op de muziekmarkt: ‘Un témoin dans la ville’ (Nederlands: een getuige moet verdwijnen), nu gekoppeld aan ‘Jazz sur Seine’.
Het verhaal van Edouard Molinara’s film ‘Un témoin dans la ville’ bewandelt een beetje dezelfde weg als ‘Ascenseur pour l’échafaud’. Pierre Verdier, een rijke industrieel vermoord zijn minnares, Jeanne Ancelin, door haar uit een rijdende trein te duwen. Jeanne’s man wil daarop wraak nemen, zeker als duidelijk wordt dan Verdier door Justitie wordt vrijgesproken. Ancelin wacht op Verdier in diens huis en hangt hem op. Hij verdwijnt ongezien, tenminste, dat was de bedoeling. Hij wordt echter gespot door een taxichauffeur met als gevolg dat ook die uit de weg geruimd moet worden.

De soundtrack past perfect bij de beelden, zelfs als je in de film slechts fragmenten van die muziek hoort. Alle muziek op ‘Un témoin dans la ville’ is gecomponeerd én gespeeld door de Franse virtuoos Barney Wilen (1937-1996).
Wilen was een nogal eigenzinnige jazzmuzikant. Misschien wel omdat zijn vader ‘uitvinder’ was? Eigenlijk was die, Amerikaan van geboorte, tandarts, maar werd uitvinder. Een vriendin van moeder moedigde Wilen aan in clubs te gaan spelen en dat deed hij ook, vooral in Nice. Daar komt de tiener, wiens tenorsax bijna even groot is als de bespeler ervan, in contact met baritonsaxspeler Jay Cameron. Een mooie combinatie. Uiteindelijk staat Wilen wel mooi naast Cameron op diens eerste opnamebijdragen voor de 10” lp van Roy Haynes: Roy Haynes Modern Group (1955) én naast hem bij zijn eigen 10”: Jay Cameron's International Sax-Band: ‘Jay Cameron's International Sax-Band’ (1955). Dat ‘international’ moet je ruim zien, want naast Cameron is iedereen Frans. Wilen is op dat moment zeventien jaar jong, maar begint te twijfelen en keert daarom terug naar huis, onbewust van het feit dat hij was gespot. In diverse jazzbladen werd lovend over hem gesproken. Het gevolg was dat hij in 1956 Frankrijk vertegenwoordigde bij het International Festival te San Remo. Nog weer een fase verder moest de politie vaker ingrijpen als Wilen concerten gaf. Het zijn Beatles-taferelen avant-la-lettre, want talloze fans schreeuwen en verdringen zich met in hun handen handtekeningboekjes. In 1957 maakt Wilen zijn eerste, eigen lp: ‘Tilt’ Een volwaardige lp, maar wel nog in mono. Weinig eigen werk nog. Het zijn vooral jazz Standards, een hele kant met werk van Thelonious Monk en verder twee stukken van Dizzy Gillespie. Maar toch, hij was nu wel de ‘leider’. De hoestekst is geschreven door een bekende: Marcel Romano.
In 1957 kwam Romano dus in contact met Davis bij de voor Davis geplande Europese tournee. In de jaren vijftig was het heel gebruikelijk dat een Amerikaanse, die vooral, jazzmuzikant alleen naar Europa kwam om daar mee te spelen met beschikbare én geschikte musici. In Frankrijk was dat de groep die we tegenkomen bij ‘Ascenseur pour l’échafaud’. In Nederland moet je denken aan de groep rondom pianist Pim Jacobs, met diens broer Ruud op bas en John Engels op drums. Soms speelde Han Bennink mee. Denk hierbij ook eens aan het laatste album van Eric Dolphy, waar die werkt met Bennink, Jacques Schols (bas) en Misha Mengelberg (piano).
Na die opnames met Davis schreef Wilen (hij speelde overal mee ook) binnen een half jaar meerdere soundtracks als ‘Un témoin dans la ville’, ‘Jazz sur Seine’ en ‘Les Liaisons Dangereuses’. In de jaren zestig raakte Wilen geïnteresseerd in rock’n roll en popmuziek en maakte hij een album opgedragen aan Tmothy Leary, de LSD-goeroe. Na de pop bemoeide WIlen zich met Punkmuziek. Later ‘bekeerde’ hij zich toch weer tot zijn eerste liefde, de jazzmuziek. Hij stierf aan kanker op jonge leeftijd, 59 jaar. Voor ‘Un témoin dans la ville’ werden Kenny Dorham (trompet) en Duke Jordan (piano) uitgenodigd. Drummer Kenny Clarke was er al, net als bassist Paul Rovere. Rovere was een zeer ervaren sessiekracht. Eigenlijk was Wilen de jongste van het stel. Maar door zijn succes met Davis en bij ‘Ascenseur pour l’échafaud’ werd hij alom gewaardeerd, zowel in Frankrijk als Amerika.

Op de cd ‘Un témoin dans la ville’ (1987) krijgen we er een extra album bij: ’Jazz sur Seine’. Dat album stamt uit 1958 en is opgenomen door Barney WIlen (tenorsax), Milt Jackson (piano!), Percy Heath (Bas), Kenny Clarke (drums) en Gana M’Bow (percussie op twee tracks). De jazzliefhebber ziet meteen dat hier driekwart van het Modern Jazz Quartet aanwezig is. Misschien nog opmerkelijker is het feit dat vibrafonist Jackson hier exclusief en alleen piano speelt!
Producer van dit album is Marcel Romano. Daar is hij weer. Hij blijkt in deze periode een sleutelrol te spelen bij de meeste jazz-albums. Van de twaalf tracks zijn er vier van Django Reinhardt, vier van Charles Trénet, twee van Wilen zelf, een van Raymond Fol en een van Thelonious Monk.
Overigens geen film hierbij, maar wel muziek in de juiste geest van die tijd. Die film maak je natuurlijk zelf, in je hoofd.

Art Blakey met zijn jazz Messengers was een graag gezien gast in Parijs. In december 1958 zorgde hij voor de muziek bij de film ‘Des femmes disparaissant’ (Engels: The Road to Shame) van Edouard Molinaro en een jaar later voor ‘Les liaisons dangereuses’ van Roger Vadim.
Ik begin met ‘Des femmes disparaissant’ en opnieuw komen we Marcel Romano tegen. Hij regelde de sessie met Blakey en hield ondertussen een oogje in het zeil bij het hele gebeuren. Het is de eerste keer dat Blakey and the Jazz Messengers in Europa zijn. Daniel Filipacchi had in New York een ontmoeting gehad met Romano en bij die gelegenheid Blakey aan hem voorgesteld. Romano aarzelde geen seconde en boekte hem meteen voor een reeks concerten in Europa. Blakey’s concerten waren een enorm succes. Vooral de intensiteit die vrijkwam bij die concerten. Die is goed te horen op het album dat in 1959 verscheen: ‘Olympia Concert’ (Fontana, 1959). Het zijn opnames gemaakt op 22 november en 13 december 1959 in Parijs. Het is dezelfde periode en dezelfde band ook die de opnames maakt voor de film: Art Blakey (drums), Bobby Timmons (piano), Lee Morgan (trompet), Benny Golson (altsax) en Jimmy Merritt (Bas). Golson trad op als muzikaal leider, hij had immers ruime ervaring met arrangeren. Onder diens leiding was de muziek voor de film snel geregeld. Binnen een paar uur was het gedaan. Dat kwam ook omdat er gebruik gemaakt werd van het werk dat zo op dat moment al speelden. Drie stukken waren nieuw, allemaal bluesstukken: ‘Blues pour Doudou, Blues pour Marcel en Blues pour Vava’. De titels zijn gekozen naar aanleiding van de filmrollen.
Art Blakey speelde in deze periode hard-bop. Die stijl wordt omschreven als een mix van Afrikaans-Amerikaans met nadruk op elementen uit de rhythm & blues, blues en gospel. Prominent aanwezig in deze stijl is het saxofoon- en pianospel. In deze stroming kom je musici tegen als: Horace Silver, Clifford Brown, Charles Mingus, Cannonball Adderley, Miles Davis, John Coltrane, Hank Mobley, Thelonious Monk en Tadd Dameron. De combinatie hard-bop en film was nieuw, maar het publiek kon het wel waarderen. Net als de eerder genoemde films paste de wat onrustige, stuwende muziek uitstekend bij de beelden en het plot van ‘Des femmes disparaissant’.

Dat plot: Jonge meisjes worden gelokt naar overdadige cocktailparty’s in luxe en chique villa. Daar worden ze vervolgens gevangen genomen en als slavin of prostituee verkocht. Een van de vrienden, Pierre Rossi, de verloofde van een van de meisjes, Béatrice, ruikt onraad, volgt zijn vriendin en wordt vervolgens aangevallen door Tom en Nasol, Zijn identiteitspapieren worden van hem afgenomen. Later in de film wordt Nasol om zeep gebracht door Quaglio, een van de kopstukken. Die laat Nasol achter in een garage voorzien van Pierre’s papieren. Die, ondertussen, zit niet stil, is Tom gevolgd, tot bij de villa en realiseert zich wat er zich binnen afspeelt. Hij waarschuwt de politie die vervolgens de villa omsingelt…

Bij de 1988 cd-versie van ‘Des femmes disparaissant’ krijgen we er zomaar een extraatje bij in de vorm van vijf tracks voor de film ‘Les Tricheurs’ (Nederlands: Zondaars in Spijkerbroek/Engels: Young Sinners/Italiaans: Peccatori in blue-jeans). Het is een Frans/Italiaanse samenwerking onder regie van Marcel Carné. Jean Paul Belmondo speelt in deze film een van zijn eerste filmrollen. In Frankrijk keken meer dan vier miljoen mensen naar de film, die daarmee op de vijfde plek van film van het jaar kwam. In Zwitserland was het de best bekeken film van het jaar.
‘Les Tricheurs’ werd gemaakt door Marcel Carné en handelt over Bob Letellier, een kind van rijke ouders. Hij studeert natuurkunde en ontmoet ene Alain, een immorele cynicus, die hem meeneemt naar Saint-Germain-des-Prés en vooral de existentialistische beweging daar. Bob wordt vervolgens uitgenodigd voor een feestje waar hij Clo ontmoet. Door een erfenis is zij welvarend en rijk. Natuurlijk wordt Bob haar minnaar…

De jazzmuziek bij ‘Les Tricheurs’ is een samenstelling van verschillende ensembles: vier tracks met de groep van Oscar Peterson en gasten en één extra track met Lionel Hampton in kleine setting. De originele soundtrack (Barclay, 1958) was een 7”EP, een ‘verlengde’ single met aan elke kant twee stukken. Voor alle stukken bestond de ‘vaste’ band uit: Oscar Peterson (piano), Herb Ellis (gitaar), Ray Brown (bas) en Gus Johnson (drums). Op de titeltrack komen daar Stan Getz (tenorsax) en Roy Eldridge (trompet) bij. Getz en Eldridge zijn tevens de componisten. ‘Clo’s Blues’ is gecomponeerd door Coleman Hawkins die hier als gast meespeelt op tenorsax. Bij ‘Phil’s Tune’ is dat Roy Eldridge (trompet) en ‘Mic’s Jump’ tot slot heeft als gastmuzikant en -componist Dizzy Gillespie. Producer is de bekende jazzpromotor Norman Granz. Het is een beetje de stal en stijl van ‘Jazz at the Philharmonics’. Deze vier tracks zijn opgenomen in Parijs op 5 januari 1958. Historisch gezien klopt dat, want de ‘JATP’, zoals Granz’ serie kortweg genoemd werd, trok in 1958 door Europa: Stockholm, Denemarken, Amsterdam, Brussel, Parijs, Wenen, Duitsland. Van diverse concerten zijn albums uitgebracht.
Bijzonder is de bonus; ‘Crazy Hamp’, opgenomen op 30 oktober 1958 in Parijs. Een kleine groep bestaande uit: Lionel Hampton (drums), Milton Mezzrow (klarinet), André Persiany (piano) en Buddy Banks (bas).

‘Les Liaisons Dangereuses’ is de laatste in het ‘kwartet’. De film is van Roger Vadim. Basis voor de film vormt de roman van Pierre Choderlos de Laclos uit 1782. Vadim teletransporteerde de setting naar zijn eigen tijd, de jaren zestig. Het werd één groot schandaal en de film werd in eerste instantie verboden. Later werd dat wat bijgesteld tot jongeren onder de zestien. De hoofdrol werd vertolkt door Annette Stroyberg, de net nieuwe vrouw van Vadim. De mannelijke hoofdrolspeler was Gérard Philipe. Die overleed plotseling een aantal maanden na de opnames.
Het verhaal: Valmont en Juliette zijn een leuk jong stel. Maar ze zijn wel een beetje vreemd. Hun geluk wordt groter als dat van anderen afneemt. Beide hebben dan ook verschillende, seksuele affaires buiten hun relatie om en vertellen elkaar daar uitgebreid over. Valmont gaat daarom heel bewust op de verleidingstoer: zijn nichtje en dan een andere, jonge vrouw. Er is één regel in hun spel: “wordt nooit verliefd!”. Dan komt Valmont tijdens een skivakantie Marianne tegen… Genoeg sensatie voor één film dus.
De film mocht niet geëxporteerd worden, omdat de toenmalige Franse maatschappij in de film niet heel rooskleurig werd weergegeven. In 1961 werd de ban opgeheven na ingrijpen van de Académie Française. Omdat die vond dat de film door de banvloek nu ‘ontwijdt’ was, werd de naam veranderd in ‘Les Liaisons Dangereuses 1960’.
In New York was er een religieus getinte rel. Nadat de film al drie weken te zien geweest was werd hij door de commissaris van de politie plotseling verboden; er was een stroom brieven met klachten binnengekomen. Het bleek een vooropgezette actie van de Katholieke kerk daar. Na tien dagen draaide de film weer onder het motto van ‘contractuele verplichtingen’.

Wederom onder supervisie van Marcel Romano maakte Art Blakey met zijn Messengers de gepaste muziek bij ‘Les Liaisons Dangereuses 1960’. Dat ging dit keer heel anders dan bij ‘Des femmes disparaissant’. Werd de muziek daarvoor nog in Prijs opgenomen en bestond die vooral uit bestaand werk, de muziek voor ‘Les Liaisons Dangereuses’ werd in New York opgenomen en werd allemaal speciaal voor de film gecomponeerd. Maar dat ging niet helemaal zoals bedacht.
Vadim vroeg opnieuw aan Romano muziek te regelen voor zijn nieuwe film. De eerste keer was dus voor ‘Sait-on jamais’, waarbij opnamen van het Modern Jazz Quartet gebruikt waren. De bedoeling was dat Thelonious Monk voor een deel de muziek zou maken voor ‘Les Liaisons Dangereuses’. Monk was een geliefde dwarsligger, vernieuwer en zou in Parijs optreden. Helaas ging Monk’s Europese tournee niet door. Daarop vloog Romano naar New York en maakte in juli 1959 opnames met Monk. Wilen was al in Amerika voor optredens voor het befaamde New Port jazz Festival en sloot aan. Monk’s Quintet bestond nu uit, naast Monk: Wilen (tenorsax), Charlie Rouse (tenorsax), Sam Jones (Bas) en Art Taylor (drums). Hier gold dat Monk speelde wat hij op dat moment aan composities sowieso al speelde. Delen van de muziek werd gebruikt in de film, maar vreemd genoeg nooit op lp of cd uitgebracht. Tenminste….
Een paar dagen later nam Romano muziek op met Art Blakey voor dezelfde film. De muziek werd dit keer special gecomponeerd en wel door Jacques Marray, oftewel Duke Jordan. Jordan was pianist en had gespeeld in bands als die van Coleman Hawkins, Charlie Parker, Miles Davis, Sonny Stitt en Stan Getz.
Op de meeste tracks spelen Blakey, Lee Morgan (trompet), Bobby Timmons (piano), Jimmy Merritt (bas) en Wilen (tenorsax). Op twee tracks horen we ‘Art Blakey and the Afrocuban boys’: Timmons (piano), Merritt (bas), John Rodriguez (bongos), Tommy Lopez en William Rodriguez (congas) en Blakey zelf (drums). Eén track is voor het ‘Art Blakey & Barney Wilen Quartet’: Wilen (sopraansax), Blakey (drums), Merritt (bas) en Duke Jordan (piano).
Leuk al die opnames, maar als je in de film een zogenaamde ‘party scene’ ziet met jazzgroep zie je andere mensen dan je hoort. Je ziet Kenny Dorham, Jordan, Wilen, Blakey en Merritt. Maar je hoort Lee Morgan op trompet. Jazz is een beweeglijke soort muziek. Zo bestonden de ‘Afrocuban Boys’ alleen voor en bij deze opnames. Wilen’s keus voor sopraansax valt hier ook op, die bespeelt hij bijna als eerste, nog voordat John Coltrane of Steve Lacy die ‘ontdekt’ hebben.
Hoe dan ook, de muziek is uitstekend. De soundtrack kwam uit in 1960, op lp met negen tracks. Bij de cd-release krijgen we een bonustrack: ‘No Hay Problema (2nd version) van de ‘Afrocuban Boys’. De voorkant is aangepast, inclusief nieuwe naam, die met ‘1960’ toevoeging. De originele voorkant is afgebeeld op de achterkant van het cd-boekje. Een beetje retro-fanatiekeling kan het boekje dus eventueel omdraaien voor de originele ‘looks’.

Hiermee zou dit verhaal eigenlijk afgerond zijn, maar het krijgt een onverwacht staartje en wel uit 2017. In dat jaar brengt Sam Records de originele opnamen van ‘Les Liaisons Dangereuses’. met Thelonious Monk uit! De opnames waren goed bewaard en tot 2017 opgeborgen, zeg maar gewoon ‘vergeten’. Het hele verhaal is in het flinke boekwerkje bij de twee-cd-set te lezen. Op de cd’s vinden we inderdaad bekende Monk-titels als ‘Rhythm-a-Ning, Crepescule with Nellie, Pannonica en Well You Needn’t’. Daarmee is muziek uit de film, bedoeld voor de film uit 1960 voor het eerst uitgebracht. Dat feit is best bijzonder te noemen en er werd dan ook veel aandacht aan besteed.

Meer in dit kader: Moochinabout bracht in 2013 een box, ‘Jazz on Film, The New Wave’ uit met daarin zes cd’s en een fraai boekwerkje. Op die zes cd’s heel wat jazzmuziek van de ‘La Nouvelle Vague’; The new wave. Alles uit het verhaal hierboven, maar ook andere jazzfilmmuziek. Twee jaar later kreeg de box gezelschap van ‘The New Wave II’, nu acht cd’s en kloek boek met nog veel meer jazz uit de films in deze periode. Alleen beperken de makers zich dit keer niet meer tot Frankrijk, maar krijgen we ook jazzmuziek van films uit Engeland en Zwitserland erbij. Natuurlijk is Barney WIlen present, maar ook Dizzy Reece, Michel Legrand, Donald Byrd, George Gruntz en vele anderen. Beide boxen zijn prachtige verzamelsets en meer dan de moeite waard.

Het ‘cd-kwartet’ waar ik dit verhaal mee begon, blijkt zo inderdaad wel meerdere lagen en subverhalen te hebben. Ondanks al die interessante zijpaden blijven ‘Ascenseur pour l’échafaud’, ‘Des Femmes Disparaissant/Les Tricheurs’, Les Liaisons Dangereuses 1960’ en ‘Un témoin dans la ville/Jazz sur Seine’ staan als een legendarisch, historisch viertal. Vier vertegenwoordigers van een ommekeer in het gebruik van jazz in filmmuziek, maar ook voor een heel nieuwe stijl van film maken genoemd als ‘La Nouvelle Vague’.