logo van The Lemontree

Karmozijnen Feniks

omschrijving afbeelding

Een van de eerste concerten van King Crimson zette de band meteen op de kaart en maakte meer indruk dan dat van hoofdact The Rolling Stones.

Velen zien King Crimson als het begin van de progressieve rockmuziek. Er was niet eerder muziek zoals deze band die liet horen. Daarna eigenlijk ook niet…

King Crimson maakte tal van personeelswisselingen mee, ging door diepe dalen, stopte regelmatig, maar leefde steeds weer op onder het ‘regiem’ van ‘The Vicar’. De aanvankelijk stille man in de hoek bleek uiteindelijk de Koning zelf.

Officieel maakte de band tot nu toe dertien studioalbums. Daar bleef het niet bij. Als ik dit schrijf loopt het aantal richting de driehonderd. Waar te beginnen? Dit verhaal biedt een overzicht en is - geheel in stijl - een 21e Eeuwse Gids in het land waar de Karmozijnen Koning al meer dan vijftig jaar heerst.




King Crimson is een vibrerende eenheid die alleen bestaat als de muziek lonkt naar Robert Fripp. Dat is een beetje zoals de niet te weerstane lokroep van de ‘Seirēnes’; de maagden met het lichaam van een vogel en het hoofd van een vrouw. Ze verleidden varende voorbijgangers met hun zang en erotische geluiden. Afgeleid loopt het schip dan meestal op de klippen, waardoor de Seirēnes zich kunnen voeden met de levenssappen van de aanwezigen. Zo ook met de Karmozijnen Koning, de muziek verleidt, vervolgens wordt de energie eruit gezogen. Daarmee verdwijnt inspiratie en creativiteit en is het over. Vervolgens herrijst de band gelijk een feniks uit haar as met nieuw elan en dito leden. Dat is het beeld van de grillige regeerperiodes van deze koning in een notendop. Er bestaat niet één King Crimson, het zijn er meer, maar steeds onder leiding van gitarist Robert Fripp. King Crimson bestaat sinds 1968 en heeft ‘slechts’ dertien studioalbums gemaakt met daarnaast een niet te stuiten cascade aan live-albums. ‘In the Court of the Crimson King’, het eerste album, wordt algemeen gezien als het startpunt voor de progressieve rock, Er was geen enkele andere groep die zo klonk als King Crimson. Hoog tijd voor een buiging richting deze majesteit.

De geboorteplek ligt in Bournemouth, Engeland rond augustus 1967. In Bournemouth woont de familie Giles en daarmee de twee broers Giles, Michael (1942- /drums) en Peter (1944- /basgitaar). Beide broers speelde in de band Trendsetter Ltd., maar waren zoekende. Ze zochten nog een organist die tevens kon zingen. Robert Fripp (1948- /gitaar, keyboards) die nog nooit orgel had gespeeld maar best redelijk gitaar speelde, leek het wel wat. Ze oefenden samen, namen tapes op en na enige weken vroeg Fripp of hij nu in de groep zat. Michael antwoordde hem: “Well let’s not be in too great hurry to commit ourselves to each other.” Na de zomer trok het drietal naar Londen. Daar zat elke platenmaatschappij te springen om nieuw talent en na het horen van de tapes kregen ze dan ook een contract bij Decca’s ‘progressieve sublabel ‘Deram’. De band werd simpelweg: Giles, Giles & Fripp genoemd. In 1968 verscheen een eerste single: ‘One in a Million/Newly-weds’. Die werd nauwelijks gedraaid en omdat de groep niet live speelde was het snel voorbij met de single.
Inmiddels was het trio uitgebreid met een vierde man: Ian McDonald (1946- /saxen, fluit) en als vijfde een vrouw, McDonalds vriendin: Judy Dyble (1949-2020), voormalig zangeres van Fairport Convention. Dyble bleef kort, maar liet wel enkele sporen na. In haar plaats kwam schrijver Pete(r) Sinfield (1943- /schrijver). Op het eerste en enige album van Giles, Giles & Fripp: ‘The Cheerful Insanity of Giles, Giles & Fripp’ (1968) waren die allemaal nog niet te horen. GG&F kreeg echter wel assistentie van enkele studiomusici, The Breakaways (zanggroep) en pianist Nicky Hopkins (vooral bekend van The Rolling Stones). Giles, Giles & Fripp klinken op het eerste gehoor als een band uit de tweede helft van de jaren zestig: ‘poppy’ met een psychedelisch randje en overgoten met een sausje van strijkers. Maar onder dat laagje hoor je al lange, soms Spaans aandoende gitaarsolo’s van Fripp. En dan dat verhaal. ‘The Saga of Rodney Toady’ dat zo van Monty Python zou kunnen zijn. Al met al leverde het een grillig, ongrijpbaar geluidsbeeld op dat niet landde bij potentiële fans of liefhebbers. In November 1968 was het dan ook voorbij en werd gekeken hoe verder. Peter Giles ging aan de slag als computeroperateur, maar in ‘The Gods’ speelde ene Greg Lake (1947-2016/basgitaar, gitaar). Misschien was hij wel wat voor een nieuwe band? Langzaamaan begonnen de contouren van wat King Crimson zou worden zich af te tekenen. Dat is vooral goed hoorbaar op de in 2001 uitgebrachte cd van Giles, Giles & Fripp: ‘The Brondesbury Tapes (1968)’. Daarop horen we McDonald en Dyble wel en staat één track, hier met zang van Dyble, die we in de nabije toekomst vaker zouden gaan horen: ’I Talk to the Wind’,. Opvallend is ook ‘Why Don’t You Just Drop In’, dat pas in 1971 weer zou opduiken op het album Islands, maar dan als ‘The Letter’. Beide Giles, Giles & Fripp albums zijn onmisbaar in het verhaal van King Crimson.

In november 1968 is Giles, Giles & Fripp ter ziele om bijna naadloos over te gaan in King Crimson. De roerige jaren ’68 bieden een goede voedingsbodem voor de door Sinfield bedachte naam. De naam van een koning in een land vol onrust en protesten die niet vies is van bloedbaden. Hoezo politiek beladen?
Even de tussenstand. In de groep zitten in 1968: Michael Giles (drums, percussie), Greg Lake (Bas, zang), Robert Fripp (gitaar), Pete Sinfield (teksten, licht) en Ian McDonald (saxen, fluit, keyboards). Ian McDonald was niet alleen een uitstekend muzikant, hij bracht nu de meeste composities in. Sinfield de teksten. Als je naar de vijf stukken van het eerste album kijkt zie je dat enigszins terug. Niet dat de rest niets bijdraagt, dat doen ze zeker. McDonald: “Omdat mensen verschillend zijn, brengen ze andere invloeden mee. Fripp luistert veel naar klassiek en met name Béla Bartók, Mike Giles is van de jazz, Lake meer van de ‘heavy’ dingen. Ik zelf zit daar een beetje tussenin.”
Sinfield ontwierp voor de band en lichtshow, genaamd ‘Sounds & Visions’. Lichtshows waren in navolging van bands als Pink Floyd op dat moment een populair element bij liveoptredens. De muziek die langzaamaan ontstond ontsteeg die van het eenvoudige poplied, werd wat steviger en vroeg om een soort orkestrale ondersteuning. Een orkest is een stap te ver, maar dat goddelijk instrument, de Mellotron, bracht het orkest letterlijk onder handbereik. De Moody Blues hadden er al een en met dat idee kocht King Crimson er ook één en later zelfs een tweede. De band ging er goed tegenaan, alle muziek die makkelijk klonk werd verworpen. Sinfield: “If it sounded at all popular, it was out. So it had to be complicated, it had to be more expansive chords, it had to have strange influences. If it sounded, like, too simple, we'd make it more complicated, we'd play it in 7/8 or 5/8, just to show off". McDonald: “When we started nobody knew what was going to happen. We just knew it had to be good and it had to be different!”
De band, met een handvol try-outs achter de rug werd gevraagd voor het voorprogramma van het ‘free concert’ van The Rolling Stones in Hyde park (5 juli 1969). Ze stonden er naast Third Ear Band, Alexis Korner’s band New Church, Family en Battered Ornaments. Het concert was georganiseerd door de Stones om daar hun nieuwe gitarist Mick Taylor voor te stellen. Twee dagen voor dit concert echter werd hun ex-gitarist/componist Brian Jones dood aangetroffen in zijn zwembad. Dat veranderde de aard van het concert drastisch. Misschien dat er daarom tegen de half miljoen bezoekers waren? Voor King Crimson een fikse vuurdoop, want tot nu toe hadden ze slechts in kleine zalen gespeeld. Daar hadden ze wen indruk achter gelaten en dat was de reden dat ze hier stonden. Maar bijna niemand kende de groep nog, bovendien hadden ze niet eens een album gemaakt. Gastheer Sam Cutler introduceerde de band met de – achteraf historische - opmerking: “the new band is gonna go a long way". De nieuwe band speelde vervolgens: ‘21st Century Schizoid Man, The Court of the Crimson King, Get Thy Bearings, Epitaph, Mantra, Travel Weary Capricorn en Mars’. Nog tijdens hun optreden raakte het publiek aan de kook. Hier gebeurde iets bijzonders, dat was nieuw, ongehoord, spannend, deze muziek was zo anders dan wat men kende. Het was dan ook een sensationeel optreden, waarbij dat van The Rolling Stones toch wat bleek afstak. De koning was met een ferme tik van zijn scepter begonnen aan zijn eerste regeerperiode.

‘In the Court of the Crimson King’, het eerste album, werd in oktober 1968 uitgebracht. Als de muziek al niet indrukwekkend was, was het de opvallende hoes van Barry Godber wel. De roze-paarse tekening van een van schrik vertrokken gezicht met grote mond en neusgaten is hoe dan ook een enorme ogenvanger (eyecatcher). Een icoon in het land van platenhoezen. Ondanks het feit dat er geen naam of titel op staat meteen herkenbaar. Fripp: “Peter brought this painting in and the band loved it. The face on the outside is the Schizoid Man, and on the inside it's the Crimson King. If you cover the smiling face, the eyes reveal an incredible sadness. What can one add? It reflects the music.” Die droevigheid was wellicht die van Godber zelf? Een paar maanden na het maken van de hoes overleed die aan een hartaanval.
Pete Townsend, gitarist van The Who, noemde het album bij release een “uncanny masterpiece”. Dat is het zeker. Het is ook een album dat bestand blijkt tegen de tijdgeest. De openingstrack ‘21st Century Schizoid Man’ klinkt vijftig jaar later nog net zo urgent. Als je de ‘song’ uitgevoerd hoort door de meest recente editie van de band klinkt die alsof die net gemaakt is. Dit album en genoemde track zijn – geschiedkundig – een van de signatuurwerken van King Crimson geworden. Niet dat anderen slechter zijn, maar deze was meteen een rake.
King Crimson’s muziek is een amalgaam van rock, jazz, folk zelfs, met een flinke poot in de traditie van de Europese klassieken. Zou je alleen ‘I Talk to the Wind’ en ‘Moonchild’ horen, dan zou je bijna denken dat je te maken hebt met een experimentele folkband, met wat ‘etherische’ geluiden.
‘Epitaph’ gaat, gezien de opbouw en vooral die magistrale Mellotron, al meer richting een symfonie. De drie genoemde tracks zijn ingebed in het ‘geweld’ van ‘21st Schizoid Man’ en ‘The Court of the Crimson King’. Die gingen een stap verder dan de nu toch best lief klinkende Moody Blues. King Crimson was op een missie met een enorme passie en een bijna Wagneriaanse strijd. Fripp: “I tend to fall more for extremes in music… the brakes are off.” Op het eerste gezicht leek Ian McDonald met zijn arsenaal instrumenten – saxen, fluit, vibrafoon, keyboards, Mellotron en zang – de belangrijkste componist. Zijn naam staat achter alle tracks, maar de echte vorst hield zich nog wat op de achtergrond.
‘In the Court of the Crimson King’ is herhaalde malen opnieuw uitgebracht en bewerkt. De laatste versie, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag, door Steve Wilson. Volgens hem benadert die versie de originele het meest. Het album wordt algemeen gezien als een van de eerste in de sector ‘progrock’. Rolling Stone, het magazine, zet het op nummer twee als ‘greatest progressive rock album of all time’. Nummer één is ‘Dark Side of the Moon’ van Pink Floyd, dat kon eigenlijk ook niet anders toch?

Na enkele tournees door Europa en Amerika kwam de Koning in zwaar weer. Zowel McDonald als Giles verlieten King Crimson. Als reden daarvoor werd aangegeven dat de muzikale inzichten nogal verschilden. Fripp: “When I read interviews with old bandmates, they suggested that the difficulty lies with me. And I agree with that.” McDonald’s en Giles’ visie was te horen op ‘McDonald and Giles’ (1970). De twee heren met armen om hun toenmalige vriendinnen kijken blij op de hoes in infraroodsetting. Het zou een vervolg kunnen zijn op het pad van de koning, maar dit album klinkt daarvoor te vriendelijk. De harde hand van de koning die bloed wil zien ontbreekt. Eigenlijk is het een album in trio-setting met broer Peter op bas. Steve Winwood (piano op een track) en Michael Blakesley (trombone op een track) zijn te gast. Het is het enige album onder de naam van dit duo. Voor de liefhebbers van een oude stijl King Crimson is het een ‘must’, maar voor het ‘echte’ werk moet je toch bij ‘In the Wake of Poseidon’ zijn.

Er moest nog een tweede album komen, maar met twee vertrekkende leden was dat lastig. Het werd nog lastiger toen Greg Lake gevraagd werd voor de nieuw op te richten groep van Keith Emerson. Die twee heren konden het goed met elkaar vinden en de vraag lag voor de hand. Onder de naam Emerson, Lake en Palmer, of kortweg ELP, zouden die hun weg naar roem vinden. Fripp was nu in zijn eentje en daarmee de Koning zelf. Stiekem was hij dat al, want in de afgelopen periode was hij steeds duidelijker naar voren getreden als woordvoerder en stuurman. Hij had bij het vertrek van McDonald en Giles geopperd om zelf te vertrekken, maar die vonden Fripp ook al meer King Crimson dan zijzelf.

Fripp wist Lake nog wel te strikken voor de zangpartij voor het tweede album. Lake kreeg daarvoor een aparte beloning, namelijk de PA (de geluidsinstallatie) van de band. Gordon Haskell (1946- /basgitaar, gitaar, zang), een oude schoolvriend van Fripp, werd zijn vervanger, al zou hij voor dit album maar op één track te horen zijn. Even was overwogen om Elton John te vragen als zanger, maar dat idee werd snel losgelaten. Beide Giles-broers keerden terug, maar nu als gastmuzikant. Ex-Circus Mel Collins (1946- /saxen, fluiten) werd de tijdelijk ‘blazer’. Keith Tippett (1947-2020/piano, componist) werd door Fripp niet alleen gevraagd als gastmuzikant, maar ook als permanent lid. Tippett, een echte en vrije jazzman vond één band iets te beperkt. Wel drukte hij een flink stempel op het geluid van King Crimson. Sinfield kreeg een grotere rol als tekstschrijver, maar legde zich ook toe op het spelen van de synthesizer.
Met dit gezelschap kwam het tweede album, ‘In the Wake of Poseidon’ (1970), toch nog van de grond. Het laat zich beluisteren als een spiegel van het eerste. Beetje zelfde stijl, aanpak, opbouw. Het verschil zit in de details: veel meer en snellere wisselingen, meer experimentelere muziek. Chaotisch vonden sommigen het. Dat geld zeker voor het langste stuk ‘The Devil’s Triangle’ met daarin verwerkt een stukje van klassiek componist Gustav Holst: ‘Mars, Bringer of War’ uit diens ‘The Planets’. Het is niet meteen herkenbaar, omdat de erven Holst het gebruik niet goedkeurden. Daarom werd er maar een bewerking van gemaakt.
De hoes is geschilderd door Tammo de Jongh en kreeg als naam mee: ‘The 12 Archetypes or The 12 Faces of Humankind’. Daarbij moet je denken aan ‘de gek of de nar’ (vuur en water), de ‘krijger’ (vuur en aarde), ‘moeder natuur’ (aarde en water), enzovoorts.
Er werd vooral lovend over ‘In the Wake of Poseidon’ gesproken en het album kwam het tot een vierde plek in de Engelse albumhitlijst. De hoogste plek van een King Crimson album ooit.
Maar goed, dan heb je een album, maar geen band om het te promoten. Fripp haalde jeugdvriend Haskell over te blijven, maar wel als bassist. Mel Collins wilde ook wel. Een andere oude bekende uit Dorset, Fripp’s thuisplaats, Andy McCulloch (1945- /drums) werd gevraagd voor de drumkruk.

Door al het gerommel rondom het tweede album hadden Fripp en diens rechterhand Sinfield de scepter steviger in handen genomen. Dat had gevolgen voor het derde album, dat ze samen schreven, zonder inmenging van Haskell, McCulloch en Collins. Zowel Fripp als Sinfield hadden wel door dat ze niet nog een album in dezelfde stijl konden/moesten maken en zochten naar nieuwe wegen en een (iets) ander geluid. Het gevolg is dat op ‘Lizard’ (1970) een reeks gastmusici aantreden: Keith Tippett (pianowatervallen), Marc Charig (bugel), Robin Miller (hobo, Engelse hoorn), Nick Evans (trombone). Een dan nog niet opvallende gast, maar met terugwerkende kracht wel, is zanger Jon Anderson op ‘Prince Rupert Awakes’. Anderson zou wereldberoemd worden in de band ‘Yes’. Zijn stem horen op een album van King Crimson is nu een wat verwarrende.
‘Lizard’ werd verpakt in een Middeleeuws aandoende hoes. De tekeningen werden gemaakt door Gini Barris. Rondom elke letter is een miniatuur te vinden waarin iets van de songteksten terug te zien is.

Het grote publiek moest waarschijnlijk wennen aan de vrijere versie van King Crimson, het album kwam slechts tot een negenentwintigste plek in de Engelse albumlijst. Fripp was zelf onder de critici te vinden en vond het album lange tijd “unlistenable”. Fripp: ”I’m unable to recommend that anyone part with their hardearned pay for this one, unless they want to take it to parties and play it at unwelcome guests.” Nadat Steve Wilson een remix had gedaan voor de veertigste verjaardag veranderde hij zijn mening: “Nevertheless, some strange characters in the listening community liked, even developed passion for Lizard… Now I can hear why… For the first time I have heard music in the music.”
Met name jazzman Tippett drukte, zoals al eerder gezegd, een flinke stempel op het geluid, dat vaker meer (free-) jazz dan rock was. Haskell een echte soulman, had daar moeite mee, zelfs zoveel dat hij uit de band stapte. Kort na hem vertrok McCulloch, een rhythm & blues liefhebber, ook. Collins vond de nieuwe richting interessant en bleef.
Opnieuw moesten Fripp en Sinfield nieuwe musici zoeken, dat werden: Raymond ‘Boz’ Burrell (1946-2006/bas, zang) en Ian Wallace (1946-2007/drums). Als zanger werd ene Bryan Ferry gevraagd, maar die was het niet. Ferry werd bekend in zijn rol als zanger voor Roxy Music. De onbekende John Gaydon, Crimson’s manager, kon ook goed zingen, maar als frontman? Misschien dan een bassist die kon zingen? Ze vroegen het oude schoolkameraad John Wetton, maar die koos op dat moment voor een andere band, namelijk Family. Rick Kemp dan, een andere kennis uit Dorset. Die wist het niet en sloot later aan bij Steeleye Span. Burrell was de volgende, die zong wel goed, maar speelde ritmegitaar en geen bas. Maar dat kun je leren en zo werd Fripp Burrell’s docent. Met deze kleine bezetting ging de groep op tournee. Dat was na het debuut in 1969 niet eerder gebeurd. Tournees hebben hun eigen dynamiek, reizen, slapen, verveling, optredens. Het brengt ook de verschillen in karkaters boven. Soms wordt een tournee vergeleken met een huwelijk. Hier begonnen de eerste tekenen van een potentiële scheiding zich al te manifesteren. Drugs aan de ene kant en een gezond levende gitarist aan de andere kant. De scheiding door geesten zette door in de sociale contacten, met een zich terugtrekkende Fripp tot gevolg.

Ondanks dat zat deze groep alsnog in de studio om het vierde album te maken. Ze zaten er niet alleen, ook Paulina Lucas (sopraan), Robin Miller (hobo), Mark Charig (bugel), Harry Miller (contrabas) en ‘natuurlijk’ Keith Tippett (alom aanwezige piano).
‘Islands’ (1971) ging nog een stapje verder richting (free-)jazz dan ‘Lizard’, maar ook een stapje verder in experimenten met geluid en muziek. Burrell: “Wicca, personality changes, low-level magic, pyromancy. This was going to be more than three cords and a pint of Guinness.” Dat was de reden dat ik het een prachtig album vond, maar daar was niet iedereen het mee eens. Sommigen zien dit als het zwakste in de reeks van de eerste vier. Zoals zo vaak geldt hier, het is maar met welk oor je luistert. Natuurlijk is de muziek op ‘Islands’ anders dan ‘In the Court of the Crimson King’. Grappig is dan wel weer dat op ‘Islands’ een stuk uit het vroege verleden opduikt. ‘The Letter’ komt uit de periode voor King Crimson en heette eerst ‘Why Don’t You Just Drop In’. Ook was er een revival voor de baspartij van ‘Suite No. 1’ in ‘Prelude: song of the Gulls’. De lp sloot af met studio-overleg, die ontbreekt bij sommige cd-versies.
De originele verpakking was bijzonder, een enkele hoes met een hemelse voorstelling. Geen naam, geen titel. De beschermhoes om de lp was een klaphoes. Dat had ik nog niet eerder gezien. Daarop stonden eilandtekeningen van tekstschrijver SInfield. Als je de hoes openklapte zag je foto’s van de band en de nodige gegevens. Mooi gedaan. In Amerika en Canada konden ze dit indertijd niet aan, daar werd die binnenhoes de buitenhoes. Nu is ‘Trifid Nebula’ overal de buitenhuis. ‘Islands’ album kwam tot een dertigste plek in de UK-albumhitlijst.

Duidelijker dan eerder duiken de verschillen tussen Sinfield en Fripp hier op. Sinfield die wat zachter is en Fripp die duidelijk een hardere aanpak heeft. Sinfield die houdt van gearrangeerde jazz en een handvol strijkers (‘Prelude, Songs of the Gulls’) en Fripp die aanvalt met een Mellotronorkaan in ‘Sailor’s Tale’. Je hoort het verschil. Dat kan best goed samengaan en een goede spanningsboog opleveren en daarmee een goed album. Maar de spanning liep te hoog op. Na een tournee vroeg Fripp aan Sinfield te vertrekken. Zijn vertrek betekende letterlijk het einde van de ‘eerste versie’ van King Crimson. Als er al een vervolg was, dan was alles anders. Fripp nam het heft sterk in handen. Zo sterk dat hij eigenlijk op de solotoer ging. Bijdragen van andere ‘bandleden’ werden afgewezen, omdat Fripp ze benedenmaats vond en ook iets teveel ‘rhythm and blues’. King Crimson had zo zijn eigen (hoge) standaard en hij zag zichzelf als de incarnatie van de koning. Je snapt al wat er komt: iedereen stapt op. Einde King Crimson.

Wat Sinfield qua sound in gedachte had is te horen op zijn enige soloalbum ‘Still’ (1973). De ‘Miles Davis/Gil Evans’-invloed, die al enigszins te horen was op ‘Islands’ is hier nog groter. Ondanks de inzet van een horde onbekende en bekende muzikanten, waaronder Crimson-alumni Collins, Burrell, en Greg Lake is het een onevenwichtig album. Met ‘Still’ wordt duidelijk dat Sinfield Fripp’s agressie nodig had om zijn ideeën te kanaliseren en uit te werken.

Island Records hield de King Crimsonfans ondertussen ‘rustig’ met ‘Earthbound’ (1972). ‘Earthbound’ is een matig album, dat geldt zowel voor muziek als het belabberde geluid. Alsof je naar een bootleg zit te luisteren. Live werden Crimson-tracks langer met meer ruimte voor improvisaties en soli. Het nog niet op een album voorkomende ‘Groon’ met ruim een kwartier op de klok is daarvan het voorbeeld. Het was ook de enige reden om dit in een zwarte hoes gehulde album te kopen. Ondanks de verbeteringen in audiotechniek in de afgelopen jaren is in die reden nog geen verandering gekomen. Op het album zijn naast Fripp, Burrell, Collins en Wallace te horen. Wat je misschien ook nog kan horen zijn synthesizergeluiden van een VCS3, bespeeld door livetechnicus Hunter McDonald. Dank Hunter.
In 2017 kwam er een uitbreiding van het album op cd/dvd met tal van extra tracks. Leuk, maar ook die hielpen niet heel erg mee op dit album meer te gaan waarderen.

Tijd voor iets nieuws. Nu Fripp de koning was geworden kon hij zelf bepalen hoe en wat en dat deed hij ook. Los daarvan vind ik het moedig van hem om na zoveel tegenslagen alsnog door te gaan, maar van tegenslag word je sterker, toch? Fripp: “King Crimson are going to change quite completely.” Oude vriend en dorpsgenoot John Wetton (1949-2017/bas, zang) was al eerder gevraagd, maar nu iets met meer nadruk. Fripp had een goede en stevige bassist nodig voor de muziek die hij wilde maken. Ditmaal zei Wetton ja. Fripp had ook een stevige én flexibele drummer nodig. Zijn keus was verrassend, want hij vroeg Yes-drummer Bill Bruford (1949- /drums, percussie). Yes was op dat moment populair en men had niet verwacht dat Bruford zou opstappen. Bruford zag King Crimson echter van een ‘hogere orde’ en een band waar hij nog wat kon leren. Dat zou meer dan waar worden. Onverwacht kreeg hij een bijzonder percussiemaatje: Jamie Muir (?/percussie, kunstenaar), wiens visie was “in the wilds of uncertainty”. Muir had een freejazz/experimentele muziekachtergrond en in Brufords optiek bijna anarchistische aanpak. De laatste toevoeging was David Cross (1949- /viool, altviool, keyboards, fluit). Cross speelde in een folkband The Ring, maar nadat Fripp hem gehoord had vroeg hij of Cross niet in King Crimson wilde spelen. Daarbij had Fripp wellicht die andere violisten in het achterhoofd, Jean-Luc Ponty, Jerry Goodman (Flock) en Papa John Creach (Jefferson Airplane). Omdat Sinfield weg was, was er een nieuwe tekstschrijver nodig. Wetton kende Richard Palmer-James (1947- /gitaar, schrijver) al van vroeger en had met hem in diverse bands gespeeld. Palmer-James was overigens een van de oprichters van Supertramp, maar na het eerste album had hij die weer verlaten.

De koning is dood, leve de koning! Met dit gezelschap begon een nieuwe periode van King Crimson, met als eerste album: ‘Lark’s Tongues in Aspic’ (1973). De titel kwam van Muir. Kijkend naar de tracks zie je dat er een componistencombinatie is ontstaan van Fripp en Wetton, maar ook dat ditmaal anderen hun bijdragen mogen leveren. Het album begint met Afrikaanse aandoende klanken die overgaan in klassiek. Maar de dreiging hangt al in de lucht. Wetton zet in met fuzzbas en als Bruford, Muir en Fripp inzetten heb je het idee dat je met een metalband te maken hebt. Dat was de agressieve kant die Fripp op wilde gaan. De rest van het album word je heen en weer geslingerd tussen alle stijlen en deze aanpak. Het is King Crimson, maar dan een veel dynamischere en complexere versie.
Tijdens liveoptredens trok Muir de aandacht naar hem toe met zijn fanatieke aanval op de percussiesectie. Hij had om zich heen metalen bladen en ander ijzerwerk verzameld waarop hij zich uitleefde. Historisch zijn de verhalen waarop hij een capsule met nepbloed doorbijt tijdens zijn spel of het verhaal van Fripp die een bijzonder, nieuw geluid hoort en voorover buigt om te zien wat dat is. Waarop even late een metalen kettingvloog over de plek waar net zijn hoofd was geweest. Het was Muir die vol vuur die ketting boven zijn hoofd rondslingerede. Muir: “The way to discover the undiscovered in performing terms is to reject all situations as you identify them.” Het lokte een horde nieuwe bezoekers naar de concerten.
‘Lark’s Tongues in Aspic’ deed het in ieder geval beter dan ‘Islands’, het kwam tot een twintigste plek in de Engelse albumlijst. De pers was over het algemeen positief.
Muir was ondertussen op een pad met veel terugtrekking, meditatie, vegetarisch eten. Zijn roeping lag elders en hij verliet da band dan ook. Echter niet zonder gevolgen. Bruford noemde Muir: “My biggest influence and the guy who turned my head totally around...”. Bruford paste zijn drumstijl behoorlijk aan en bouwde een arsenaal aan percussie om hem heen. Muir had Bruford’s drumstijl bevrijd en dat was te horen.
Zonder de interrupties van Muir werd de livesound een heftige. Wetton en Bruford zorgden voor, wat Fripp omschreef als: “A flying brick wall.” Hij voegde daar zijn gitaar aan toe en Cross kon vaak niet anders dan keyboards spelen, omdat zijn vioolgeluid verdronk in de geluidsorkaan.

Behalve het vertrek van Muir veranderde er nu eens een keer niets aan de bezetting. ‘Starless and Bible Black’ (1974) is daardoor het logische vervolg op ‘Lark’s Tongues in Aspic’. Ondanks de titel zit het album verpakt in een behoorlijke lichte hoes met dit keer wel naam en titel op de voorzijde. Opvallend aan ‘Starless and Bible Black’ is dat het een mix is van vooral live- en wat studiomateriaal. ‘Lament’ en ‘The Great Deceiver’ komen uit de studio, de rest is live, maar dan wel weer behandeld in de studio om het geluid goed te krijgen. Zo zijn sommige tracks, als bijvoorbeeld ’The Mincer’ live-improvisaties, waarbij in de studio de zangpartij werd toegevoegd. Een groot deel van de opnames vond plaats in Het Concertgebouw, Amsterdam. Een van die magische concerten die je zo af en toe als band meemaakt en dat ondanks het feit dat een Mellotron het begaf. In de studio is dat goed te herstellen. Vreemd genoeg werd alle applaus verwijderd, daarmee de livesetting ontkennend. Blijkbaar moest dit als een studioalbum overkomen.
Het hele Amsterdamse concert werd (veel) later uitgebracht als 2cd: ‘The Night Watch’ (1997). Fripp had er zo’n goed herinneringen aan dat hij er graag nog eens wilde spelen. Dat gebeurde in 2018. Een prima concert, maar behoorlijk verdeelde reacties over het geluid in de zaal. Ik heb genoten, maar er waren nogal wat klachten.
Rolling Stone, het blad, omschreef ‘Starless and Bible Black’ net zo sterk en krachtig als ‘’ In the Court of the Crimson King’. Ondanks dat was het niet zo succesvol als ‘Lark’s Tongues in Aspic’.

Twee King Crimson albums met bijna dezelfde band kan natuurlijk niet, dat is niet in de lijn der historie. Cross die zich in het geluidsgeweld verloren voelde trok zich meer en meer terug en stapte uiteindelijk uit de band, daarmee de groep tot trio reducerend. In deze setting maakte de band ‘Red’ (1974). ‘Red’ is in mijn optiek het meest agressieve album van King Crimson. In 2001 noemde Q magazine het als een van de "50 Heaviest Albums of All Time”. Wat een geweld daar boven komt drijven is ongekend. De ritmesectie was sowieso al een dynamische, maar Fripp gooit hier als zijn frustraties eruit. Fripp zit rond dit album in een persoonlijke crisis. Hij is teleurgesteld in de hele muziekbusiness en het verloop van de carrière van de Koning. Hij zoekt zijn zielenheil bij George Gurdjieff, een spirituele leider en componist. Gurdjieff leert dat mensen in een soort van ‘slaapwandelend’ door het leven gaan, maar dat hij ze door zijn benadering kan verheffen tot een hogere staat van bewustzijn, daardoor het menselijk potentieel volledig benuttend. Fripp omschreef zijn ervaring met de leermeester alsof "the top of my head blew off, my ego went. For a period of three to six months, it was impossible for me to function.” Omdat hij zich in deze fase meer terugtrok in het opnameproces kwam dat in handen van Wetton en Bruford. Die wisten precies wat ze wilden: “We wanted the music to be as present as possible, inescapable to the listener, and indeed, at times Red can feel intensely claustrophobic.” Missie geslaagd zou ik zeggen.
‘Red’ is een studioalbum met opnieuw weliswaar maar één livewerk: ‘Providence’. Misschien wel door de reductie tot trio werd weer eens gebruik gemaakt van gasten: Ian McDonald (saxen), Mark Charig (bugel), Robin Miller (hobo), Mel Collins (saxen) en David Cross (viool). In de wereld van de Koning zijn dit allemaal bekende namen. Desondanks deed het album het minder goed dan het vorige: vijfenveertigste plek in de UK albumlijst. Maar dat zegt misschien meer over die lijst dan het album zelf.
Een maand voor de release van ‘Red’, op 25 september meldde Fripp dat de band "ceased to exist and was completely over for ever and ever." Er ging een schok door de muziekwereld; het was dan ook voorpaginanieuws bij de meeste muziektijdschriften. Fripp voelde zich niet meer thuis in eigen band en de muziekwereld, hij was er helemaal klaar mee.

Het laatste album uit de tweede regeerperiode van King Crimson is ‘USA’ (1975), een livealbum, waarvan het grootste gedeelte was opgenomen in Ashbury park, New Jersey. Wat niet op de hoes stond was dat sommige vioolpartijen van Cross nauwelijks te horen waren en in de studio zijn ‘overgedaan’ door Eddie Jobson en vervolgens ingedubd. Het lijkt Zappa wel. Er waren nog meer behandelingen om alles op één lp te krijgen. Pas later, vanaf de ‘dertigste verjaardag editie’ wordt het gegeven concert completer. ‘USA’ begint met: ‘Walk on…No Pussyfooting’. Het zijn de klanken van ‘The Heavenly Music Corporation’, een compositie afkomstig van een samenwerking van Fripp met Brian Eno die resulteerde in het ‘ambient’-achtige album ‘No Pussyfooting’ (1973).
De muziekbladen waren enthousiast over het album ’niet te missen’ en ‘dit moet je hebben’, maar de meeste fans vonden dit toch wel wat slap afsteken bij ‘Red’ en voor sommigen kwam het zelfs als mosterd na een koningsmaal.

De koning trok zich terug in zijn paleis en liet weinig meer horen. De doorns groeiden om de muren heen, maar de Koning werd niet vergeten. Sterker nog, soms ontsnapte hij uit het achterdeurtje om kleine projectjes te doen, zoals een samenwerking met Peter Gabriel en Daryl Hall, een kortstondige met David Bowie (Low, Heroes), enkele gitaardingen en een new-wave-achtige band (The League of Gentlemen) en het uitbrengen van een soloalbum: ‘Exposure’ (1979). Over die laatste is elders op de LemonTree meer te lezen.

Na zeven magere jaren begon het in 1981 het te tintelen bij de Koning. Daarom nodigde hij enkele mensen uit voor een nieuw op te richten band. De eerste was makkelijk: Bill Bruford. Daarna volgde ex-Zappa, ex-Talking Heads Adrian Belew (1949- /gitaar). Voor het eerst had Fripp daarmee een tweede gitarist naast zich. De basplek was lastiger. Bruford had ervaring met zijn eigen voormalig bandlid Jeff Berlin, maar Fripp vond die ‘te druk’. Om een goede te vinden hield Fripp audities, maar daaruit kwam geen geschikte bassist. Later liep hij Tony Levin (1946- /bas, stick) letterlijk tegen het lijf om hem meteen in te lijven. De nieuwe band werd ‘Discipline’ genoemd. Er vonden oefeningen en ‘probeerconcerten’ plaats. Die bevielen goed, erg goed zelfs. Het oude gevoel was zelfs terug. Fripp in zijn auto op weg naar huis, luisterend naar de opnames: “The presence of King Crimson was sitting next to me…” De koning stofte zijn kroon af, klopte zijn karmozijnen mantel uit en proclameerde in oktober 1981: “Discipline gaat verder als King Crimson”. Leve de koning! Driewerf hoera!

Dat driewerf is hier toepasselijk. Met dit kwartet werden drie albums opgenomen en nog wel in Stijl-stijl: een rode, een blauwe en een gele: ‘Discipline’ (1981), ‘Beat’ (1982) en ‘Three of a Perfect Pair’ (1984). De heringetrede King Crimson laat zich beluisteren als een jaren vijftig band die verdwaald is in Afrika, strand op Bali en als kinderen zo blij is met het nieuwe elektronische speelgoed. Wat minder plastisch; de ‘drive’ van de oude versie is er nog steeds, maar in de muziek zijn structuren te ontdekken van Afrikaanse ritmes, complexe laagjes in Gamelanstijl en literaire invloeden uit de jaren vijftig van schrijvers/reizigers als Paul Bowles en Jack Kerouac. Aan de ene kant rust en devotie aan de andere kant een nerveus onderzoeken. Iedereen in deze band heeft de beschikking over de nodige elektronica, zelfs Bruford. Fripp maakt veelvuldig gebruikt van zijn uitvinding ‘Frippertronics’. Opgenomen gitaargeluiden worden middels twee spoelenrecorders herhaald of vertraagd. Hij leende de uitvinding van Brian Eno en gebruikte die al voor hun albums ‘No Pussyfooting’ en ‘Evening Star’. Belew heeft de gitaar ondergeschikt gemaakt aan zijn wil en kan er allerlei geluiden mee reproduceren, zoals bijvoorbeeld een Afrikaanse olifant. Tony Levin speelt met veel verve de Chapman Stick. Een stick lijkt op de hals van een gitaar of basgitaar en heeft acht, tien of twaalf snaren, waarbij de dikkere, de bassnaren, in het midden liggen. Je tikt met de toppen van je vingers tegen de snaren. Met twee handen en tien vingers kun je veel en snel spelen, vergelijkbaar met een pianist bijvoorbeeld.
Op het rode album met die prachtige Keltische ‘knot’, voorop, ‘Discipline’ ("Discipline is never an end in itself, only a means to an end"), staan een paar bijzondere namen. ‘Matte Kudasai’, is Japans voor ‘wacht even’, ‘Thela Hun Ginjeet’ is een anagram voor ‘heat in the jungle’. ‘The Sheltering Sky’ is de titel van een boek van Paul Bowles, later ook de titel van een film, Bowles was niet echt ‘lid’ van de zogenaamde ‘Beat Generation’, maar wordt er door zijn reizen en boeken wel mee vergeleken. Jack Kerouac, hoorde wel bij de ‘Beat Generation’, zijn invloed laat zich gelden op het blauwe album ‘Beat’.
Nog niet iedereen wist wat ze met deze nieuwe versie van de Koning aan moesten, de critici waren verdeeld. Rolling Stone Magazine noemde het een album met "jaw-dropping technique of knottily rhythmic, harmonically demanding workouts." Tegelijkertijd vond men het iets teveel ‘arty content’. Het is ook nooit goed. Ik vond en vind het een geweldig album en was ondersteboven van het vakmanschap en complexiteit enerzijds en anderzijds een bijna dansbare aanpak anderzijds. Fripp had het goed begrepen.

Dat gold minder voor ‘Beat’ met zijn lange, snelle teksten. Jack Kerouac typte in staccato onafgebroken teksten op behangrollen die hij in zijn typmachine had gevoerd. Bijna letterlijk de ‘beat’ vertolkt in ritmisch tikkend. Belew bewerkte de lange teksten van Kerouac boek ‘’On the road’ voor enkele ‘songs’. Nou ja, songs, eigenlijk zijn het meer voordrachten of zelfs te vangen onder de noemer ‘Sprechgesäng’. In de titels komen we tegen ‘Neal and Jack and Me’ (Neal Cassady en Jack Kerouac), ‘The Howler’, gebaseerd op het boek ‘Howl’ van Allen Ginsberg en daar is Paul Bowles ook weer met ‘Sartori in Tanger’. Een album over reizen, eenzaamheid en ‘de weg kwijt zijn’, letterlijk en figuurlijk. Belew was soms ook zijn weg kwijt. Hij had moeite met zijn rol als belangrijkste zanger en tekstschrijver. Belew: “Beat was the most awful record-making experience of my life and one I would never choose to repeat.”
De ‘strijd’ die hij voerde kwam tot uiting op ‘Three of a Perfect Pair’. Op het album, de lp-versie, was kant A, de ‘Left Side’, met daarop ‘makkelijke’ liedjes, makkelijk in Crimson-termen dan. De B-kant, is de ‘Right Side’, met wat complexer werk en de terugkeer of ‘Lark’s Tongues in Aspic’, maar dan wel deel drie. ’Sleepless’ had nog een auditief nieuwtje, Levin trommelde met twee sticks die hij aan zijn vingers getapet had op de Stick alsof dat een trommel was. Met zo’n benadering wordt stil blijven zitten lastig. Het nummer werd dansbaar genoeg geacht om op single te worden uitgebracht, maar heel veel indruk maakte die niet op het argeloze, dansbare publiek.
De naam, ‘Three of a Perfect Pair’ is niet zo gek als die klinkt. In feite is het de driehoek in elke relatie, het verhaal van haar, van hem en de óbjectieve’ waarheid.

“Three of a Perfect Pair was wrung out of us”, vertelde Bruford na afloop. Fripp ziet met de aanpak van ‘makkelijk’ zijn band anders ontwikkelen dan verwacht en volgens zijn eigen normen voldoet dat niet. Bruford had het al aan zien komen: “Fripp was sitting in a barely lit corner of the stage, staring unflinchingly at a spot on the floor. The big sign that might as well have been hung around his neck saying ‘I wish I wasn’t here’ became uncreasingly frustrating.” Daarom onttroonde Fripp de Koning opnieuw, hing zijn kroon aan de kapstok en zijn mantel in de kast. Tijd voor bezinning en terugkeer naar het kasteel. Daar houdt hij zich lange tijd bezig met soundscapes, Fripp’s versie van ambient muziek. Soms geeft hij masterclasses of treedt hij op met een groep gitaristen: ‘The league of Crafty Guitarists’.
De liefhebbers van King Crimson krijgen nog het gebruikelijke afscheid, een livealbum: ‘Absent Lovers’, met daarop een verslag van het laatste concert van de band in Montreal op 11 juli 1984.

Zes jaar later, in 1990, bezoekt Belew de kasteelheer en vraagt belet: “Of het niet mogelijk is de band te activeren?” De Koning biedt aan over het verzoek na te denken, maar een antwoord laat lang op zich wachten.
Samen met David Singleton zet Fripp wel alvast ‘DGM (Discipline Global Mobile)’ op, een eigen en onafhankelijke platenmaatschappij. Het biedt beiden meer vrijheid van handelen en en passant meer controle over hun eigen werk, lees dat van Fripp en King Crimson.
In 1993 gaat Fripp mee op tournee met David Sylvian. Een bijna onwaarschijnlijke combinatie van de ‘zachte’ Sylvian met diens soms dromerige muziek en Fripp met zijn extraverte agressievere aanpak. De meest onverwachte combinaties slagen soms, dit is er zo een. Het is te horen op diverse cd’s met als belangrijkste het studioalbum ‘The First Day’ (1993). Fripp vroeg in eerste instantie of Sylvian niet de nieuwe zanger in zijn band wil worden, maar die zag dat niet zo zitten. Een samenwerking wel. Op het album doet ook Tony Levin mee en een andere Stick-speler, Trey Gunn. Drummer is Jerry Marotta, die bij Peter Gabriel speelde, overigens samen met Levin. De muziekwereld is niet zo groot.

Maar langzamerhand komt de kriebel weer op en kreeg Fripp een visie, die van een ‘dubbel trio’. Fripp is al een tijd en zonder enige twijfel de leider van de groep en kan in die zin doen wat hij wil. Bruford noemde hem “a part Joseph Stalin, a part Mahatma Ghandi and one part Marquis de Sade.” Fripp relativeert die visie enigszins: “My own response to King Crimson is one of quiet terror.” Zes mensen dus nu, verdeeld in drietalen. In het eerste trio: Belew, Levin en Bruford en in het tweede hijzelf met Trey Gunn (1960- /stick, gitaar) en Pat Mastelotto (1955- /drums, percussie). Hoe die twee keer drie klinkt is te horen op ‘Vrooom’ (1994), een verlengde single-cd met zeven tracks. Het is de herkenbare sound van de vorige editie van King Crimson, met songs als ‘Sex, Sleep, Eat, Drink, Dream’ en ‘One Time’ met de herkenbare vocalen van Belew. Het is ook meer richting soundscapes. Dat geldt zowel voor harde geluiden als het gitaar/Stick-spel. ‘Vrooom’ rijdt weliswaar snel weg, maar weet nog niet precies welke richting op. Dat wordt ietsje duidelijker op de officiële ‘bootleg’ ‘B’Boom’ (1995). Het is een verslag van een live-concert, opgenomen in Buenos Aires, Argentinië. Op het menu staat vooral werk van de laatste drie Crimson-albums, maar tussendoor blijkt er ook ruimte voor ‘klassiekers ’als ‘Red’, ‘The Talking Drum’ en ‘Lark’s Tongues in Aspic’. Al met al lijkt het erop dat de Koning hier verder gaat waar hij eerder is opgehouden.

‘Thrak’ (1995) gaat door op de door ‘Vrooom’ ingeslagen weg. Sterker nog, op ‘Thrak’ staan enkele tracks van ‘Vrooom’, maar dan weer net even anders. Fripp: "The meaning of THRAK ... the first one is: a sudden and precise impact moving from direction and commitment in service of an aim ... The second definition is: 117 guitars almost hitting the same chord simultaneously. So, the album THRAK, what is it? 56 minutes and 37 seconds of songs and music about love, dying, redemption and mature guys who get erections." Het leven in een notendop. Het album deed het vooral goed omdat het ‘trendy’ bleek. Andere populaire musici op dat moment, zoals Kurt Cobain (Nirvana) en de band Tool gaven aan dat King Crimson hun belangrijkste inspiratiebron was. Sommigen vonden dat King Crimson her en der leek op The Red Hot Chili Peppers…

King Crimson staat/stond altijd bekend om zijn live-improvisaties, lange stukken soms waarin de diverse bandleden zoekende zijn naar vormen, klanken, structuren. Ingebed in songstructuren lijken ze enigszins ondergeschikt, maar gebundeld blijkt de kracht ervan. Dat maakt ‘THRaKaTTak’ (1996) een echte ontdekkingsreis. Maar tevens een reis die niet voor iedereen is weggelegd, want het is een pittige. Dat wist de Koning ook, want op sommige uitvoeringen was een waarschuwingssticker geplakt: "Warning!!! This recording contains explicit live instrumental improvisation and a poster". Al met al vond ik ‘THRaKaTTak’ boeiender dan ‘Thrak’. Verwende oren…
Meer in de stijl van ‘B’Boom’ is ‘Vrooom Vrooom’ (2001), een dubbelcd met uittreksels uit twee concerten, een uit Mexico, de ander uit New York. Het nieuwe sextet in optima forma, maar misschien was het wel een beetje veel van het goede?

Een goede ontwikkeling is de voorwaartse, maar ondanks alle inzet leek de Thrak-aanpak er een van bestendiging. Bij de repetities voor nieuwe werk dreven de verschillende visies naar boven. Bruford dreigde met opstappen, maar deed dat uiteindelijk niet. Een werkbare vorm werd gevonden in het opknippen van de twee keer drie vorm onder de naam ‘ProjeKcts’. Het bood de mogelijkheid om in kleine, wisselende samenstelling concerten te geven met een hoog improvisatiegehalte. Na afloop, bij terugkeer in het Kasteel (ik doe maar even mee met die ‘K’-gekkigheid) konden de ervaringen geëvalueerd worden en vervolgens vertaald naar een nieuwe richting. Klinkt goed toch? Vier verschillende ‘ProjeKcts’ gingen op pad en kwamen in Amerika, Japan en Engeland. Heftig materiaal, ondansbaar, geluidserupties zonder melodie, kortom, niet voor de kleinzieligen van aard. Hoe die verschillende projeKten te keer gaan is te horen op: ‘The Deception of the Thrush (a beginner’s guide to ProjeKcts)’ (1999). Voor de gevorderde luisteraar is de vier cd-box ‘The ProjeKcts’. De vier cd’s laten elk één van de diverse ProjeKcts horen. De voorkant is wat verwarrend precies dezelfde als die van ‘The Deception of the Thrush’. Al met al maakte het de weg van de Koning een grillige en lastig te volgen. Hoe dan ook, aan het eind van het projeKt-experiment verliet Bruford alsnog de band om zich meer op de jazz te richten. Tony Levin vertrok niet veel later wegens verplichtingen als sessiemuzikant. Zes min twee is vier en daarmee zijn we terug bij het ‘ouderwetse’ kwartet. Met dien verstande, dat Fripp nu de enige Engelsman in zijn band is.

Kan een Koning licht laten schijnen? Zeker wel natuurlijk, mits hij de goede voorzieningen heeft. Met ‘The ConstruKction of Light’ doet hij eerder een duistere poging dan iets om die naam waar te maken. ‘The ConstruKction of Light’ (2000) is niet alleen in zwart gehuld, het is een muzikaal moeilijk te grijpen album. Het geluid is anders, koud, hard, alsof de winter is ingedaald in het koninkrijk. Bijzonder opvallend is de terugkeer van ‘Lark’s Tongues in Aspic’, maar nu deel vier. Leunt men op oude successen? Indertijd maakte het op mij weinig indruk, maar na al die ProjeKcts was King Crimson bij mij een beetje buiten mijn vizier verdwenen. Het oude vuur en drive van de band leek meer op een waakvlam, ondanks de suggestie van muzikale spierkracht. Fripp zelf was er ook niet blij mee: “It doesn't convey the power of the music, to a greater extent than any of the studio albums." Later schreef hij in zijn dagboek: “Crimson records usually make some attempt to engage the audience, this one makes none. It is utterly without compromise and people will hate it.” Natuurlijk had Fripp gelijk. Die ‘haat’ werd snel minder in 2019 met ‘The ReconstruKction of Light’. Het album kreeg een ‘extreme make over’, nieuwe mixen en zelfs allemaal nieuwe drumpartijen door Mastelotto. Een deel van het origineel was kwijt (?) en moest opnieuw samengesteld worden. Voor het eerst hoorde ik licht in de voorheen zo duistere muziek. Het album bleek veel beter dan ik me kon herinneren. Maar dat heeft toch echt te maken met de nieuwe aanpak, wat een verschil! Omdat het een reconstructie was kreeg het album een nieuwe, prachtige hoes met een kunstwerk van P.J. Crook. Crook is geen onbekende in de wereld van de Koning, haar werk sierde al eerder hoezen.

De viermansband ondernam flink wat tournees om de recente albums onder het gehoor van het volk te brengen. Live koos men bewust voor een mix van songs, ambient, experimenteel en wat klassiekers. De sfeer en setting werd wat luchtiger. De ontspanning keerde terug en de soms zo verkrampte aanpak werd losser. Het publiek werd zelfs onverwachts getrakteerd op David Bowie’s ‘Heroes’, een bekende song met Fripp’s gitaarsolo en ‘Tomorrow Never Knows’ van The Beatles. Het is allemaal te horen op een reeks live-albums die na de tournees volgden, zoals ‘Heavy ConstruKction’ (2000), een 3cd-set.

In 2001 verscheen in gelimiteerde oplage en te koop bij concerten: ‘Level Five’ met daarop drie nieuwe studiostukken: ‘Dangerous Curves, ‘Level Five’ en ‘Virtuous Circle’ én een aantal livetracks: ‘The Construkction of Light’, ProjeKct Two's ‘Deception of the Thrush’, gevolgd door een minuut stilte en een toegift in de vorm van "ProjeKct 12th and X’. . Fripp: ‘Level Five deals with the remorseless progression of circumstances and repercussions on a general basis…” Het lijkt het antwoord van een politicus en roept meer vragen op dan hij antwoord geeft.
De gelimiteerde versie werd later (2008) alsnog voor iedereen uitgebracht. De nieuwe tracks klinken vertrouwd: Belew’s en Fripps’ gitaren spinnen een web dat wordt doorgehakt door Mastelotto en Gunn. Bij mij komt dan enige reminiscentie aan ‘Red’ bovendrijven. Ondanks alle onzekerheden over richting lijkt men hier een anker gevonden te hebben.

Een jaar later, 2002, volgde een tweede cd-single: ‘Happy With What You Have to Be Happy With’. Behalve de vrolijke titel en het Tv-kijkende echtpaar valt meteen op de akoestische (!) track ‘Eyes Wide Open’. De andere tracks zijn zo verschillend dat het nog op probeersels lijkt; schetsen van vooral Belew. Opnieuw duikt hier een liveversie op van wat je al bijna de signatuurtrack van King Crimson kan noemen: ‘Larks' Tongues in Aspic, Part IV’. Ondanks het wat schetsmatige karkater is het een aangenaam in het gehoor liggend cd’tje.
Nu we toch blij zijn volgt in 2003 het voorlopig laatste studioalbum van King Crimson met de ietwat Bijbelse titel: “The Power to Believe’. De kracht om te geloven. Je vraagt je meteen of waarin, wie, wat? De Koning zelf wellicht? Net als eerder bij ‘Thrak’ staan op ‘The Power to Believe’ bekende tracks - maar dan anders natuurlijk - van ‘Happy With What You Have to Be Happy With’, ‘Level Five’ en zelfs ‘Deception of the Thrush’. Fripp zag het als een neerslag van drie jaar ‘Crimsonising’. Waarom het album niet uitgebracht werd op DGM, maar op Sanctuary Records was mij een raadsel. Probeerde men hier een nieuw publiek aan te boren? Zeker was in ieder geval dat de Koning op leeftijd begon te komen. Wijzer geworden door de jaren heen, terugkijkend en relativerend. De Koning klonk dan nog wel eens agressief, maar dat was maar uiterlijk vertoon. Er was meer licht en lucht in de muziek. Misschien had hij zijn doel eigenlijk wel bereikt? Hij zocht zijn kasteel weer op en zonk mijmerend op zijn zetel neer.

Wat doet iemand die alles al heeft? Het volk werd even zoet gehouden met ‘EleKtriK (Live in Japan 2003)’. Het is een album in de schier oneindige reeks ‘The King Crimson Collector’s Club’, maar door de vormgeving en opzet dan eigenlijk ook weer niet en past daarom beter bij de reguliere reeks dan de verzamelwoedereeks. Vanaf 1998 is DGM begonnen met het uitbrengen van concertverslagen onder de noemer ‘Club’ en/of ‘Collector’s Club’. Al die uitgaven vertroebelen het zicht op de kern, de reeks van ‘slechts’ dertien studioalbums en een handvol ‘reguliere’ livealbums. Het verhaal van King Crimson is al ingewikkeld genoeg, laat staan al die inmiddels tientallen uitgaven uit het concertcircuit. Vooral de onophoudelijk stroom maakt een mens moedeloos. Misschien leuk als je er ooit bij geweest bent, maar voor het gros minder interessant. Datzelfde geldt voor de aanpak van DGM’s boxen. Zo is ‘In the Court of the Crimson King’ in 2009 uitgebracht in een 10cd+26DVD-box (!). Dat zou je eventueel nog interessant kunnen vinden, maar datzelfde principe geldt ook voor alle andere albums. En daar blijft het niet bij, er zijn tourboxen (‘The Elements’) en nog weer gevonden ‘interessante’ zaken in de reeks ‘Mr. Stormy’s Monday Selection’. Er komt geen einde meer aan. Help! Terug naar de kern dan maar.

Vier jaar na de geloofsbelijdenis had de Koning opnieuw de kracht gevonden om een volgende stap te zetten. Het laatste kwartet werd aangevuld met een nieuwe drummer, Gavin Harrison (1963- /drums, percussie). Harrison speelde in Porcupine Tree en wordt gezien als een ‘power house’. Met dit viertal trok Fripp in 2008 diverse landen door onder het motto ‘40th Anniversary Tour’. Vanwege dat motto werd er niets nieuws gecomponeerd, maar alleen oud werk van stal gehaald. Het beviel de inmiddels zestigjarige man wel. Drukte van eenieder verhinderde even een vervolg. Ondanks aandringen van Belew, met zelfs het voorstellen van een soort reünie van leden uit de beginperiode, liet Fripp in 2010 weten dat King Crimson ‘uitgezet’ was.

Dit keer duurde het ‘uit’ niet lang. Hoe ouder je wordt hoe meer haast je krijgt toch? In de zomer van 2013 landde in de paleistuin een zevenkoppig monster. De Koning spoedde zich naar buiten om het dier onder bedwang te krijgen. Fripp kondigde in september aan dat een nieuwe versie van de band op tournee zou gaan, een versie bestaande uit zeven personen maar liefst. Als reden voor de plotselinge terugkeer gaf hij tal van redenen, waaronder “I was becoming too happy”. Hm. Er zijn wat verrassingen in de nieuwe groep. Terug is Tony Levin. Gebleven zijn Mastelotto en Harrison. Belew is er dan juist weer niet meer bij, in zijn plaats staat Jakko Jakszyk (1958- /gitaar, zang). Er waren enkele meningsverschillen met Belew. Zijn songs zouden voorlopig live niet gespeeld worden. Even het roddelcircuit in hier: Jakszyk is getrouwd met fotomodel Amanda Giles. Je voelt hem al aankomen. Zij is de dochter van Michael Giles, de eerste drummer van King Crimson. Passend in dit kader is de terugkeer in de band van oudgediende Mel Collins. Nog een verrassing, er is een derde(!) drummer aangetrokken: Bill Rieflin (1960-2020). De bijzondere groep kreeg al gauw een bijnaam: "The Seven-Headed Beast".

Het zevenkoppige monster was er vooral een uit het verleden, hersenspinsels van weleer. De nieuwe line-up van King Crimson speelde dan ook vooral oud werk. De band deed een uitgebreide tournee door Noord Amerika en bracht daarvan een samenvatting uit op ‘Live at the Orpheum’, Los Angeles (2015). Een prachtige set, waarbij het oude werk opgefrist lijkt. De drie drummers voegen daadwerkelijk wat toe aan de muziek en het is een genot om de band zo te horen. De live-opstelling is sowieso een bijzondere, met de drie drummers vooraan op het podium en op een verhoging daarachter Collins, Levin, Jakszyk en Fripp, die laatste – zoals altijd – zittend op zijn kruk.
Het animo was groot, de tournee ging door, Canada, Europa, Mexico. Dat resulteerde in verschillende livealbums, meestal in de club-editie.
In 2016 heeft Rieflin vanwege gezondheidsproblemen een korte pauze. In zijn plaats komt Jeremy Stacey (1963- /drums, percussie, keyboards). Stacey is meestal voorzien van een zeer typische bolhoed. Met Rieflin ging het iets beter en hij keerde terug. Omdat Stacey met hoed goed beviel bleef die, Rieflin stapte over op Keyboards. Daarmee kwam er een extra kop aan het monster. Voor het eerst was King Crimson een octet.

Nadat deze versie van King Crimson ‘Heroes’ op single had uitgebracht kreeg de bij het nummer opgenomen video de nominatie én de prijs voor ‘Video of the Year’ (Progressive Music Awards). De meningsverschillen met Belew waren inmiddels opgelost en hij werd, op papier alleen, toegevoegd aan de groep: "It means I may be back in the band in the future at some point. It leaves the door open for Crimson to evolve as necessary." De deur staat wel open, maar blijft op een kiertje. Belew is tot nu toe niet gesignaleerd rondom de band.
In 2018 voor de ‘Uncertain Times’-tournee was hij er zeker niet bij. De groep trok volle zalen in heel Europa, waaronder het eerder genoemde concert in het Concertgebouw in Amsterdam. Helaas moest Rieflin in maart 2019 opnieuw afhaken. Zijn plek werd kort ingenomen door Soft Machine’s Theo Travis totdat Fripp vond dat Rieflin’s plek eigenlijk zo niet ingenomen kon worden. Exit Travis. Rieflin’s keyboardpartijen warden verdeeld onder Jakszyk, Levin en Fripp. Rieflin overleed op 24 maart 2020 als gevolg van kanker.

Rieflin is nog wel te horen op een reeks albums die in de periode voor zijn overlijden uitkwamen. Er is een aantal opvallenden bij, zoals ‘Radical Action (To Unseat The Hold Of Monkey Mind)’ (2016) Dat is een 3cd en 2dvd en 1Blu-ray box met 36-pagina’s tellend boekje in twee zogenaamde digipaks. Mooi gedaan. Dat geldt ook voor de opbouw met op cd1: ‘Mainly Metal’, cd2: ‘Easy Money Shots’ en cd3: ‘Crimson Classics’. Muziek opgenomen op diverse plekken en landen. De box biedt een goed overzicht van wat deze band kan. En dat is niet misselijk.
‘Live in Chicago’ (2017) werd zo goed beoordeeld dat het album uitsteeg boven de ‘collector’s club’ waar het eigenlijk in opgenomen was. Dit keer twee cd’s met een mix van oud en recent, met als afsluiters de ‘knallers’ ‘Heroes’ en ‘21st Schizoid Man’.
Als je in de gelegenheid was in deze periode een concert van King Crimson te bezoeken kon je in de pauze van alles en nog wat kopen aan de ‘verkooptafel’, waaronder de ‘Audio Diary 2014-2017’ (2018). Vier cd’s met een actuele selectie uit recente tournees: “Produced for King Crimson Royal and Courtier Package ticket holders, along with attendees of the 'family & friends' shows, and also sold at the merchandise table on the band's 2019 tour. Compilation of live songs from 2014-2018 tours.” Voor fans een hebbeding, maar als je niet bij zo’n concert kon zijn had je flink pech. De box werd her en der op internet al aangeboden voor prijzen tegen de tweehonderd euro. Ook deze bleek een gewilde met als uiteindelijk resultaat een officiële release in 2019: “This is an update of the previous box set Audio Diary 2014-2017, with one more CD with recordings from 2018”. Mooi en hartelijk dank! Overigens wordt Rieflin op sommige tracks op de box waargenomen door Chris Gibson.

‘Live in Vienna’ (2017), een 3cd-box zonder Rieflin en ‘Meltdown, Live in Mexico (2018) mét, ook een 3cd-box, met extra Blu-ray zijn voorlopig de laatste uitgaven van het zevenkoppig monster. Dan heb je ook wat in huis. ‘Live in Vienna’ speelt zich voor het grootste deel af in Wenen, maar er zijn ook tracks uit Kopenhagen, Rome, Milaan, Barcelona, Marseille, Florence en Antwerpen. Ach, het ding moet een naam hebben tenslotte. Mexico speelt zich echt af in Mexico, het Teatro Metropolitan, Mexico City, in een reeks concerten van 14 tot 19 juli 2017. Voor de duidelijkheid krijgen we nog een boodschap mee: “The presentation of audience applause, at the top and tail of performances, is intentional; and in accordance with King Crimson practice on live recordings. RF.”
Soms kom je een nieuwe titel tegen, ‘Devil Dogs of Tessellation Row’ bijvoorbeeld. dat is geen nieuwe ‘compositie’, maar een improvisatie die een naam gekregen heeft. Je zou er een filosofieavond op los kunnen laten of dat dan geen compositie is, maar dat is voor een andere setting. Voor nu lijken die laatste releases genoeg, want er is voldoende nieuwe uitvoering van historisch werk zo.

Je bezighouden met King Crimson is niets minder dan je storten in een jungle, gewapend met kapmes. Met slechts dertien studioalbums, maar in 2020 met aantal releases dat inmiddels op is gelopen tot voorbij de tweehonderdtachtig! Is het lastig uitvinden wat nu wel of niet de moeite waard is. Gelukkig snappen ze dat zelfs ook, daarom zijn er al sinds jaar en dag ‘gidsen’, een soort ‘King Crimson for dummies’ waaronder: ‘The compact King Crimson’ (1986), ‘The Young Persons’ Guide to King Crimson’ (1999), ‘The 21st Century Guide to King Crimson’(2005) en de al weer achterhaalde ‘The Beginner’s Guide to the King Crimson Collector’s Club’ (2000). Voor fans is er ‘The Great Deceiver’ (1992) met vier cd’s live-opnamen uit de periode 1973-1974. Mijn bescheiden advies is: ‘gewoon’ met de dertien studioalbums te beginnen, daarna kunnen de sluizen eventueel open.

Na ruim vijftig jaar regeren heeft de Karmozijnen Koning zijn rijk danig uitgebreid en komt ondanks zijn leeftijd vaker dan ooit uit zijn kasteel. De onderdanen zijn trouw, de mederegenten kundig. Daarmee is hij populairder dan ooit. Regeren is vooruit zien, maar je soms ook even terugtrekken en de boel de boel laten. Het gaat allemaal op voor King Crimson. De band die zo anders was dat het opviel, vijftig jaar later zijn ze dat nog steeds. Er waren nogal wat reïncarnaties voor nodig, maar elke keer weer rees de band als een feniks uit de as van de vorige. Elke keer weer een stukje beter. Ik ben benieuwd hoe lang King Crimson nog gaat genieten van de laatste ‘editie’. De ‘vicar’, zoals de bijnaam van Fripp al een tijd is, is met zijn vierenzeventig jaar op leeftijd. Maar zolang hij zich nog jong voelt kan er veel. Fripp: “Hopefully, this KC will increasingly be heard and seen for what it is. And it is remarkable. The best band I’ve been in, musically, personally, professionally.” Laat de Karmozijnen Koning maar schuiven…