logo van The Lemontree

Hersenvoer

“Oh jee, ik kom te laat, te laat”, riep Konijn met de gymschoenen en lange oren, stopte zijn stopwatch in zijn korte broek en snelde er vandoor. “Vraag het aan Alice, vraag het aan Grace, die weten wat ik bedoel”, riep hij nog over zijn schouder.
“Laat?”, merkte Schildpad, die net een hapje van een paddenstoel nam, op, “laat bestaat niet, alleen als je de tijd hebt.” En al gauw was hij met zijn hoofd in de wolken.
“Een wijze opmerking”, vond Uil, “logica en proporties verdwijnen als je de tijd hebt.”
“Pfffff,” Rups blies, zittend op zijn waterpijp, een wolk roze rook de lucht in, “pffff, inderdaad, tijd, als je dat al hebt, is elastisch, je bent altijd te vroeg, of altijd te laat, het is maar uit welk perspectief je het bekijkt, pffff. Als je denkt op tijd te zijn, is het moment voorbij en ben je te laat. Als je te voeg bent, is de tijd te laat…, pffff.”
“Hm”, sprak Slaapmuis zacht, eigenlijk meer voor zichzelf dan voor de anderen, “dit is hersenvoer, dat voedt je hoofd, hoofdvoedsel, hersenhoofd……. zzzzzzz.”
“Wie zijn die Alice en Grace, waar Haas het over had?”, vroeg Lapjeskat, zittend op een tak in de boom, belangstellend.
“Mensen”, legde Uil uit, “de een is fantasie, de ander gebruikt het.”
“F-a-n-t-a-s-i-e,” spelde Schildpad bijna, “dat is net als tijd, die bestaat alleen in je hoofd.”
“Grace komt zo met haar vliegmasjien en ze neemt Alice mee!”, riep plotseling de gekke Hoedenmaker luid.
“Pffff, we zullen zien, we zullen zien, pffff”. Rups blies nog een roze wolk uit, rolde zich op, vouwde zich vervolgens uit tot een caleidoscopische vlinder en vloog weg.
“Heeft misschien iemand mijn surrealistisch kussen gezien?”, vroeg Slaapmuis, wakker geschrokken door de uitroep van de Hoedenmaker.
“Kussen, kussen, ja kussen, ik zoek een vrijwilliger, iemand om van te houden, een kroon der schepping. Deze zomer vier ik de liefde!”. Dat was Vlinder die onrustig fladderend boven de rook van de waterpijp vloog.
‘Misschien moet je dan naar Poe-Niel’s huis, op de hoek.”
“Waar vind ik dat?”
“Fulton Straat, nummer 2400.”
“Wow, Ik vertrek meteen!”
“Dan gaan wij naar Bekster, om even te zwemmen…”
Over tijd en fantasie werd met geen woord meer gerept. Laat ik dat dan maar doen in het stuk hieronder.

1967 wordt gezien als de ‘Summer of Love’. Die begon eigenlijk al in 1966, maar had een jaar later zijn/haar hoogtepunt bereikt. Als ik één lied zou moeten aanwijzen dat deze periode vertolkt is het ‘White Rabbit’ van Jefferson Airplane. Het lied, geschreven door Grace Slick, is gebaseerd op het verhaal van Alice in Wonderland, maar in het ‘free-blowend’ perspectief van de tijd gezet, inclusief hypnotiserende muziek. In twee minuut dertig seconden is daarmee een fantasievolle periode in afgebakende tijd gevangen.

Maar eerst terug naar 1965 voor een dubbel begin. In San Francisco zijn tussen vele anderen twee bands actief: The Great Society en Jefferson Airplane. The Great Society bestond uit fotomodel Grace Wing, later Slick, (1939- /zang, gitaar, orgel, blokfluit), Jerry Slick, filmmaker en later de man van (drums), Darby Slick, broer van/later zwager van (gitaar), David Miner (gitaar), Bard DuPont (bas). Grace en Jerry hadden een concert van Jefferson Airplane gezien en zoiets wilden zij ook. Met Darby en wat vrienden richten ze een eigen band op: The Great Society. Grace en Darby zijn daarin de belangrijkste componisten, de rest vindt het al snel wel goed. Tijdens De band was redelijk populair, zelfs zo dat ze een platencontract aangeboden kregen. Daar kwam echter weinig van terecht: The Great Society maakte slechts één single: ‘Someone to Love/Free Advice’. ‘Someone to Love’ (februari 1966) is geschreven door Grace en Darby. De producer was ene Sylvester Stewart. Die kennen we beter onder zijn artiestennaam: Sly Stone. Het was een moeizame samenwerking. Nadat de technicus de beste take voor ‘Free Advice’ niet had opgenomen moest het opnieuw. Na drie-en-vijftig keer lukte het niet de spirit in het nummer op tape te krijgen. Het zette aan het denken. Iedereen werd gemotiveerd om optredens beter gaan uitvoeren. Aan de andere kant… Darby is druk met drugs en Indiase muziek. Ook rommelt het in de band. Miner staat letterlijk in de schaduw van Grace Slick, DuPont blijkt toch niet een heel gemotiveerde basspeler. Nieuw lid wordt Peter van Gelder (fluit, sax, bas). Van Gelder speelt weliswaar geen bas, maar hij heeft wel de wil om het te leren. Van Gelder en Darby Slick gaan Indiase muziek leren bij Ali Akbar Khan. Miner besluit te vertrekken.

Tijdens een reeks optredens in The Box, de club van Marty Balin worden ze gespot door Jefferson Airplane. In die band zingt Signe Toly Anderson, maar die raakt zwanger en wil de band verlaten voor een regulier leven. De enige zangeres die in aanmerking komt voor haar plek lijkt Grace Slick. Na veel wikken en wegen stapt bassist Casady op haar af en vraagt het. Haar man Jerry zegt dat ze dat zeker moet doen gezien de onzekere toekomst van The Great Society en Grace zegt dus ‘ja’. Darby is daar nogal ondersteboven van en krijgt subiet een hekel aan alles rondom Jefferson Airplane. Of dat komt door zijn heroïne of de Indiase muziek is niet heel duidelijk. Later draait hij bij, maar hun uitvoering van zijn lied ‘Somebody to Love’ vindt hij maar niks. Het platencontract wordt uitgekocht, Slick gaat naar de Airplane en de rest van de Great Society gaat inderdaad op reis. De reden dat ze ‘ja’ zei, vertelde ze later, was dat ze diep onder de indruk was van Casady’s basspel: “Jack had this roaring, growling thing that would start at the bottom and twine all the way up.”
In het cd-tijdperk zijn enkele cd’s met opnames van The Great Society verschenen, live-opnames. Of het nou komt door Grace Slick weet ik niet, maar vaak heb ik het idee dat ik naar een oude Jefferson Airplane opname luister. Enige verschil is dat The Great Society zeker live meer ‘far out’ was in de beginperiode dan de Airplane. ‘White Rabbit’ duurt bijvoorbeeld drie keer zo lang. Een commentaar op Youtube: “Jefferson Airplane laat me mensen zien die aan het trippen zijn, The Great Society laat me voelen dat ik zelf aan het trippen ben.” De track ‘Arbitration’ klinkt bijna als een teruggevonden Pink Floyd nummer. Het komt beslist door de sopraansax- en gitaarsolo’s. Dat gaat ook op voor ‘Father’. Van Gelder levert in mijn optiek een essentiële bijdrage aan het geluid van The Great Society. Er is helaas weinig met hem opgenomen, omdat hij pas laat in de band kwam; een band die slechts één jaar bestond. De vraag blijft wat er van The Great Society was geworden als ze meer discipline hadden gehad om er iets van te maken. Wellicht hadden we dan veel minder gehoord van dat andere bandje, die Jefferson Airplane…

Voor Jefferson Airplane moeten we terug tot 1962. Die geschiedenis begint met Marty Balin (geb. Martin Buchwald 1942-2018) die twee singles opneemt, zonder enig succes. Daarop sluit hij zich aan bij een Folkgroep ‘Town Criers’. Na het horen van de muziek van The Beatles en de mix van folk en rock van The Byrds besluit hij iets heel anders te gaan doen. Balin koopt een voormalig pizzeria en verbouwt die tot muziekclub: The Matrix. Daar wil hij ook zelf gaan spelen met een eigen huisband. Ergens loopt hij Paul Kantner (1941-2016) tegen het lijf. Kantner komt ook uit het folkcircuit en speelde er met David Crosby, Jerry Garcia (Grateful Dead) en Janis Joplin. Nadat Balin Signe Toly Anderson (1941-2016) in een folkclub gehoord had vroeg hij haar als zangeres. Kantner vroeg een vriend, bluesgitarist Jorma Kaukonen (1940- ) mee te komen spelen. Kaukonen bracht ook de bandnaam in: "I had this friend, Steve Talbot, in Berkeley who came up with funny names for people," explains Kaukonen. "His name for me was Blind Thomas Jefferson Airplane (for blues pioneer Blind Lemon Jefferson). When the guys were looking for band names and nobody could come up with something, I remember saying, 'You want a silly band name? I got a silly band name for you!”
Voor drums en bas werden Jerry Peloquin en Bob Harvey aangetrokken. Het eerste optreden was tijdens de openingsavond van The Matrix op 13 augustus 1965. De groep speelde van alles wat, folk, rock, The Beatles en The Byrds. Peloquin, the straight member of the group, hield het al snel voor gezien. In zijn plek kwam zanger-gitarist Skip Spence (1946-1999). Kantner vond dat hij uitzag als een drummer en bood hem de drumkruk. Spence accepteerde. Na het verlaten van Jefferson Airplane en de start van zijn eigen band, Moby Grape, ging hij toch weer terug naar de gitaar.
Eenmaal op gang vond men het basspel van Harvey ondermaats en er werd gezocht naar een vervanger. Dat werd een vriend van Kaukonen: Jack Casady (1944- ). Casady speelde bas en gitaar. Casady verbaasde zich over de chaotische taferelen, hij was gewend om zich voor te bereiden en te oefenen, dat bleek hier anders te gaan. Ondanks dat speelde de band niet onaardig. De kritische muziekjournalist Ralph J. Gleason schreef, na het zien en horen van de groep in The Matrix: “this is one of the best bands ever.” Vervolgens deed hij alles om de groep te promoten met als gevolg dat ze drie maanden later al een platencontract bij RCA Victor hadden.
1965 is het jaar waarin het vliegtuig pas echt goed de lucht in gaat. Dat jaar geven ze twee concerten, die achteraf erg belangrijk blijken te zijn. De eerste is op 16 oktober tijdens een ‘happening’. Die vond plaats in Longshoremen's Hall in de Bay Area in San Francisco. Een ‘happening’ is, simpel gezegd, een bijeenkomst waar van alles kan gebeuren en niets vastomlijnd is. In die tijd kon het zijn dat bands optraden, mensen geschilderd werden – bodypainting – er gedanst en geblowd kon worden. Er hoefde niets en alles mocht. Jefferson Airplane treedt er op met in het voorprogramma The Great Society. Voor het eerst horen en zien ze daar Grace Slick.
Bijna een maand later is Jefferson Airplane de hoofdact bij een benefietconcert voor de ‘San Francisco Mime Troupe’. Dat wordt georganiseerd door Bill Graham. Die kennen we vooral van zijn Fillmore’s, West en later ook East. Dat werkte meteen, want op 10 december is in Fillmore Auditorium, zoals het dan nog heet, een eerste optreden, met opnieuw in het voorprogramma The Great Society.

Marty Balin schreef de muziek voor de eerst single: ‘It’s No Secret/Runnin’ Round the World’ (1966). Weinig experimenteels nog hier, Balin denkt bij het maken vooral aan muziek van soulzanger Otis Redding. Het B-kantje zorgt voor ophef bij RCA, de tekst "The nights I've spent with you have been fantastic trips" kon in hun optiek niet. Niet vanwege de nachten, maar vanwege de ‘trips’.
Na de single kwam de eerste lp: ‘Jefferson Airplane Takes Off’ (1966). Naast een paar klassiekers, zoals ‘Tobacco Road’ zijn de meeste tracks geschreven door Balin. Soms alleen, vaak met Kantner, een enkele met Spence en Kaukonen. De muziek, gebaseerd op blues, folk en wat soul is al best herkenbaar. Dat komt door een aantal factoren: de opvallende stem van Balin; een wat hoog, gekweld geluid, het typische, uitwaaierende gitaarspel van Kantner en Kaukonen, de duozang met zangeres Anderson en het op de voorgrond staande basspel van Casady; niet bepaald een alledaagse bassist. De Airplane klinkt op ‘Take Of’ best nog braaf, een elektrische folkband me rock-invloeden. De plaat verkocht goed en werd in korte tijd ‘goud’. Er was dan ook snel een herpersing nodig. RCA maakte daar handig gebruik van door de track ‘Runnin’ Round the World’ te verwijderen om eerder genoemde reden. Twee andere tracks werden gepresenteerd met iets gewijzigde teksten. ‘De track ‘Let me in’ kreeg twee ‘aanpassingen’: "I gotta get in/you know where" werd "you shut your door/now it ain't fair’ en verderop: "Don't tell me you want money" werd "Don't tell me it ain't funny". De tweede track die gecensureerd (daar komt het tenslotte op neer) werd is ‘Run Around’: "flowers that sway as you lay under me" werd "flowers that sway as you stay here by me". De eerste, ongecensureerde lp-versie, tenminste als je er al een tegenkomt, kost nu een vermogen.
Na het album zijn er nogal wat wisselingen. Drummer Spence verliet de band om zijn eigen groep, Moby Grape op te richten én weer gitaar te gaan spelen. Zijn opvolger is Spencer Dryden (1938-2005). Halverwege het jaar werd manager Matthew Katz ontslagen. Die was daar niet heel blij mee en spande een rechtszaak aan die nog zou duren tot 1987! Vervanger werd Bill Thompson, een kamergenoot van Balin. Thompson regelde optredens voor het Berkeley Folk Festival en Monterey Jazz Festival.
De belangrijkste verandering kwam voort uit de zwangerschap van zangeres Anderson. Ze kreeg een dochter, koos vervolgens voor een rustig leven thuis en stapte dus uit de band. 15 oktober 1966 was haar afscheidsconcert. Bij het laatste lied werd het hele podium gevuld met margrietjes. De volgende dag, 16 oktober 1966 had Jefferson Airplane een nieuwe zangeres: Grace Slick. Ze bracht ‘the looks’ mee, haar kwaliteiten als frontvrouw-zangeres én een aantal eigen composities, waaronder ‘White Rabbit’.

Begin 1967 werd Bill Graham de nieuwe hoofdmanager in samenwerking met Thompson. Hij regelde diverse concerten met bands als Grateful Dead en Quicksilver Messenger Service. Jefferson Airplane was een echte live-band en trad het liefst overal op. Zo ook bij een ‘Human Be-In’ en een Happening in Golden Gate Park. Die laatste bleek een flinke aanzet tot de liefdevolle zomer, nu bekend als ‘the Summer of love’. De economie floreerde, er was geld, tijd en meer ruimte. Jongeren kregen meer ruimte van hun ouders, hadden vaak zakgeld en trokken er massaal op uit om zichzelf te ontdekken en de vrijheid die er plotseling was te ervaren. Ze kwamen bij elkaar in parken of andere plekken en op die plekken werd gemusiceerd, spontaan of met bands uit de regio. Niets moest, alles kon. Dat gold voor de liefde, maar ook drank en drugs. Het waren niet alleen oudere jongeren, maar ook tieners die het thuis voor gezien hielden. Dit is de setting waar een band als Jefferson Airplane gezien werd als de muzikale spreekbuis van die generatie.

Jefferson Airplane’s tweede album, ‘Surrealistic Pillow (1967)’ wordt nu gezien als het album dat de tijd hierboven geschetst muzikaal het best weergeeft. De openingstrack ‘She Has Funny Cars’, laat een fris geluid horen, duozang, shuffle en vervormde gitaren en een mooie gitaarsolo op het eind. ‘Somebody to Love’ wordt vooral gezongen door Slick en sluit af met opnieuw een geweldige gitaarsolo. ‘My Best Friend’ zet een heel andere sfeer neer, beetje poppy, vriendelijk, mooie duozang, meer richting Beatles dan Airplane. Met ‘Today’ gaan we de folk-kant op. De track wordt gezongen door Balin. Dat geldt ook voor de track daarna: ‘Comin' Back To Me’; een akoestisch nummer met blokfluit van Slick. Met ’3/5 Of A Mile In 10 Seconds’ pakken we de elektriek weer op. Dit is meer rock mét gitaarsolo. Die solo’s in deze tijd vormen een essentieel onderdeel van het geluid van de band. Bijna countryachtig is ‘D.C.B.A.–25’. ‘How Do You Feel’, een prachtig, akoestisch nummer met blokfluiten. ‘Embryonic Journey’ is één lange, akoestische gitaarsolo. Dan gaan we richting bolero, Spanje en een wit konijn die ons met betoverende gitaar naar het land van Alice. Nog steeds een ijzersterk nummer. De laatste track is ‘'Plastic Fantastic Lover’, elektrisch, psychedelisch, gitaren en een goede afsluiter. Het lied gaat over een Tv-toestel. Op het eerste oor is het misschien niet eens zo heel opvallend dat er op ‘Surrealistic Pillow’ maar akoestisch werk staat dan op ‘Take Of’.
‘Surrealistic Pillow’ stond wekenlang in de hitlijst en kwam tot de derde plek. Een groot deel van het succes is te danken aan twee tracks: ‘White Rabbit’ en ‘Somebody to Love’. De een geschreven door Grace, de ander door Darby Slick en allebei uit de erfenis van The Great Society. De respectievelijke singles ervan deden het erg goed: ‘White Rabbit’ kwam tot de achtste plek in de hitlijst, ‘Somebody to Love’ tot de vijfde.
De naam komt van Jerry Garcia, die na het horen van de muziek zei dat het album ‘as surrealistic as a pillow is soft’ was. Garcia die volgens sommigen wel, volgens anderen niet op het album meespeelt wordt op de hoes bedankt als ‘spiritual advisor’.
Door dit album is Jefferson Airplane eind 1967 een van de populairste bands in Amerika. Dat komt omdat ze zo goed de tijdgeest aanvoelden. Barbara Rowes, biografe van Grace Slick, beschrijft het mooi, het was “a romanticism for the electronic age”.

In juni 1967 speelt de band op het Monterey International Pop Festival. Twee tracks van het concert kwamen terecht in de film van het festival. Het zette de band ook internationaal op de muziekkaart.

After Bathing at Baxter’s (1967) is in mijn optiek het beste album van de band, minder gebonden aan folk, country en korte liedjes, maar vooral experimenteel, zoekend naar geluiden en overkomend als één lang werk. Omdat de band zoveel live deed bleek het makkelijk songs te verlengen. Nadat Kaukonen dat een keer gedaan had met een prachtige, lange solo was dat hét signaal voor de rest, met als gevolg langere tracks. Dat was van invloed op het komende album, net als twee andere ‘elementen’, één: Cream en Hendrix waren net op tournee geweest en daar had men de veel hardere, elektrische rock met lange solo’s kunnen horen en nummer twee: de grenzen van de bekende muziekstructuren werden flink opgerekt door met name Frank Zappa en die had in die hoedanigheid een grote invloed in de ontwikkeling van de Airplane.
Na het succes van Surrealistic Pillow stelde RCA meer geld ter beschikking. Dat gebruikte de band vooral om in de studio te luieren, te drinken en te blowen. Soms werd er zelfs muziek gemaakt. Balin, die tot nu toe veel werk geschreven had vond het lastig zijn plek terug te vinden, hij had een beetje genoeg van egoïstische trips. Dryden en Slick hadden inmiddels een relatie en dronken overmatig veel. Kantner werd hierdoor de belangrijkste componist. Fricties waren er met de nieuw aangestelde manager, Graham, kortom het liep allemaal niet lekker. De ‘laissez-fair’ houding van iedereen was typerend voor de tijd. Men had ook iets van “RCA weet toch niet waar we mee bezig zijn en laten we vooral eens iets heel anders doen”. Een andere insteek was “Als Zappa (muzikaal gezien) alles kan doen wat hij wil, kunnen wij dat toch ook?” Het gevolg was geluidsexperimenten, lange tracks, spelen als in kind in de studio. Er werd van alles uitgeprobeerd. Uiteindelijk kwam er een heel album uit de studio; niet zo succesvol als het surrealistische kussen, maar door muziekconnaisseurs gezien als hét hoogtepunt in Jefferson’s œvre.
After Bathing at Baxter’s is in vijf stukken verdeeld, elk met een eigen kopje: ‘Streetmasse; The War is Over; Hymn to an Older Generation; How Suite it is en Schizoforest Love Suite’. Het idee erachter is dat het album een ‘operastructuur’ heeft en als zodanig in zijn geheel beluisterd moet worden. Ook dit was niet nieuw. Kijk maar eens naar Absolutely Free waar Zappa zijn album verdeeld in twee lange stukken ‘Absolutely Free, #1 in a series of Underground Oratorios’ en ‘The M.O.I. American Pagean, #2 in a series of Underground Oratorios’. De openingstrack, ‘The Ballad of You & Me & Pooneil’, duurt op de plaat vier-en-een-halve minuut, live werd het nummer uitgetrokken tot soms wel een kwartier.
De hoes, getekend door Ron Cobb, is een kritiek op de wegwerpmaatschappij, toen al. Ik vind het nog steeds een half-afgemaakte hoes, met een Amerikaanse vlag, kleurentekening en een achtergrond die jezelf mocht inkleuren? De inhoud was gelukkig wel goed.
Jefferson Airplane ging vaak op tournee en raakte steeds bekender, niet alleen door hum muziek, maar ook daar een eigen, unieke én fantastische lichtshow. Die werd bijna altijd gedaan door Glenn McKay’s ‘Headlights’.

Begin 1968 werd Graham ‘ontslagen’. Slick: "Either he goes or I go". Die keus zal niet moeilijk geweest zijn. Thompson werd nu hoofdmanager. Onder zijn hoede werd een oud, Victoriaans huis met twintig kamers gekocht: 2400 Fulton Street. Dat werd de woonruimte van de band en tevens hoofdkwartier. Een van de betere compilatiealbums (1987) is genoemd naar dit adres.
Halverwege 1968 ging Jefferson Airplane voor het eerst naar het buitenland, Europa: Nederland, Engeland, Duitsland en Zweden. De tournee was samen met The Doors. Gedurende de tour hadden Slick en Doors-zanger Jim Morrison een kortdurende verhouding.
Ophef was er vanwege het zwart – blackface – geschminkte gezicht van Slick bij een optreden tijdens ‘The Smothers Brothers Comedy Hour met als toegift haar vuist in de lucht als een Black Panther saluut. Politiek had de band altijd al bezig gehouden, nu werd het ook visueel gemaakt.
In november gaf Jefferson Airplane een verrassingsoptreden op een dak van een flat in New York. Ze konden slechts één nummer, ‘The House at Pooneil Corners’, spelen voordat ze door de politie gesommeerd werden te stoppen. Twee maanden later zouden The Beatles eenzelfde actie uitvoeren in Londen. Beide acties zijn gefilmd en het is prachtig te zien hoe divers het onverwachte publiek reageert op de plotselinge geluids-traktatie.

Crown of Creation (1968) is het vierde album in de rij. Qua opzet en structuur grijpt het terug naar ‘Surrealistic Pillow’: kortere, afgebakende songs de experimenten zijn nu ingebed in de tracks. Omdat de band in de pers op dat moment al ‘neergezet’ werd als ‘het gezicht/geluid van deze tijd’ is het niet raar dat de compactere aanpak meer succes oplevert. Crown of Creation wordt door velen gezien als het beste album. Hm… dat is dan al nummer drie. Ook niet slecht, toch? Echter, hier geldt de regel: het is maar van welke kant je het bekijkt of met welke oren je luistert.
De titel verwijst naar de ultieme uitvinding van de mens, de atoombom, de ‘Crown of Creation’. Alleen, als die dan gebruikt wordt, zo leren we uit de tekst: “You’ve got no place to go.” Het is een regelrechte reflectie op de tijd, de zomer der liefde was voorbij, in 1968 waren Bobby Kennedy én Martin Luther King vermoord; de protesten tegen de Vietnamoorlog werden alleen maar feller. Het positivisme en surrealisme had plaats gemaakt voor de harde realiteit. Die realiteit is terug te vinden in Läther’. De song is geschreven door Slick en gaat over haar vriend Dryden. Hij is de eerste in hun kring die dertig jaar wordt. Bijzonder, wat in die tijd was dertig zo’n beetje de grens tussen (te) oud en jong: “Vertrouw niemand boven de dertig.”
‘Triad’ is van David Crosby. Hij schreef het voor The Byrds, maar die zagen het liedje over een driehoeksverhouding niet zitten. Crosby gaf later aan dat dit voor hem het eind bij The Byrds betekende. Toch zag hij het graag uitgevoerd: “Als er één iemand is die dit wel wil en kan zingen, is het Grace Slick.” Dat klopte, ze zong het, mét verve! Ze gaf ook toe nooit in die situatie te zijn geweest, maar het had haar zo kunnen overkomen en dan was het prima geweest.
In tegenstelling tot ‘Baxter’s’, waar Kantner de belangrijkste componist was, is Crown of Creation het resultaat van de hele band. Als bonus bij de cd-uitgave (2003) krijgen we een aantal tracks, waaronder één wel heel opmerkelijke: ‘Would You Like a Snack’; een werk van Frank Zappa. Voor deze gelegenheid aangeduid als samenwerking met Slick. Extra musici zijn enkele Mothers of Invention-leden: Arthur Tripp III (drums), Ian Underwood (toetsen, blaasinstrumenten), Donald Preston (toetsen) en Zappa zelf (gitaar).
Dryden’s bonuswerk ‘The Saga of Sydney Spacepig’, is een stuk musique concrète en bevat stukjes ‘The Air’ van Frank Zappa’s Uncle Meat. Luister maar eens goed.

‘Bless Its Pointed Little Head’ (1969) is het vijfde album van Jefferson Airplane, een live-album. Voor de verandering geeft de band er nu een mening over, het is hun beste album! Jefferson Airplane is een live-band, die op allerlei festivals staat en bewust het publiek opzoekt. De interactie met dat publiek zorgt voor de juiste sfeer en in zo’n sfeer fungeert men beter. ‘Bless Its Pointed Little Head’ is niet één concert, maar een mix van nummers uit een reeks concerten in zowel Fillmore East als Fillmore West. Jammer is de opgelegde en beperkte limiet van lp-kanten, waardoor de concertbeleving aan de korte kant is. In het cd-tijdperk kwam er wel wat bij, maar die dertien extra minuten zijn het ook niet echt. ‘Bear Melt’ is met elf minuten de langste track, een jazzy stuk met flink wat improvisaties. De titel verwijst naar een actie van de geluidstechnicus August Owsley Stanley III, alias ‘Bear’ alias ‘The Mind Melting Chemist’. ‘Fat Angel’ is een stuk van Donovan, een wederdienst eigenlijk. Donovan had het eerder opgenomen op zijn album ‘Sunshine Superman’. Eén zin uit de tekst springt in het oor: “Fly Jefferson Airplane, gets you there on time.” Natuurlijk staat ‘Somebody to Love’ erop, maar het konijn is nergens te vinden. ‘Rock Me, Baby’ is een lang bluesnummer, misschien al de voorbode van wat komen gaat?
The Village Voice schreef: It’s the Airplane sounding like the Airplane for the first time on record.” Ondanks het enthousiasme van de band kwam het album maar tot de zeventiende plek in de hitlijst. In 1969 moet Slick een keeloperatie ondergaan. Jefferson Airplane kan daarom niet optreden, maar stilzitten is ook niet alles. Als tijdverdrijf begint de rest van het grootste deel van de groep een parallelband: Hot Tuna. Die wordt gevormd door Kaukonen, Casady, Kantner, met als drummer Joey Covington. Hot Tuna speelt werk van Jefferson Airplane, maar vooral veel blues, de oude liefde van Kaukonen en Casady. Het is een groep in wisselende bezetting, de kern bestaat uit Kaukonen en Casady, Kanter er soms wel bij, soms niet, soms staat Balin zelfs on stage. In ieder geval bevalt het zo goed dat Hot Tuna later in het voorprogramma van Jefferson Airplane staat.
Rond april 1969 mag Slick weer zingen en begint men met de opnames voor het volgende album. Dit keer bij Wally Heider, die dan net een zestien-sporen console heeft. Voor die tijd bijzonder. Volunteers valt op door een groot aantal gastmuzikanten: Nicky Hopkins (piano), Stephen Stills (Hammondorgel), Jerry Garcia (steelgitaar), Joey Covington (percussie), David Crosby (muziek, zeilboot – zijn wooden ship) én een andere band: The Ace of Cups! Vier dames uit die band zingen mee: Mary Gannon, Marylin Hunt, Diane Hursh en Denise Jewkes.
Volunteers is net als ‘Crown of Creation’ het werk van de meeste bandleden en bestaat uit een afwisseling van meest korte songs. ‘Good Shepherd’ en ‘Meadowlands’ zijn bewerkte ‘traditionals’. ‘Wooden Ships’ kennen we vooral van Crosby, Stills & Nash, maar wordt hier uitgevoerd door de Airplane. De track is geschreven door Crosby, Kanter en Stills. Naast de titeltrack is dit het meest in het oor springende nummer.
De release verliep niet soepel, want opnieuw is er gedoe met RCA. Die vindt het woord ‘motherfucker’ van ‘We Can Be Together’ niet heel geschikt voor de argeloze luisteraartjes. Gelukkig wisten groepsleden dat het in de musical ‘Hair’ ook gezegd werd en mocht het alsnog. De grilligheid ten top. In hetzelfde liedje wordt gezongen: "in order to survive, we steal, cheat, lie, forge, fuck, hide, and deal". Op de lp mocht het dus wel, maar op de single greep men alsnog in: ‘motherfucker’ ‘ma…’ en werd ‘fuck’ ‘fred’. De albumtitel lag ook al niet lekker: ‘Volunteers of Amerika’. De ‘Volunteers of America’ was een liefdadigheidsinstelling, maar de naam met de ‘k’ raakte in zwang als een uiting van onvrede over datzelfde America. Uiteindelijk werd de titel ingekort tot ‘Volunteers’. Door al dit gerommel verschijnt het album pas in november 1969.
Het publiek wist er allemaal niets van en kocht het album in flinke aantallen, het kwam tot de dertiende plek en verwierf al vrij snel een ‘gouden status’.

Tussen de opnames door stond Jefferson Airplane in augustus als hoofdact op de planken voor een zogenaamd ‘free concert’ in Central park New York, gevolgd door het fameuze optreden tijdens het Woodstock festival. Daar werd de groep ondersteund door Rolling Stones pianist bij uitstek; Nicky Hopkins. Die kenden ze al van de samenwerking in de studio. Slick opent hun concert met de woorden: “All right friends, you have seen the heavy groups, now you will see morning maniac music, believe me, yeah. It’s the new dawn!” Vervolgens wijst ze naar de bandleden en kondigt ze aan als “The regular guys.” De enige die er positieve herinneringen aan heeft is Kantner, voor de rest is het concert in nevelen gehuld. Het publiek en later het lp- en filmpubliek vond het optreden geweldig. In eerste instantie kregen we slechts hapklare brokken op de Woostock albums, in 2009 (!) het hele concert. De speciale editie ‘The Woodstock Experience’ is het complete concert, aangevuld met ‘Volunteers’, het album uit die tijd, en een dubbelzijdige poster: een kant publiek, andere kant foto van de band.
In september 1969 geven Casady en Kaukonen als Hot Tuna een aantal akoestische optredens in Berkeley. Ze hadden er zoveel succes mee dat die concerten de grondslag werd voor een eerste album. Door het succes begonnen de heren meer en meer tijd in Hot Tuna te steken. Het is één van de elementen richting het eind van Jefferson Airplane.
In december is daar dan Altamont, het concert dat we helaas maar al te goed kennen door de gewelddadige dood van een bezoeker door de zogenaamde ordebewakers, The Hells Angels, tijdens het optreden van The Rolling Stones. De sfeer was grimmig, dat moest ook Balin ervaren toen hij bewusteloos geslagen werd door zo’n ordebewaker. Altamont Free Festival wordt inmiddels gezien als het eind van een vrolijk, bloemrijk en liefdevol hippie-tijdperk.
Even een weetje voor de quiz: Jefferson Airplane is de enige band die op alle ‘grote’ festivals gespeeld heeft: Woodstock, Monterey. Altamont, Isle of Wight en ons eigen Holland Pop Festival in Kralingen.

Altamont was niet alleen het eind van het hippietijdperk, het was ook het eind van een vertrouwde Airplane. Begin 1970 werd Dryden uit de band gezet. Hij had een burn-out en was heftig teleurgesteld in de mensheid door alles wat er in Altamont gebeurd was. Zijn vervanger werd Joey Covington (1945-2013), die al bekend was van zijn bijdragen aan Hot Tuna. Later werd een vriend van Covington, Papa John Creach (1917-1994), een jazzviolist, toegevoegd. Creach had gewerkt met Louis Armstrong en T-Bone Walker. Dryden duikt na enige tijd weer op in een andere band ‘The New Riders of the Purple Sage’; een countryrock band.

Er kwam geen nieuw album in 1970, alleen een single: ‘Mexico/Have You Seen the Saucers’. Mexico was een aanklacht tegen toenmalige president Richard Nixon. Er kwam wel een soloalbum van Kantner: ‘Blows Against The Empire’. Als solo/band-naam staat op de hoes: Paul Kantner/Jefferson Starship. Op het album doen heel wat vrienden mee: Crosby en Nash, leden van Grateful Dead, idem van Jefferson Airplane en enkele studiomusici. Het album was redelijk populair en kwam tot een twintigste plek in de album hitlijst.
Eind 1970 kwam er wel een compilatiealbum uit, het eerste van velen: ‘The Worst of Jefferson Airplane’.

1971 is het jaar waarin de kentering duidelijk wordt en de Airplane niet meer de oude Airplane is. Slick en Kanter beginnen nu een relatie, verwachten een baby, Slick scheidt officieel van Jerry Slick, kreeg Grace Slick een ernstig ongeluk tijdens een wegwedstrijd met Kaukonen en verliet Balin de band. Balin was in shock door de plotselinge dood van Janis Joplin, een zeer goede vriendin van hem. Na haar dood stopte hij met alcohol en drugs en richtte zich op zijn gezondheid middels yoga. Het vervreemdde hem van de andere bandleden, die nog volop in/onder de genotsmiddelen zaten. Zijn vertrek had belangrijke invloed op het geluid van de band.
Ondanks alle strubbelingen komt er een nieuw album: ‘Bark’ (1971). Het is het laatste album bij RCA en het eerste op hun eigen label: Grunt Records. Dat werd overigens gedistribueerd door RCA. Het album kwam tot de elfde plek, de single, ‘Pretty as You Feel’ tot de zestigste…
De goede luisteraar merkte de veranderingen, Bark had niet meer het vuur van de vorige albums en het nieuwe geluid met vioolspel was het in mijn optiek toch net niet. Ook ontbrak die bijzondere stem van Balin. Op de achtergrond van Bark waren verschillende ‘kampen’ ontstaan, Kantner en Slick aan de ene kant, Kaukonen en Casady aan de andere. De drummer en violist zaten er zo’n beetje bij en keken ernaar. Alcohol en druggebruik, vooral door Slick, zorgde ervoor dat er weinig concerten gegeven konden worden. Wel was er nog een nieuw album: ‘Long John Silver’ (1972), maar je kon je afvragen of dat nog een bandplaat was. Om het album regende het soloalbums van bijna iedereen in de band. Cynisch werd door de bandleden opgemerkt dat het mooiste aan het album de hoes was.
En opnieuw moest er een nieuwe drummer gezocht worden, ex-Crosby, Stills, Nash & Young drummer John Barbata (1945- ).
Dit keer volgde er wel een tournee, de eerste in twee jaar. Ex-Quicksilver Messenger Service zanger David Freiberg nam de taak van Balin op zich. Twee optredens in Winterland Ballroom werden opgenomen voor een live-album. De verrassing zat aan het eind: Balin stapte het podium op om twee songs mee te zingen: ‘Volunteers’ en ‘You Wear Your Dresses too Short’.
‘Thirty Seconds over Winterland’ (1973) was de weerslag van het concert. Ook nu weer was iedereen in de band het met elkaar eens: dit is het slechtste album dat we ooit gemaakt hebben! De muziek loopt niet en Slick is regelmatig uit de maat of zingt vals. De hoes met de vliegende broodroosters doet surrealistischer aan dan het album met die naam, de muziek is nogal plat te noemen. Dit was de genadeklap en het einde van Jefferson Airplane. Kaukonen en Casady stapten op om verder te gaan met Hot Tuna. Slick en Kantner gingen later door met Jefferson Starship en hadden daar successen mee. In 1989 is er een reünietour, weliswaar zonder Dryden. In 1996 werd de ‘oude’ band (1966-1970) opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. Behalve Slick, die te ziek was, was de iedereen aanwezig. In 2016 ontving Jefferson Airplane de ‘Grammy Lifetime Achievement Award’.

Naast de hier genoemde basisalbums kwam er na ‘Thirty Seconds over Winterland’ een wagonlading aan verzamelalbums, live-albums en ander soort albums op de markt. Per album een andere platenmaatschappij en daar vraag je je natuurlijk van alles bij af. De meest bijzondere in de reeks zijn die van RCA: ‘Live at the Fillmore East 1968’ (1998); ‘Sweeping Up the Spotlight, Live at the Fillmore East 1969 (2007) en al genoemde ‘The Woodstock Experience’ (2009). Niet van RCA, maar van Thunderbolt is de cd ‘Live at Monterey Festival’ (1990). Een mooie aanvulling op de basisset is: ‘Early Flight’ (1974) en de 3cd-set ‘Loves You’ (1992). De laatste twee met oude opnames, alternatieve takes, demos, live-tracks en ander onbekend materiaal. Mij was het al duidelijk, maar door alle uitgaven wordt het nog eens benadrukt, de eerste jaren, tot en met 1970, waren de topjaren met fantastische albums. De Rock & Roll Hall of Fame had dat goed gehoord. Het is de chemie van de individuele bandleden met elk hun eigen karakter die ervoor zorgt dat er iets bijzonders ontstaat. Ga je daarmee rommelen dan krijg je iets anders en dat hoeft niet per sé hetzelfde of beter te zijn.
Uiteindelijk kwam Alice ook weer terug in het ‘normale’ leven en was het surrealistische verhaal verleden tijd. Zo gaat het ook met vliegtuigen, ze kunnen niet altijd in de lucht blijven. Gelukkig hebben we onze hersens goed gevoerd Alice!