logo van The Lemontree
george duke: mps recordings

Bevrijde fantasieën

omschrijving afbeelding

De Amerikaanse George Duke was gek op pianospelen, maar volgde een opleiding als trombonist met als bijvak piano. George Duke werd vooral populair als synthesizerspeler, zanger en producer.

Dat jazz niet dood was, maar alleen vreemd rook bewees hij in Zappa’s band. George Duke stond al snel bekend om zijn funky bijdrage en bebop-geluiden en veranderde en passant Zappa’s muziek behoorlijk. Andersom was de invloed waarschijnlijk groter.

Al in de periode zijn vroege albums had George Duke een voorkeur voor Braziliaanse muziek. Dat zou leiden tot zijn meest succesvolle album ooit: ‘A Brazilian Love Affair’ (1979).

Voordat George Duke aan die affaire toe was had hij al een reeks albums uitgebracht op het Duitse (!) MPS-label. Ze zijn grotendeels gebundeld als ‘My Soul’. Lees het verhaal over de beginjaren van George Duke, die hij begon met – naar eigen zeggen – zijn slechtste album ooit.




George M. Duke (1946-2012) is geboren in San Rafael, Californië. Zijn moeder, Beatrice, houdt wel van muziek en neemt de kleine George, hij is dan vier jaar, mee naar een concert van Duke Ellington. Dat heeft ze geweten: "I don't remember it too well, but my mother told me I went crazy. I ran around saying 'Get me a piano, get me a piano!'" Dat gebeurt niet meteen, maar vanaf zijn zevende jaar volgt Duke pianolessen in de plaatselijke Baptistenkerk.
Na zijn middelbare school haalt hij aan de San Francisco Conservatory of Music zijn bachelor. Niet voor pianospel, maar voor trombone. Als minor doet hij piano. (1967). Een best bijzondere ommekeer toch? Duke begint met de klassieke muziek, maar zijn neef Charles Burrell haalt hem over naar jazz te switchen.: "improvise and do what you want to do". Achteraf bleek het een gouden advies. In 1975 behaalt Duke zijn Master in Compositieleer aan de San Francisco State University, maar toen had hij best al wat composities achter de rug.

Het Art van Damme Quintet had net voor SABA het eerste album opgenomen. Op de terugweg gingen de heren van SABA/MPS, Hans Georg Brunner-Schwer (eigenaar van SABA) en Baldhard G. Falk (MPS Records) langs de Jazz Workshop; een jazzclub Op het bord buiten stond dat binnen het Les McCann Trio speelde. Maar daar bleek dat er geen trio maar kwartet op het podium stond. Bij navraag bleek dat McCann ziek was en was vervangen door het George Duke Quartet. Een nieuwe groep met vooral jonge muzikanten. Al snel bleek dat zij – muzikaal gezien - iets te vertellen hadden en, misschien nog wel belangrijker, dat ze vooral veel plezier hadden in dat wat ze deden. Een contract was snel gesloten. Het kwartet moest net zo snel de studio in, want de vliegtickets van de heren van de platenmaatschappij waren al geboekt. In zes uur moest het gebeuren! De sessie verliep niet vlekkeloos, mede omdat er geen geschikte piano gevonden kon worden. Die van de studio was net kapot of, zoals men zei, ‘gemold door een rock ’n roll band’…
Toch slaagde het viertal erin een zestal tracks op te nemen. Die werden uitgebracht als: ‘The George Duke Quartet Presented by the jazz Workshop 1966 of San Francisco’ (1966). Naast George Duke bestond de groep uit: David Simmons (1937-2010 /bastrompet), John Heard (1938- /bas) en George Walker (?/drums). Duke is duidelijk de jongste in het gezelschap. Simmons zou na deze sessie niet veel muzikaals meer doen, hij ging aan de slag als timmerman. Van Walker is niets te vinden. John Heard zou nog op heel wat albums van Duke terugkeren, al dan niet met een elektrische bas. Dit Quartet bestond niet lang, Duke speelde meestal met een trio; de hierboven genoemde groep minus Simmons. Daarmee trad hij onder anderen op in de Half Note, een bekende jazzclub.
Terugkijkend vond Duke het niet zo’n geslaagd album: “Without a doubt this is the worst record I've ever made. I was quite nervous and had been studying John Coltrane. For some reason I thought all I had to do was play the head of a tune real nice and then proceed to rattle off myriads of notes at high velocity. This did not make for a pleasing result, but it was all I knew. Actually I have tapes that predate this LP that are far superior, because I was relaxed and not in a studio environment.”

Nou valt dat wel mee, maar een hoogstandje is het ook niet. Een goede start is het zeker. Het is een honderd procent jazzalbum met alleen akoestisch instrumentarium. Het album werd in eerste instantie op SABA uitgebracht, maar vijf jaar later, na enkele successen van Duke, opnieuw en dan op het hoofdlabel MPS. MPS staat voor: ‘Musik Produktion Schwarzwald’, maar de afkorting werd later gebruikt als ‘Most Pefect Sound’. Bij de verzamelbox, ‘My Soul’, werd dit album niet toegevoegd, met als opmerking dat het nogal anders was dan de rest. Het is een keus zal ik maar zeggen.

Na het album bleef Duke optreden met zijn trio. Hij deed dat vooral in de Half Note Club. Een bekende club bij de jazzcats. Daar is het ook niet vreemd dat die opstaan en mee gaan doen of afspraken maken om later met hun instrument terug te keren. Zo stonden vibrafonist Bobby Hutcherson, trompettisten Dizzy Gillespie en Kenny Dorham en tenorsaxofonist Harold Land met het trio op het podium. Daarnaast werkte Duke een aantal maanden in de band van Don Ellis. Trompettist Ellis staat, althans binnen de jazz, bekend als de man van de afwijkende maten. Geen vierkwartsmaten bij hem, maar wel (3 2/3)/4 of 21/4. Duke kon toen nog niet weten hoe goed die ervaring voor hem zou zijn. Ellis maakte in deze periode enkele albums voor MPS. De drummer die op die albums speelt is ene John Guerin. Een naam om te onthouden.

Op enig moment wordt Duke gebeld door Falk met de opmerking dat de Franse violist Jean-Luc Ponty naar Amerika zou vertrekken om daar wat opnames te maken. Duke wilde maar al te graag zelf ook iets opnemen met “the world's greatest contemporary jazz violinist”, zoals hij hem omschreef. Ponty kwam terecht in ‘Thee Experience’ en speelde na de pauze mee met het George Duke Trio. Thee Experience was een club waar het grootste deel van het publiek bestond uit (rock-)muzikanten, uit allerlei bands of groepen. Niemand keek raar op dat na een tijd een gitarist het podium opliep om mee te doen. Dat was Frank Zappa die recent zijn band, The Mothers of Invention, had ontbonden. Na de sessie vonden er over en weer gesprekken plaats. Het leidde op korte termijn tot twee bijzondere albums en de deelname van Ponty op Zappa’s album ‘Hot Rats’ (1969).

Het eerste album is: ‘The Jean-Luc Ponty Experience with the George Duke Trio’ (1969). Live opgenomen in ‘Thee Experience’. Tenminste, dat is dan de tweede versie. De eerste was opgenomen in Donte’s Jazz Club met Heard op bas en Al Cecchi op drums. Die opname bleef om onduidelijke redenen op de plank liggen. Het uiteindelijke – echte - album zou uitgebracht worden op Pacific Jazz Records (net als die van Ponty hieronder). Dick Bock van die platenmaatschappij leek het wellicht beter als de opnames nogmaals zouden plaatsvinden, maar dan in een meer rock-gerichte club. Ponty vond het niets, maar Duke zag er wel wat in, maar dan moest er wel een goede piano zijn. Bij aankomst bleek dat er alleen een elektrische Fender Rhodes stond. Duke had nog nooit elektrisch gespeeld. Duke: “I was pissed. Dick had invited all the LA heavies (aanwezig waren onder anderen: Zappa, Quincy Jones, Cannonball Adderley, Gerald Wilson) so, I knew I had to be on anyway. Jean-Luc and I had developed a buzz on the West Coast because of our high intensity progressive jazz style. Dick Bock was convinced that our brand of jazz could get over to an opened-minded rock audience. He was right! I took on the challenge of playing the Fender Rhodes with ferocity.”

En dat is te horen. Op ‘The Jean-Luc Ponty Experience with the George Duke Trio’ horen we Ponty (1942- /elektrische viool), Duke (elektrische piano), Heard (bas) en Dick Berk (1939- /drums). Er staan vijf tracks op het album, van Ponty, ‘Contact’ en Duke, ‘Foosh’, elk een; twee uit Ponty’s Europese verleden: ‘Pamukkale’ van de Duitse pianist Wolfgang Dauner, ‘Starlight, Starbright’ van Fransman Jean Bernard Eisinger en tot slot de ‘hit’ van Herbie Hancock: ‘Cantaloupe Island’. Het is een echt jazzalbum uit deze periode, met elektrische instrumenten, dat wel. Je hoort wel al de snelle, watervalstijl van Duke. Ponty speelt weliswaar elektrisch, maar nog zonder vervorming. Een mooie sessie.
Het album werd later uitgebracht als ‘Live in Los Angeles’ (1970) en nog weer later als ‘Cantaloupe Island’ in een duoverpakking (2006) samen met ‘King Kong’.

‘King Kong, Jean-Luc Ponty plays the Music of Frank Zappa’ (1970) is het tweede resultaat van de ontmoeting in Thee Experience. Het album geeft ons precies wat de titel beloofd. Op het menu: ‘King Kong’, ‘Idiot Bastard Son’, ‘Twenty Small Cigars’, ‘How Would You Like To Have A Head Like That’, ‘Music For Electric Violin And Low Budget Orchestra’ en ‘America Drinks And Goes Home’. In de tijdelijke band voor deze opname treffen we naast Ponty een soort vaste kern aan, bestaande uit: John Guerin (drums), George Duke (elektrische piano) en Wilton Felder (bas). Daarnaast en meestal alleen voor ‘Music For Electric Violin And Low Budget Orchestra’: Ernie Watts (alt- en tenorsax), Buell Neidlinger (bas), Donald Christlieb (fagot), Harold Bemko (cello), Arthur Dyer Tripp III (drums), Gene Cipriano (Engelse hoorn, hobo), Jonathan Meyer (fluit), Arthur Maebe (hoorn), Vincent DeRosa (hoorn), Gene Estes (vibrafoon), Milton Thomas (altviool) en Ian Underwood (tenorsax). Underwood dirigeert dit, het langste, stuk van het album. Zappa, aanwezig in de studio, speelt alleen mee, maar kort, op de enige compositie die niet van hem is, ‘How Would You Like To Have A Head Like That’.
‘King Kong’ is in alle opzichten een zeer interessant album. Het was voor het eerst dat iemand anders Zappa’s composities speelde en tevens de eerste keer dat de Zappaliefhebbers het stuk ‘Music For Electric Violin And Low Budget Orchestra’ te horen kregen. Dat werd later in andere settingen regelmatig door hemzelf van stal gehaald. Het is een experimenteel stuk, meer (modern-) klassiek dan jazz, alhoewel het bij Zappa als een rocknummer naar voren kon komen.
‘King Kong, Jean-Luc Ponty plays the Music of Frank Zappa’ viel door het lange stuk uiteen in twee delen met op kant één een – in mijn optiek - wat soft-jazz achtige benadering van Zappa’s stukken.
Toen ook nieuw was de track ‘Twenty Small Cigars’. Ponty’s album was er in mei, pas in oktober was de track te horen op een Zappa album: ‘Chunga’s Revenge’ (1970). Daar klonk die… anders.

Ponty had inmiddels een zeer kleine bijdrage geleverd aan Zappa’s tweede soloalbum ‘Hot Rats’ (1969). Hoe dan ook, zowel Duke als Ponty hadden indruk gemaakt op Zappa en ze zouden allebei later terugkeren in verschillende van diens bands, soms tegelijkertijd. Duke speelde van begin 1970 tot halverwege 1975 in Zappa’s bands, met hoogtepunten als: ‘200 Motels’ (1971), ‘Waka/Jawaka’ (1972),’The Grand Wazoo’ (1972), ‘Roxy and Elsewhere’(1974), ‘You Can’t Do That on Stage Anymore, volume 2, The Helsinki Concert’(1988). Maar Duke speelt op tientallen albums en losse tracks. Ponty speelde kort in 1970 met Zappa en in de 1973-band. Het duidelijkst te horen is hij op ‘Road Tapes, Venue #2. Opgenomen in 1973 in Finland en uitgebracht in 2013. Duke is daar ook van de partij. Ponty levert ook bijdragen op ‘Over-Nite Sensation’ (1973) en ‘Apostrophe(‘)’ (1974). Een heel opmerkelijke bijdrage is te horen op ‘Return Of The Son Of Shut Up 'N Play Yer Guitar’ (1981), op het stuk ‘Canard Du Jour’ begeleidt hij de Bouzouki spelende Zappa op baritonviool. Een niet alledaags geluid zo samen.

Duke ging tussen de bedrijven solo aan de slag. Voor SABA maakte hij twee albums: ‘Solus’ (halverwege 1971) en ‘The Inner Source’ (eind 1971). Die zouden separaat uitgebracht worden. Alleen werd SABA opgeheven in omgezet in MPS. Het zorgde voor de nodige vertraging. Het zorgde er ook voor dat de albums samengevoegd werden tot een dubbelalbum: ‘The Inner Source’ (1973). ’Solus’ is het eerste eigen album waarop Duke elektrische piano’s speelt. Rhodes en Wurlitzer. De ervaring in Thee Experience had daar zeker bij geholpen.

Even tussendoor: Op het moment dat Duke het album opnam speelde hij in Cannonball Adderley’s groep als vervanger voor Joe Zawinul. Dat zou hij nog even blijven doen, parallel aan zijn werk bij Zappa. Een van de meest bijzondere albums met deze groep is ‘The Black Messiah’ (1971). Alom geroemd, nergens te koop. Het is een live-opname in The Troubadour, Hollywood met Walter Brooker (bas), Alvin Battiste (klarinet), Buck Clark (conga’s), Nat Adderley (bugel), Roy McCurdy (drums), Mike Deasy (gitaar), Airto (Percussie), Ernie Watts en Cannonball Adderley natuurlijk (saxen). Duke speelt in deze groep zowel gewone, als elektrische piano.

‘Solus’ is een album in kleine bezetting met Heard (bas) en Berk (drums). ‘Solus’ laat zich beluisteren als een jazz-album, maar vanaf het allereerste nummer ‘Au-Right’ stopt Duke een flinke dosis funk in zijn muziek. Als je Duke’s solo’s van Zappa’s muziek kent weet je wat je mag verwachten. ‘Solus’ is tevens een van die albums waarop de Fender Rhodes prachtig klinkt. De albums in de ‘My Soul’-cd-box worden regelmatig opgevoerd als referentiealbums voor dat zo typische Rhodes-geluid. Heerlijk.

Op diens eigen site maakte Duke nog melding van het feit dat op al deze albums Baldhard G. Falk als producer wordt genoemd: “I feel I should mention that on all my LP's for SABA and MPS, that Baldhard G. Falk is listed as producer. I want to clear this up once and for all. He did NOT produce these recordings musically. He did keep track of the budget, pay the bills, secure the LP covers, etc. He's a great music lover that gave me my first shot, never got in the way musically, and was always extremely supportive. He was one of the good guys that was also supportive outside the music arena, and my mother liked him too.” Op ‘My Soul’ is die omissie rechtgezet: “All tracks produced by George Duke, recordings supervised by Baldhard G. Falk.”

Dat ‘The Inner Source’ later is opgenomen hoor je meteen. Het zou in die zin inderdaad een separaat album moeten zijn. Het album is rijker aan ideeën, maar ook qua geluid. Duke voelt zich sterker en ook dat is te horen. Hij experimenteert nog meer met geluiden, zoals in ‘Nigerian Numberuma’, waarin hij de Wurlitzer laat klinken als een percussieinstrument. Desalniettemin klinkt ‘The Inner Source’ als een prachtig jazzalbum met veel pianosolo’s, maar ook bijdragen van derden op een aantal tracks. Zo speelt Amanda Peroza op percussie. Peroza speelde in Santana en had zich al in het gehoor gespeeld. Er zijn ook bijdragen van James Leary (contrabas met strijkstok bespeeld), Jerome Richardson (saxen, fluit), Luis Gasca (trompet, bugel). Niet heel onbelangrijk is dat Duke op dit album voor het eerste en laatst trombone speelt, zijn ‘eerste’ instrument. De wegen van musici zijn soms grillig.

‘Faces in Reflection’ (1974) is, naar Duke’s eigen zeggen, het album waar hij voor het eerst laat horen wat hij wilde laten horen. Eigenlijk zou het album alleen ‘Faces’ heetten, maar er was al een rockgroep met zo’n album. Inmiddels is Duke vele ervaringen rijker door het werk bij Adderley en Zappa, is hij gaan zingen en heeft geleerd zich veel meer te uiten: “Yeah, man. Jazz, man, you know what I mean? This is Be-Bop, Even though you think it doesn't sound like that…” (Be-bop Tango, 1974). Op ‘Faces in Reflection’ is de funk meer aanwezig, maar ook Duke’s ‘zang.’Die is dan nog vooral woordloos. Datis meteen te horen in ‘The Opening’. Heard is nog steeds de bassist, drummer is Leon Ndugu Chancler (1962-2018 ). Die laatste zou na deze opnames naast vervolgalbums met Duke ook gaan werken met Weather Report en Santana.
Duke: “I actually like this record. This was the first LP that really said what I wanted to say. The idea was to play intense music and use the voice as a tool for orchestration. I had been forced to sing with Frank Zappa, so my confidence was stronger. Don't get me wrong, I didn't then, nor do I now consider myself a singer. I always used singing as a means of communicating with my audience. Words obviously have a different affect than instrumental music. I felt the voice could be used to bridge the gap in a fusion of jazz, funk, latin, and pop music sources.”
Maar wat vooral te horen is, is Zappa’s invloed. Vooral daar waar het gaat om vreemde maten (én het gebruik van de synthesizer. Duke: “This was my first solo record using a synthesizer. Frank Zappa is responsible for my introduction to synthesizers. He told me one day, that I should play synthesizers. It was as simple as that! He bought an ARP 2600 and put it next to my Rhodes. It had all these knobs and looked totally intimidating. I took it home a few times with the manual, but got nowhere. I thought I was back in College studying some abstract foreign language. I finally settled on something simpler. It was an ARP Odyssey. I decided to use an ARP, purely to be different from Jan Hammer, who was playing the Mini Moog, and had a head start on me in the mastery of synthesis. Also, Ian Underwood was real good on the 2600, and I knew I'd sound like a total novice compared to him. But I must admit, I was really drawn to the possibilities inherent therein. There were some things that were a drag also! Remember, at this time there were no presets or ways of saving patches. Not only that, but you were limited to one note at a time. So overdubbing, a good memory and management system became very important.”
Dat waren nog eens tijden. Ondanks alle nieuwigheden is het een heel herkenbaar Duke-album. De jazz bleek nog steeds niet dood. Er was nog een Zappa-linkje, Zappa’s geluidsmixer Kerry McNabb vervult die taak op dit album en op de komenden voor MPS. Duke: “I started calling him Mr. McFreeze because he liked the temperature at sub-freezing levels in the studio.”

Op ‘Feel’ (1974) zet Duke nog een stap verder richting funk en synthesizergebruik. De muziek is daardoor een mix van jazzrock/fusion, soul en funk. De openingstrack, ‘Funny Funk’ maakt dat meteen duidelijk. ‘Love’, de tweede track gaat meer richting rock, maar dat komt vooral door de gitaarsolo van ene ‘Obdewel’l X’ Die laatste kennen we beter onder zijn eigen naam; Frank Zappa. Deze ‘mystery man’ keert terug op ‘Old Slipper’. Door de naam van dat nummer zou je bijna denken dat het een Zappa-compositie is, maar het is een nummer van Duke. Hij bewerkte dat voor tenorsaxofonist Joe Henderson voor een van diens albums. Duke zingt op ‘Love’ en op twee anderen. Eigenlijk is dat nieuw, hij zong al wel op het vorige, maar dat was meer woordloos, ‘scatten’. Nu heeft hij echt teksten geschreven. Maar met tien nummers totaal blijft de zang nog beperkt en is dit album vooral instrumentaal. De bezetting is vergelijkbaar met die van het vorige album. Heard en Chancler als ritmesectie en Duke op een groter scala aan keyboards. Gasten zijn Airto (percussie) en Flora Purim (zang). Die laatste twee liepen toch rond in de studio waar Duke bezig was met zijn opnamen en natuurlijk waren ze bereid even mee te doen.
Ondanks dat ‘Feel’ grotendeels instrumentaal is en een mix van verschillende genres blijkt het een populair album. Duke: “I really think it is possible (and still do) to make good music and be commercial at the same time. I believe it is the artist's responsibility to take the music to the people. Art for art's sake is nice; but if art doesn't communicate, then it’s worth is negated, it has not fulfilled its destiny. Uh oh, I guess I'm getting heavy.”

‘The Aura Will Previal’ (1974) zou je kunnen zien als de broer of zus van ‘Feel’. Chancler is gebleven, maar Heard is vervangen door Alphonso ‘Slim’ Johnson (1951- ), iemand met ook een Weather Report/Santana achtergrond/toekomst. Airto keert terug voor wat percussie (twee tracks). Nieuw is de plek voor meer zang en niet alleen van Duke zelf, maar ook van: Gee Janzen, Kathy Woehrle en Leon Chancler.
Kijkend naar de tracklijst duiken er bekende namen op: ‘Foosh’ (van zijn album met Jean Luc Ponty), maar nu in een andere setting en uitvoering en twee Zappa-gerelateerde composities: ‘Echidna’s Arf’ en Uncle Remus’. De eerste is van Zappa, de tweede is van Duke met tekst van Zappa. Al die invloeden en stijlen maken dit album een afwisselend geheel, maar nog niet een geheel als U begrijpt wat ik bedoel. Heel voorzichtig duikt er een Braziliaans-achtig thema op in ‘Malibu’. Het zaadje was geplant, daar zou nog veel moois uit groeien. Duke kijkt vooral positief naar ‘The Aura Will Prevail”: This is my personal favorite from my days at MPS Records. I again see a lot of growth in myself as a musician. It's quite obvious to me that I had become more confident in my synthesizer playing. I took more chances. I liked to start a solo with one texture and end with another. I didn't hear any musicians doing that, and still don't. I was trying to take the listener on a sonoric adventure. I used some background singers. This was unheard of in Fusion at this time, but I saw possibilities down the line!

Nog meer Zappa-elementen kom je tegen op ‘I Love the Blues, She Heard Me Cry’ (1975). Je zit in Zappa’s band en die stempel drukt zwaar. Dat was in de vorige albums al te horen, maar op dit album bereikt dat zo’n beetje het hoogtepunt. Ook al staan er geen Zappa-composities op ‘I Love the Blues, She Heard Me Cry’, een groot deel van de bijdragen komt van Duke’s collegamusici uit Zappa’s: Tom Fowler (bas), Bruce Fowler (trombone) Janet Ferguson-Hoff (zang), Ruth Underwood (marimba, percussie) en twee anderen met Zappalinkje: Johnny ‘Guitar’ Watson en Emil Richards (marimba). Dank Zappa. Verder zijn te horen Chancler (drums), Lee Ritenour (gitaar), Byron Miller (bas), George Johnson (gitaar, een van de twee broers Johnson), Airto (percussie), Purim (zang), Daryl Stuermer (gitaar, uit de band van Jean Luc Ponty en op weg naar Genesis), John Wittenberg (viool) en achtergrondzangers: Chris Norris, Debra Fay, Donna Correa, Larry Robinson, Ndugu (Chancler), Pat Norris en Roger Dollarhide. Niet iedereen doet op alle tracks mee, maar duidelijk is wel dat Duke het trio ontgroeit is. Dat gold al voor experimenteren in muziekrichting en orkestratie. Duke had er zelfs een naam voor: “I used to call my music Multi-Stylistic. I grew up listening to all kinds of music, and I didn't see why I should be kept in a box musically. I felt, and still feel, that there is intrinsic worth in all forms of music, even the simpler forms. I've always wanted to bring cultures and music together - you know, make a nice stew. In the end, Frank Zappa was responsible for breaking down my musical elitism. I will always owe him a tremendous debt of gratitude for that!” This was the most diverse record I had recorded to date. It was totally against the rules, but you know, I was young, adamant, and black! I wanted to do it my way. This record was recorded at the end of my tenure with Zappa.”

Onverwacht werd het nummer ‘Someday’ een kleine hit. Je snapt meteen waarom. De wat zachte falsetstem van Duke, een lekker ritme, korte pianosolo en gelikte opname. Dat gaat er wel in. Door ‘Someday’ raakten meer mensen geïnteresseerd in Duke. De markt groeide. Dat kwam goed uit, want hij was net uit Zappa’s band. De wereld lag aan zijn voeten en het duurde niet lang voordat hij daar successen kon oogsten. Maar eerst nog twee albums voor MPS, of toch maar één?

‘Liberated Fantasies’ (1976) is het laatste album in de ‘My Soul’-set. Echter Duke nam later nog een album op voor MPS, ‘The Dream’ (1978), een soloalbum, maar had inmiddels een nieuw contract getekend met Epic Records en zag liever dat die dit album uitbrachten. In Duitsland, Nederland en Australië werd het alsnog uitgebracht door MPS, in Amerika inderdaad door Epic, maar dan als ‘The 1976 Solo Keyboard Album’ (1982) én een andere hoes. Later volgde Europa lasnog. Er is vervolgens weinig gedaan met ‘The Dream/ The 1976 Solo Keyboard Album, in 2004 werd het op cd uitgegeven door Wounded Bird Records.
‘Liberated Fantasies’ is een album met een basisbezetting van Chancler (drums) en Embamba (bass/ Embamba is Alphonso Johnson), aangevuld met een flinke hoeveelheid inmiddels bekende gasten: George Johnson (gitaar), Janet Ferguson-Hoff (zang), Napoleon Murphy Brock (zang), Rashid Duke (zang), Ruth Underwood (stem), Daryl Stuermer (gitaar). Emil Richards (marimba), Airto (percussie), David Armaro (gitaar) en Bonnie Bowdon-Amaro (zang). Als je zo naar bezetting kijkt is dit ‘gewoon’ het vervolg op ‘I Love the Blues, She Heard Me Cry’. ‘Seeing You’ werd vaak op de radio gedraaid als vervolg op ‘Someday’, maar dit echter tot afgrijzen van Duke zelf: “Seeing You" is a disaster! It really was the fault of radio! All that airplay for "Someday" made me want to hear more of my material on Black Radio. However, this was not the way to do it! It took me a long time to figure out what type of material was suitable for my voice. Overall, this is not a great record! That doesn't mean there aren't some special moments, but overall, this record doesn't make it. That being said, if you can get past "Seeing You," or skip it, then you'll find some nice stuff. Though one can tell that this is a follow up to I Love The Blues, it just doesn't come across as well. On the whole, I just sang too much.” Zappa-hoezen-ontwerper bij uitstek, Cal Schenkel, ontwierp de voor hem nogal onkarakteristieke hoes.

Nog voor dit album was George Duke een band begonnen met Billy Cobham (drums). Alphonso Johnson sloot zich hier bij aan. Later werkte Duke veel met bassist Stanley Clarke; de Clarke/Duke Project. Met dit ‘project’ had hij een hit ‘Sweet Baby’ (1981).
De weerslag van al zijn ervaringen opgedaan bij de MPS-albums kwam terecht op ‘From Me to You’ (1977). Een succesvol album in soul, funk, jazz-stijl. De opvolger ’Reach for It’ (1977) kwam zelf terecht op nummer twee in de hitlijsten. Zijn belangrijkste album echter zou worden: ‘A Brazilian Love Affair’ (1979). Duke: “I had become acquainted with Milton Nascimento when I went to Brazil with Cannonball Adderley. I bought every record I could find by him, and other Brazilian artists. Before I went to Brazil in 1971, I only knew of Sergio Mendes and Brazil '65, '66, and Stan Getz with Astrud Gilberto. I love them, but in Brazil, I found so much more diversity.”

Langzamerhand groeide Duke ook in zijn aanpak als producer. Een regelrechte doorbraak kwam met zijn werk voor de band ‘A Taste of Honey’. De single van het album ‘Sukiyaki’ (1981) werd een nummer één hit in vele Dans-Hitlijsten. Na de hit stond Duke’s telefoon roodgloeiend. Daarna produceerde hij werk van onder anderen Jeffrey Osborne, Deniece Williams, Anita Baker, Rachelle Ferrell, Everette Harp, Gladys Knight, Melissa Manchester, Barry Manilow, The Pointer Sisters, Smokey Robinson, Seawind, en Take 6. In 1988 was hij ‘musical director’ voor het Nelson Mandela Tribute Concert in Wembley Stadion, Londen en verving tijdelijk bassist Marcus Miller’s plek als ‘musical director’ voor NBC’s Sunday Night Session. Ook was hij jurylid voor de Independent Music Awards. Voor al zijn werk ontving hij een enorme rij aan prijzen en awards. In 2002 zette Duke zijn eigen platenlabel op: Bizarre Planet Music.

In 2013 verscheen zijn laatste album, ‘Dreamweaver’. Het is een hommage aan zijn vrouw, Corine, zij overleed het jaar daarvoor (2012) aan kanker. Het paar was meer dan veertig jaar bij elkaar en gold als ‘one of the great marriages of the music world’. Duke zelf overleed aan jaar na ’Dreamweaver’, in 2014 aan leukemie. Hij was toen zevenenzestig jaar.

Bij een verhaal schrijven over George Duke ontkom je niet aan de invloed van Zappa. Dat geldt zeker voor de muziek in Duke’s beginperiode. Maar dat Duke veel meer kon heeft hij overduidelijk bewezen in de periode daarna. Een keyboardspeler met visie, vaardigheid en kennis. Was hij in het begin nog aarzelend over het werken met synthesizers, later werd hij zelf een toonaangevend synthesizerspeler. De beginperiode voor MPS-periode zou je met terugwerkende kracht als de basis kunnen zien voor Duke’s latere succes. Hier leert hij met vallen en opstaan zijn eigen weg vinden, letterlijk zijn eigen stem, maar ook de mix van muzieksoorten. Soms staan ze hier nog teveel naast elkaar in plaats van in elkaar overgaan. Aan de andere kant maakt het de muziek in de ‘My Soul’ set boeiend, juist omdat die nog niet zo gestroomlijnd is. Daarmee is het niet alleen een ontdekkingsreis voor hem, maar ook voor ons. De naam van zijn laatste album in het doosje zegt het allemaal, in feite is ‘My Soul’ de weerslag van George Duke’s ‘bevrijde fantasieën’.