logo van The Lemontree
genesis: 1969-1977

I know what I like...

omschrijving afbeelding

Epische verhalen, baspedalen, een rek vol gitaren, een stapel keyboards, een meer dan normale drumset en een zanger die afkomstig lijkt uit Star Trek. Dat moet wel goed zijn.

Genesis begon als ‘navolgers’ van The Moody Blues, maar creëerden een heel eigen muziekwereld. Daarbij kwam de band live soms over als een wat suffe, zittende groep met wat theater, maar dan wel gekruid met een typisch snufje Engelse humor.

Begonnen als popgroep met ‘normale’ liedjes werd Genesis een ‘progressieve, symfonische rockband’, maar had na jaren megahits met toch weer die korte en simpele liedjes. Dan hebben we het over Genesis; vers 3. Dat boek laat ik liever dicht.

Genesis’ eerste album werd vanwege de hoes in de bak ‘religieuze albums’ gezet. Het tweede album wordt nu vaak gezien als het eerste echte. Lees het verhaal van een groep die vaak negatief werd aangekeken vanwege hun ‘elitaire’ komaf, inclusief thee en scones.




Je ouders doen je na de basisschool naar een privéschool, maar ook daar wordt natuurlijk muziek gemaakt. Muziek is er voor alle rangen en standen. Charterhouse, opgericht in 1611, lijkt enigszins op Zweinstein, inclusief het gebouw met vele torens, grasvelden, sportplekken. Er is zelfs een theater met 235 zitplaatsen. In die setting opereren twee bandjes met niet heel dagelijkse namen: ‘The Garden Wall’, met daarin Peter Gabriel (1950- /zang, dwarsfluit, keyboards) en Tony Banks (1950- /keyboards) en ‘The Anon’ met daarin Michael ‘Mike’ Rutherford (1950- /basgitaar, gitaar) en Anthony ‘Ant’ Phillips (1951- /gitaar). Band ontmoet band en fuseren vervolgens tot ‘The New Anon’. Niet iedereen blijft actief, in de nieuwe groep speelt het genoemde viertal, aangevuld met Chris Stewart (1951- /drums). Het vijftal wilde graag verder in de muziek en benaderde een oud-Charterhouse leerling, Jonathan King (1944- /zangers/songwriter). King had in 1965 een hit gehad met zijn lied ‘Everyone’s Gone to the Moon’. Als gevolg daarvan werd King manager voor Decca Records. King werkte onder diverse schuilnamen en had onder eigen naam in 1975 nog een hit met de door Johannes Bouwens geschreven en in Nederland oh zo bekende ‘Una Paloma Blanca’. Dank George (Baker, is dat). ‘The New Anon’ kwam King tegen bij een reünie van ex-Charterhouseleerlingen. Hij bleek ook een van Charterhouse, ook al had hij die niet afgemaakt. “Stuur maar eens een demo”, zei hij tegen de groep. Natuurlijk deden ze dat. King zag er wel iets in, maar dan moesten ze wel de naam veranderen. Omdat ze nog in het begin van hun carrière stonden bedacht hij de naam Genesis, dát werd inderdaad de nieuwe naam. Als eerste werd een single uitgebracht: ‘The Silent Sun/That’s Me’ (1968). Een lief liedje, met veel violen, geheel volgens muzikale omgeving van die tijd. Banks gaf later aan dat The Bee Gees een grote invloed gehad hadden. De B-kant is minstens net zo tijdgebonden, maar heeft dan wel even een korte gitaarsolo van Phillips. De arrangementen voor beide nummers waren van Arthur Greenslade.
Helaas kwam er weinig reactie op de single. Desondanks hield King de moed erin, maar vroeg Genesis wel meer te focussen op de meer bedachtzame kant van de muziek. Ze gingen aan de slag. Ondertussen was Stewart gaan studeren en vervangen door John Silver (1950- /drums). Silver had een groot huis, dus daar kon geoefend worden. Het nieuwe materiaal, dertien nummers én een nieuwe single: ‘A Winter’s Tale/One Eyed Hound’ (1968), werd opgenomen in één dag (!) in Regent Studios, Londen. Omdat King tevreden was met de strijkers en arrangementen van Greenslade werden die opnieuw gevraagd. Ondanks het feit dat de groep nog nooit live gespeeld had, een unicum zou ik zeggen, was de opname redelijk geslaagd. Het geluid klonk wat licht, de strijkers namen teveel ruimte in en er waren enkele, vooral orgelsolo’s geschrapt, maar toch. De ‘pastorale’ nummer klonken duidelijk beter dan de meer up-tempo songs. Dat had King toch wel mooi gezien, ondanks het feit dat hij meer vasthield aan kortere songs. Niet alle nummers werden gebruikt, King had een goede hand van kiezen zo zou later blijken bij de uitgebreide uitgave van de 2cd-versie in 2005.

De hoes ‘From Genesis to Revelation’ (1969) werd in stijlvol zwart uitgevoerd met alleen de titel op de voorzijde. Dat laatste kwam doordat er in Amerika een groep met dezelfde naam rondliep en King ‘hun’ naam niet wilde aanpassen. Geen bandnaam dus. Het gevolg: in de meeste winkels werd het album in de bak ‘religieuze platen’ gezet. Wat wil je ook met zo’n naam. Op zichzelf is die bak nog niets eens zo vreemd. Het album handelt over de evolutie van de mensheid, inclusief Bijbelse referenties. Maar, het beoogde publiek liep niet echt warm voor deze schepping. Ondanks lovende recensies werden er in den beginne slechts 650 verkocht. King zag het een gemiste kans, hij vond het een sterk ondergewaardeerd album. Dat is het zeker. In potentie is het latere geluid van Genesis al helemaal aanwezig, net als de gitaar- en keyboardpartijen en Gabriel’s extraverte zang. Tegelijkertijd is het meteen zo dat duidelijk hoorbaar is dat er nog wel wat te doen is om van het meer geijkte muziekstramien van deze tijd, waar de meeste songs toch wel in vallen, los te komen. Niet elke schepping is meteen goed tenslotte.
Zonder de gedroomde openbaring trad de bezinning in. Banks begon met een studie natuurkunde aan de universiteit, Gabriel en Phillips maakten hun studie aan Charterhouse af, Rutherford begon met een opleiding Techniek. De groep nam afscheid van King die volgens de groep teveel bleef hangen in de korte liedjes. Ook het één-album-contract met Decca was vervuld. King hield de rechten van het album en bracht het regelmatig opnieuw uit. Meest ‘compleet’ is de al genoemde 2cd-versie uit 2005. Blijkbaar kan de band zelf ook aanspraak maken op het album, of is er een schikking getroffen, want delen daarvan, maar dan wel de versie zonder strijkers, verschenen in de overzichtsbox ‘Archive 1967-1975’.

Al snel werd duidelijk dat Gabriel en Banks verder wilde gaan met Genesis. Dat gold ook voor de andere drie. Ze oefenden in het huis van Richard McPhail, de oude zanger van The Anon. Hij werd in plaats van zanger road-manager bij Genesis. De groep nam enkele nieuwe songs op, maar geen enkele platenmaatschappij bleek geïnteresseerd. Wel was men inmiddels overtuigd van het idee alleen nog eigen nummers op te nemen. Het eerste concert was tijdens… een kinderfeestje (!). Je moet tenslotte ergens beginnen. Silver koos voor wat meer zekerheid en vertrok naar Amerika om daar te gaan studeren. Zijn vervanger werd John Mayhew (1947-2009/drums). Genesis trok zich terug in een boerderij van de ouders van een van hun oude Charterterhouse maatjes. Ze schreven songs en verzamelden ideeën, daarna leerden ze hoe ze die moesten spelen. Gedurende de winter werd er dagelijks keihard gewerkt om muzikaal vaardiger te worden en zo het nieuwe werk te kunnen spelen. Het waren vooral langere stukken, stukken met een verhaal, veel afwisseling in klank, tempo. Enter: de wereld van de wat toen ‘symfonische muziek’ genoemd werd; muziek afgeleid van klassieke muziek en met vaardigheid en kennis gespeeld. De werken werden zorgvuldig opgebouwd van rustig naar wild met soms een enorme, eruptieve climax. Vooral bij een stuk als ‘The Knife’ werkte het goed. Maar dan moet je het nog wel kunnen overbrengen. Na de winter volgde een kleine reeks concerten, waaronder een vaste afspraak op dinsdagavonden in, nota bene, Ronnie Scott’s fameuze Jazz Club. Daar kwamen ze nauwelijks boven het rumoerige publiek uit. Een goede leerschool. Hun muziek moest harder, maar, zo vonden de aanwezigen, het mocht ook wat pittiger. Harder was lastig, want ze hadden niet eens geld om nieuwe gitaarsnaren te kopen. Een zoektocht naar een nieuwe platenmaatschappij had ook nog weinig opgeleverd. De muziekmaatjes van Rare Bird adviseerden eens contact op te nemen met John Anthony, de A&R (Artists & Repertoire)-man van het net opgezette (Famous) Charisma label. Anthony kwam, luisterde en vroeg vervolgens Charismabaas Tony Stratton-Smith mee naar het volgende concert. Stratton-Smith: "Their potential was immediately apparent ... the material was good and their performance was good ... It was a long shot, because they needed time to find their strength ... but I was prepared to make that commitment". Genesis had een nieuw onderdak gevonden.

Het eerste album voor Charisma is ‘Trespass’ (1970). Duidelijk is meteen dat de stukken langer zijn, en de klank anders is. De twaalfsnarige gitaren van Phillips en Rutherford staan meer in het audiobeeld, net als het – nieuwe – orgel van Banks. Ook al hangt de muziek vanwege die akoestische elementen soms richting folk, het is zeker géén folk. In ieder geval was het anders dan de muziek die op dat moment gemaakt werd. King Crimson was ook bezig in die richting, net als Yes, maar elke groep klonk toch weer anders. Ook al was de muziek was goed ingestudeerd, de opnames liepen minder vlot dan verwacht. Mayhew, een persoon met een heel andere, sociale achtergrond, was een stuk ouder en voelde zich niet helemaal thuis bij het ‘elitaire’ viertal, hij werd er zelfs onzeker van. Het kostte dan ook enige moeite zijn partijen goed uitgevoerd te krijgen.
‘Trespass’ opent met ‘Looking for Someone’ met het zo typische stemgeluid van Gabriel. Bij het vorige album was de stem nog wat weggemoffeld in het geheel en in echo gedrenkt, hier is die meer op de voorgrond. Dat geldt ook voor de dwarsfluitpartijen, het geluid van orgel en het wonderschone geluid van het hemels-instrument: de Mellotron! Het nummer is meteen een uitstekend visitekaartje: dit is Genesis! Het album sluit af met ‘The Knife’, een ode aan ‘The Nice’. Banks probeert het orgelgeluid van Keith Emerson na te bootsen, het lukt hem goed. Het wat ‘heftigere’ nummer werd op het laatst toegevoegd en dat had gevolgen voor de hoes.

Voor die hoes was Paul Whitehead gevraagd. Hij had de muziek gehoord en een landschappelijke afbeelding afgebeeld met daarin iets van een Middeleeuwse sfeer met kastelen, een heer met jonkvrouw en een kleine cupido achter het gordijn. Mooie hoes, maar met de toevoeging van het wat wildere nummer paste de afbeelding niet helemaal meer. Whitehead bedacht een rigoureuze oplossing door zijn afbeelding met een mes door te snijden en het mes op de achterkant van de hoes als foto af te beelden. “Prachtig!”, vond iedereen. Het was net dát kleine extra om de hoes en daarmee het album interessant te maken.

In de boerderij was heel wat werk verzet, er bleef dan ook van alles ongebruikt voor het album. Een reeks songs die ze voor een BBC-Nightride programma gespeeld hadden: ‘Shepherd’, ‘Pacidy’ en ‘Let Us Know Make Love’ haalden het album niet. Die nummers doken later ook op de ‘Archive’-box (2005). Het leidde zelfs tot enige speculaties over een ‘lost album’. Dat ging zelfs zo ver dat iemand het verloren album samenstelde met resttracks: ‘Shepherd’. Om de gekkigheid compleet te maken werd het door sommigen zelfs als bootleg uitgebracht: “The Lost Album’.

Net als met de voorganger liep het niet echt met ‘Trespass’, maar met meer dan zesduizend verkochte exemplaren verkocht het al beter dan hun eerste openbaring. Onze zuiderburen hadden de oren al meteen goed open, ‘Trespass’ kwam daar op nummer één (!) in de albumlijst. Awel zunne!

In stijl met het eerste album werd Genesis’ toekomst opnieuw onzeker. Phillips had aangekondigd te willen opstappen. Hij gaf aan dat er door de diverse tournees te weinig tijd was om complexere werken te schrijven, maar ook dat er teveel componisten in de groep zaten en zijn werk niet altijd goed naar voren kwam. Dat was al genoeg, maar ook zijn gezondheid speelde een rol, Phillips had flink last van bronchitis en dat hinderde hem enorm. Hij wilde, moest bijna, de zaken in zijn eigen tempo doen. Dat deed hij voortaan, met als gevolg een inmiddels aardige reeks albums op zijn naam.

Omdat het met Mayhew ook live niet lekker liep werd gezocht naar een nieuwe drummer die niet alleen qua drumstijl beter zou passen, maar vooral sociaal. ‘We’re not a group that goes out smashing up hotel rooms, Rolls Royces and TV sets. For gigs, we used to travel around with a picnic basket of hard boiled eggs, pots of tea and scones.”
Phil Collins (1951- /drums) las de advertentie die Genesis had opgesteld: “band zoekt drummer voor sensitieve tot akoestische muziek en gitarist voor twaalfsnarige gitaarpartijen”. Collins had gespeeld in de groep Flaming Youth, et daarin gitarist Ronnie Caryl in. Ze besloten samen te reageren. De auditie vond bij Gabriel’s ouders thuis plaats. Terwijl Caryl liet horen wat hij kon, mocht Collins baantjes trekken in het zwembad in de tuin. Collins kende de muziek vaag en vond het een stijl die in de buurt kwam van Crosby, Stills & Nash. Caryl werd het niet, Collins bleek een goede match. Banks: "It was a combination of things. He could make it swing a little bit ... he could also tell good jokes and make us laugh ... And he could sing, which was an advantage because Mike and I were not very good at back-up vocals".
De geplande tournees gingen gewoon door, voorlopig speelde Genesis als kwartet. Rutherford ving de gitaarpartijen van Phillips op. Om de baspartijen toch in te vullen kocht hij baspedalen, die hij zittend kon bespelen. Banks speelde enkele gitaarpartijen op zijn keyboards. Door het geluid te vervormen klonk het bijna hetzelfde. Dat ging allemaal, maar heel praktisch was het niet. Ene Mick Barnard speelde een kleine twee maanden mee, maar er was ging klik, exit Barnard dus. Gabriel had de ogen goed open toen hij in het muziekblad Melody Maker een advertentie las van Steve Hackett (1950- /gitaren) die zocht: "receptive musicians, determined to drive beyond existing stagnant music forms". Gabriel belde hem, vroeg of hij naar ‘Trespass’ wilde luisteren en langs wilde komen voor een auditie. Hackett kwam, speelde en sloot aan. Rutherford en hij bleken bovendien dezelfde interesses te hebben in het anders spelen van akkoorden en het hanteren van andere stemmingen van hun gitaren.

Met een nieuwe, stabiele samenstelling vindt Stratton-Smith het tijd om zijn bands van het Charisma-label meer te promoten en organiseert een tournee met Lindesfarne, Van Der Graaf Generator en Genesis, waarbij de bands om de beurt de ‘hoofdact’ zijn. Door de strakke planning een vreselijke tournee om te doen, maar leerzaam voor de musici onderling.

Nieuwe samenstelling, nieuw album. ‘Nursery Cryme’ (1971) is het derde album van Genesis, het eerste wat de sound van de groep het best laat horen. Hackett speelt natuurlijk heel anders gitaar dan zijn voorganger, meer op de voorgrond, Rutherford heeft wat meer speelruimte gekregen en Banks is helemaal weg van de Mellotron. Hij heeft er, op advies en aandringen van Hackett die vooruitstrevend op zoek was naar nieuwe klanken, een overgenomen van King Crimson en leeft zich daar behoorlijk op uit. ‘The Musical Box’ laat dat meteen in alle glorie horen. Met ruim tien minuten is dit het langste nummer van het album. Het zou voor lange tijd het populairste blijken bij de concertgangers, overigens net als ‘The Return of the Giant Hogweed’. Met Collins in de band had de groep niet alleen een nieuwe drummer, maar ook een zanger erbij. Zijn stem is te horen op ‘For Absent Friends’. In 1971 kon nog niemand vermoeden dat hij later dé zanger van de band zou worden.
‘Nursery Cryme’ werd opnieuw gestoken in een hoes van Paul Whitehead. Het tafereeltje is een ‘samenvatting’ van de tekst van ‘The Musical Box’. Het huis op de achtergrond bestaat echt, het is het huis van Gabriel’s ouders.

‘Nursery Cryme’ was niet heel populair, het album haalde geen enkele hitlijst. Met terugwerkende kracht kwam het, na het succes van de opvolgers, in 1974 alsnog op een 39e plek in de Engelse albumlijst. Het werd populair in Italië, daar kwam het album tot een 4e plek. In België waar de groep al behoorlijk wat fans had werd Genesis gevraagd voor een tv-optreden van een half uur. Dat het album niet goed verkocht was – volgens de band – te wijten aan het feit dat Charisma druk was met vooral Lindesfarne’s album. “Jammer, want ‘The Musical Box’ had net zo populair kunnen worden als Led Zeppelin’s ‘Stairway to Heaven’”, zo vond men. Nou denk ik dat dát wel meevalt, maar het is goed als je zo’n enthousiasme tentoonspreidt, toch?

Moedig voorwaarts dan ook. Het Italiaanse publiek was massaal toegestroomd voor de concerten daar. Dat was een opsteker. Met vier, voornamelijk zittend, spelende muzikanten krijgt de staande de voorman logischerwijs wat meer aandacht. Gabriel bediende zich live van een enkele basdrum, waar hij te pas en te onpas het pedaal van bediende. Op de achtergrond was licht en waren er wat dia’s; Hackett zag er met zijn donkere bril en baardmarkant uit, maar hij was druk met zijn spel. Dat was het dan wel. Er moest méér gebeuren. In mei stond Gabriel plotseling op het podium met een flinke laag witte schmink, donkere ogen en een in driehoek teruggeschoren haargrens. Gabriel; ‘I think showmanship is justifiable if it adds drama and doesn’t swamp the music.” De band, lees Gabriel, kreeg er nogal wat aandacht door in de pers. En aandacht betekent natuurlijk dat er meer mensen komen. Maar de diverse, lange tournees schrokken Hackett nogal af en hij dacht er zelfs over de groep te verlaten. Gelukkig gebeurde dat – nog – niet.

In de zomer wordt in een dan leegstaande dansschool gerepeteerd voor toch weer een nieuw album. In augustus zit de band weer in de studio, maar het vlot niet zo goed meer met producer Anthony. Hij wordt vervangen door technicus Dave Hitchcock. Tijdens de repetities wordt er veel gespeeld, oud werk, nog uit de tijd met Phillips dat uiteindelijk niet uitgebracht wordt, een stuk muziek dat later opduikt op Hackett’s eerste soloalbum en de basis van ’Firth of Fifth’ dat pas op het album na dit zou komen te staan. ‘Foxtrot’ (1972) heet het nieuwe album, de naam komt niet terug in de diverse tracks erop. Meest in het oor springend is het 23 minuten lange ’Supper’s Ready’ op lp-kant B. Het wordt voorafgegaan door een kort instrumentaal gitaarwerkje. Daarmee zijn beide lp-kanten met rond vijfentwintig minuten elk goed gevuld. De openingstrack ‘Watcher of the Skies’ begint met Mellotronklanken. De titel komt van schrijver John Keats, de tekst van Banks en Rutherford. Zij vroegen zich af hoe een alien de aarde zou zien als er geen mensen meer zouden leven. ‘Get ‘Em Out by Friday’ is een volgens Gabriel “comic opera” die gaat over huurders die voor vrijdag hun huis uit moeten. Gabriel gebruikt allerlei stemmetjes om in het stuk de diverse karakters te duiden. ‘Supper’s Ready’ is opgebouwd uit zeven onderdelen en gaat over het aloude thema goed versus slecht. De tijd én de band waren rijp voor lange tracks, het werd dan ook een succes.
Opnieuw zorgde Whitehead voor de hoes en haalde dit keer zijn inspiratie uit het lange nummer. Net als bij de vorige twee albums kwam hij ook met de titel. Whitehead had gehoord dat een ‘foxy’ lady (denk aan het nummer van Jimi Hendrix) een knappe dame was. Het gevolg: een knappe dame, maar wel met een vossenhoofd en dat geplaatst in een jachtscene van de Engelse ‘upper class’. Helaas was band niet zo enthousiast over de hoes. Het gaf ze te denken en daarmee was het de laatste van Whitehead voor Genesis.
Stratton-Smith vond dat de band voor het eerst liet horen wat hij ooit in potentie gezien/gehoord had. Maar ook het publiek was er nu bij. Het album kwam tot een twaalfde plek in de Engelse albumlijst en kreeg alom positieve kritieken. Uiteindelijk werd het album goud. In Italië kwam het album tot de eerste plek. Een speciale single, ‘Happy the Man/Seven Stones’ (1972) met een track die niet op het album stond deed het dan weer totaal niet.

Bij de tournees verraste Gabriel zelfs zijn eigen bandleden door zich tijdens het pauzestuk in ‘The Musical Box’ even terug te trekken en vervolgens op te komen in een rode jurk en een vossenhoofd als masker. Ze konden nog net doorspelen. Het was het begin van vele verkleedpartijen en een Gabriel die steeds vaker de theatrale kant opzocht. Het was ook het begin van nogal wat artikelen in de pers met als gevolg een verdubbeling van het aantal concerten.

Om even op adem te komen en nieuw werk te kunnen schrijven werd een beproefd recept gebruikt: een live-album. ‘Genesis Live’ (1973) is een album samengesteld uit diverse opnames, dus niet één bepaald concert. Het aantrekkelijke was de prijs, het werd als ‘midprice’ of ‘budget price’ verkocht en trok daarmee veel kopers over de streep: 9e in Engeland en 105 in Amerika. Er is een test-persing in omloop gebracht met een live-versie van ‘Supper’s Ready’, het lange stuk, maar die heeft het uiteindelijk album niet gehaald. De track is wel te vinden in de box ‘Genesis Archive 1967-75’ (1998). Het zijn vooral live-successongs die we wel op staan: ‘Watcher of the Skies’; ‘Get’ Em Out by Friday’; ‘The Return of the Giant Hogweed’; ‘The Musical Box’ en ‘The Knife’.
Door de haast klinkt het album wat mager, iets dat later, bij de re-releases, niet ongedaan gemaakt kon worden. Wel zong Gabriel her en der nog wat verbeteringen in.
De voorzijde is een foto van een live-concert met Gabriel in een outfit met vleermuisvleugels die hij gebruikte in ‘Supper’s Ready’. Het geeft de setting goed weer: zittende musici en Gabriel in vol ornaat bij zijn basdrum.
Op de achterkant van de hoes is een verhaal van Gabriel te lezen. Vaak vertelde hij tijdens live-concerten verhalen, sommige daarvan met een surrealistische aard. Regisseur William Friedkin, die bekend was van zijn film ‘The Exorcist’, had het hoesverhaal gelezen en benaderde Gabriel voor een mogelijke samenwerking. Gabriel stak daar nogal wat energie in, iets dat ten koste ging van zijn werk voor Genesis. Achteraf bleek het de aanzet voor zijn vertrek uit de groep. Maar daarover later meer.

Lang voor de Brexit kwam Genesis met het album ‘Selling England by the Pound’ (1973). Een van de populairste van de fans en de favoriet van Hackett. De groep was nog steeds ‘stabiel’ ook al had Collins een uitstapje gemaakt met een andere Banks (geen familie), namelijk Peter Banks, voormalig gitarist van hun collegaband Yes. Collins was fan van de muziek van jazzrockgroep The Mahavishnu Orchestra’. Wat daar op drums (en dat niet alleen) gebeurde voerde hij tot op zekere hoogte door in Genesis en later nog meer in zijn ‘hobby-jazzrockband’ Brand X. Die laatste groep gebruikte hij als ‘uitlaatklep’ als Genesis even een rustperiode had.
De naam, ‘Selling England by the Pound’, kwam voort uit de verloedering die volgens Gabriel, in het land plaatsvond; Engelse waarden, normen en cultuur die werden vervangen door Amerikaanse. Gelukkig was het album opnieuw rijkelijk gevuld met muziek, maar dit keer geen één-kant-lang-werk, maar een viertal tracks rond de tien minuten en een viertal wat kortere werken. ‘Dancing with the Moonlite Knight’, de openingstrack, was ooit lang, maar leek teveel op ‘Supper’s Ready’. Er werd wat verbouwd met een goed, maar volgens Rutherford “druk” resultaat. Het nummer gaat over alles wat er verloren is gegaan van “good ol’ England”. ‘I Know What I Like (In Your Wardrobe) is een wat folkachtige song met Beatles-invloeden, maar klinkt toch als een authentiek Genesis nummer. ‘Firth of Fifth’ bleek volwassen genoeg te zijn geworden om nu wel op te nemen. Het laatste stuk van lp-kant A, ”romantische ballade”, ‘More Fool Me’, is een korte track, van Collins en Rutherford die al heel aardig in de buurt komt van Genesis’ toekomstmuziek.
Gabriel’s stemmetjes duiken weer op in ‘The Battle of Epping Forest’, over twee ‘gangs’ in de wijk Epping Forest. Omdat er, behalve een kort krantenartikel, niets over te vinden was, had Gabriel het verhaal zelf maar ingevuld. ‘After the Ordeal’ is een instrumentaal werk dat weliswaar best aardig is, maar al snel vergeten raakt na het nummer dat volgt: ‘The Cinema Show’. Dat nummer loopt door in ‘Aisle of Plenty’, met het terugkerend thema van de openingstrack.

Na de ‘teleurstelling’ in de hoes voor ‘Foxtrot’ werd iemand anders gezocht voor het hoesontwerp. Ada ‘Betty’ Swanwick was kunstenares, schrijfster en docente. Ze had vanaf de jaren dertig tot begin jaren vijftig menig poster ontworpen voor London Transport, de overkoepelende organisatie van het openbaar vervoer. Haar stijl beviel de band, dus vroegen ze haar om de hoes te schilderen. Helaas had ze geen tijd, maar nog wel een kant-en-klaar werk liggen. Op speciaal verzoek schilderde ze er de grasmachine in. Het is een verwijzing naar de grasmachine in de track ‘I Know What I Like (In Your Wardrobe)’: “Me, I'm just a lawnmower, you can tell me by the way I walk… “

‘Selling England by the Pound’ kwam tot een derde plek in de Engelse albumlijst; 70e in Amerika. In Italië kwam het album tot drie en in Australië tot de 52e plek. De bijbehorende single 'I Know What I Like (In Your Wardrobe)/Twilight Alehouse' (1973) kwam tot een 21e plek in de singlelijst. Een optreden voor BBC’s populiare tv-programma ‘Top of the Pops’ werd afgewezen, omdat dat niet bij hun ‘image’ paste… Het was ook lastig. Gabriel vloog bij de laatste optredens als een Peter Pan aan draden door de lucht. Dat kan bij een ‘plat’ programma als Top of the Pops natuurlijk niet.
Na het album volgde tournees door Europa en Amerika, met groot succes. Genesis lag goed in de markt, de populariteit groeide gestaag. Dan wordt het natuurlijk tijd voor de ‘meesterproef’. Aardig wat bands hebben zo’n groot werkstuk, denk maar eens aan ‘Tommy’ van The Who, voor Yes zou ik gaan voor ‘Tales of Topographic Oceans’, Pink Floyd heeft natuurlijk ‘The Wall’, Camel ‘The Snoowgoose’ enzovoort.

Het idee van een conceptalbum of een album met een meeslepend epos is niet nieuw. Genesis kwam met het verhaal rondom Rael. Gabriel: “The Lamb is a hymn to the integral innocence of the human spirit meeting the bacon slicer of a corruptive society.” Juist! In het kort: Rael woont in New York en is een Amerikaans/Puerto- Ricaanse tiener die allerlei avonturen beleefd op de grens van realisme en fictie. Rael ontdekt zijn vrouwelijke kant, maar tegelijkertijd is het het verhaal van mythologie, seksualiteit, overleving en sterven. Of Real aan het eind echt sterft wordt in het midden gelaten. Feit is dat er op de dubbel-lp nogal wat gebeurt. Het verhaal is op de binnenhoes geschreven, de teksten van de songs bijgevoegd. Ondanks dat is het lastig het verhaal te volgen en naarmate het album vordert zakt zowel het verhaal, als e muziek – vind ik - wat in. Of dat komt door de spanningen in de studio wordt in het midden gelaten. Feit is dat Gabriel niet alleen druk was met zowel schrijven van teksten voor regisseur Friedkin, als voor dit nieuwe project van Genesis, maar ook zijn eerste kind verwachtte. Genesis kreeg daarbij het minste aandacht. Weliswaar schreef Gabriel alle teksten, maar de muziek liet hij over aan de anderen. Dat was nieuw en veroorzaakte een soort splitsing in de band. De bevalling van Gabriel’s vrouw verliep zwaar en gedurende de nasleep was Gabriel dan ook vaak weg. Zowel Rutherford als Banks lieten later weten “horribly unsupportive” richting Gabriel geweest te zijn. Maar het was al te laat, het gedoe zette iedereen aan het denken. Uiteindelijk werd de samenwerking met Friedkin niets en kon Gabriel zich focussen op ‘The Lamb Lies Down on Broadway’, zoals het nieuwe album genoemd werd. Hij had echter al wel bedacht dat dit zijn laatst album met de groep zou zijn. Niemand wist daar nog van, maar hij had zijn besluit genomen. Overdag nam de band muziek op, later voegde Gabriel er zijn stem aan toe. Soms liep dat anders dan verwacht en klonk op instrumentaal bedoelde stukken plotseling tekst. Uiteindelijk kwam het geheel toch tot een goed en bevredigend eind. Brian Eno die in de studio ernaast bezig was met zijn album ‘Taking Tiger Mountain by Strategy’ werd gevraagd om her en der wat synthesizer-stukken te spelen. In ruil speelde Collins mee op Eno’s album. Eno’s bijdragen zijn aardig, maar hadden niet per sé gehoeven denk ik. Ik twijfel na jaren nog steeds of zijn bijdrage nu iets wezenlijks toevoegt. Niet dat ik tegen Eno ben, integendeel, zijn albums, juist ná ‘Talking Tiger’ zijn erg interessant. Ook Banks had – terecht – zo zijn twijfels.
Dit keer werd de hoes professioneel aangepakt en wel door Hipgnosis, de huisleverancier van Pink Floyd’s hoezen. Ze leverde meteen ook maar een nieuw logo voor Genesis’ naam.

‘The Lamb Lies Down on Broadway’ werd uitgebracht op 18 november 1974. De reacties waren verdeeld. Sommigen vonden het verhaal te lang, of te ingewikkeld. Over het algemeen vond men de muziek uitstekend. Ook het publiek had wat moeite met het album. In thuisland Engeland kwam het dit keer maar tot een tiende plek en Italië tot een veertiende en in Canada tot een vijftiende. Maar zo door de jaren heen werd het album steeds meer gewaardeerd. Uiteindelijk werd het in Canada, Frankrijk, Engeland én Amerika een gouden album, toch niet slecht.

Na het album volgde een lange tournee. De tournee begon onder een slecht gesternte, want kort voor de start viel Hackett met zijn hand in een wijnglas. De hand moest gehecht en Hackett kon even niet spelen. Een vervanger regelen voor zo’n project was niet te doen, dus de shows werden uitgesteld. Dat kostte geld. Maar dat was niet het enige. Bij de shows werd gebruikt gemaakt van drie grote projectieschermen, acht projectoren, 1450 dia’s, een flink uitgebreid drumstel, nieuwe instrumenten als dubbel-hals-gitaren en -basgitaren én een reeks kostuums voor Gabriel. Een technisch complexe show die niet altijd vlekkeloos verliep. Het werk werd in zijn geheel gespeeld, niet altijd tot genoegen van de fans in de zaal die graag ‘The Musical Box’, bijvoorbeeld, wilden horen. Die kregen ze dan soms in de toegift, de andere toegift was ‘Watcher of the Skies’. Helaas zagen de heren, meestal die, alleen het spel van Gabriel en niet dat van de rest. Hij werd bedankt. Dat gaf scheve gezichten. Tegen het eind van de tournee liet Gabriel zijn bandmaten weten na de tournee uit de band te stappen. Het werd lang strikt geheim gehouden, ook om het viertal de kans te geven stappen te ondernemen om zonder hem verder te gaan. Nadat alles geregeld was plaatste Gabriel een artikel, “Out , Angels Out”, in diverse muziektijdschriften met de mededeling dat hij teleurgesteld was in de muziekindustrie en graag thuis wilde zijn, bij zijn vrouw en kind. Banks vertelde later dat Gabriel te ‘groot’ werd, niet alleen voor de groep, maar voor zichzelf. Hij had rust en afstand nodig. Dat hij ging was voor iedereen een goede stap en eigenlijk een opluchting.

Gabriel begon een succesvolle solocarrière, Genesis ging als viertal verder met Collins als nieuwe zanger. Een verwachte live-uitvoering van ‘The Lamb Lies Down on Broadway’ kwam er niet totdat in 1998 de al eerder genoemde box ‘Genesis Archive 1967-75’ werd uitgebracht. Op de eerste twee cd’s is het hele werk te horen, opgenomen in the Shrine Auditorium, Los Angeles. Het overgrote deel is zoals het was, maar zowel Hackett als Gabriel hebben in hun partijen wat toegevoegd. In 2007 verscheen een speciale editie in Super Audio en 5.1 Surround mix met daarbij op de extra dvd een scala aan foto’s uit de show.

Hackett die door het vertrek van Gabriel begon te twijfelen aan het voortbestaan van Genesis begon voorzichtig aan een eerste eigen album, ‘Voyage of the Acolyte’ (1975), maar na een vergadering werd besloten alsnog door te gaan. De optie van Collins om alleen instrumentaal, beetje à la Brand X, te gaan spelen haalde het niet. Er werd wel gezocht naar een goede zanger, maar niet gevonden. Uiteindelijk besloot Collins zelf maar te zingen. Dat beviel iedereen. Probleem opgelost. Collins: "My real worry was actually what to say to the audience, because Peter had always had this offbeat charisma that gave the band a strange aura. I was much more friendly and approachable ... I spent more time ... worrying about what to say between songs than I did about what I was going to do once the songs started." (citaat: Wikipedia).

Ik was benieuwd, de voorzanger weg, wat zou het worden? Het werd wat. ‘A Trick of a Tail’ (1976) vind ik verrassend goed en opvallend sterk qua klank. Het geluid klonk vol, dat kende ik nog niet van Genesis en dat Collins zong viel niet eens heel erg op, soms leek het zelfs op dat van Gabriel. In een song als ‘Robbery, Assault and Battery’ laat hij net als Gabriel verschillende stemmetjes horen. Gabriel laatste kwam zelfs luisteren bij de opnames en zag dat het goed was. Wij zagen en hoorden het ook, net als de meeste recensenten. Voor het eerst komt een Genesis-album in ons land in de lp-lijst voor en wel op een zevende plek; in Engeland wordt het album derde en in Nieuw Zeeland vierde. Uiteindelijk wordt het goud in Engeland en Amerika.

De samenwerking met Hipgnosis was goed bevallen, want de hoes van ‘A Trick of a Tail’ werd opnieuw door de heren verzorgd. Een niet eens heel typische Hipgnosis hoes, want daar staat de ‘afwezigheid’ vaak centraal.
De voor mij verborgen boodschap zat in het laatste nummer: ‘Los Endos’, het eind. Het klonk meer als een track van Brand X. Dat klopte, want Collins vertelde erover dat hij het losse drumwerk binnen Brand X in deze track gecombineerd had met een song van Santana die hij inspirerend vond. Collins: “I’d like to play with someone like Carlos Santana and push myself to the limit.”

Voorganger en -zanger zijn én tegelijkertijd drummen is best lastig, daarom werd besloten voor de op het album volgende tournee een drummer in te huren. Dat werd tot ieders verrassing de ex-drummer van Yes en King Crimson: Bill Bruford. Collins, die altijd al een flinke dosis humor over zijn bandmaten uitstrooide, deed dat nu over het publiek. Dat vond het prachtig. De tournee was dan ook uiterst succesvol. Van twee shows, die in Glasgow en Stafford, werd een film gemaakt: ’Genesis in Concert’.

Winden en woeste hoogtes, het klinkt als het boek van Emily Bronte en het zag er ook zo uit. De sombere, grijze hoes van ‘Wind & Wuthering’ (1976) deed al iets vermoeden en na luisteren wist ik het ook, het gaat niet goed met Genesis. Meestal heb ik ergens in de carrière van een groep een afhaakplaat, zo noem ik dat dan maar. Het is een album dat tegenvalt en waarvan je weet dat wat er nog gaat volgen niet meer het niveau van eerder haalt. Dat gebeurde hier, bij Yes had ik dat bijvoorbeeld na ‘Relayer’. Helaas en dat ondanks alle zorgvuldige aandacht én zelfs opgenomen in Hilvarenbeek. Dat laatste bleek een simpele geldkwestie. Bij opnames in een ander land hield de groep zelf meer geld over.
In schril contrast met mijn mening was het succes in Amerika, 26e plek in de albumlijst. Aan de andere kant, zegt dat ook iets. Er was meer aan de hand, achter de schermen liep een en ander niet vlekkeloos. Hackett had een andere visie en andere ideeën, maar die werden weggestemd. Hij voelde zich daardoor niet serieus genomen. Dan ga je denken…
De grijze hoes was wederom van Hipgnosis, maar later waren ze er zelf niet heel tevreden over, hij had wat kleurrijker gemogen. Dat had ik meteen al kunnen zeggen.
Het album ging vergezeld van een EP met niet-album-tracks: ‘Match of the Day/Pigeons’ en ‘Inside and Out’. Het zijn de laatste studio-opnames met Hackett. De single wordt door AllMusic omschreven als ‘It simply isn’t very exciting’. Daar dachten de Engelsen anders over, de single kwam zelfs tot een 14e plek in de single-lijst. Samen met het in mijn optiek zwakkere album gaf dit aan dat Genesis een andere richting leek op te gaan, weg van het epos en de lange lijnen. Overigens geheel in de geest van de tijd, want in deze periode, 1976-1977, worstelen veel ‘progressieve bands’ met hetzelfde probleem. De keus voor korter pakt niet altijd gunstig uit. Genesis bereikte er een heel ander publiek mee, kreeg nogal wat hits en werd een mega-band. Ik gun het ze van harte, maar ik luister toch liever naar die ‘oude’ muziek.

Toch kwam er nog een ‘truc van de staart’. De band ging op tournee, Bruford werd opnieuw gevraagd, maar die was met andere dingen bezig. Collins was op dat moment nogal onder indruk – wie niet? - van het album ‘Roxy & Elsewhere’ van Frank Zappa en met name de bijdrage van drummer Chester Thompson: "It floored me completely ... I had never met him. I rang him up and said, 'Hi Chester, I've heard your stuff, would you like to play with Genesis?' ... He didn't even audition!" Met Thompson begon de grootste en meest omvangrijke tournee van Genesis tot dan.

Het verslag van de tournee is te vinden op ‘Seconds Out’ (1977), een dubbel-live-lp. De foto op de hoes trok me als eerste over de streep, de tracklijst daarna. Het is -gelukkig vond ik - veelal ouder werk en zelfs een complete versie van ‘Supper’s Ready’. Van het jongste album was slechts één track, ‘Afterglow’ opgenomen. Ook bijzonder toch? Het klonk ook nog eens beter. Collins: “A live album is a very valid statement. And we seem to cut it a lot better live, even now, than on record.” De opnames vonden plaats in juni 1977 in het Palais du Sports, Parijs. ‘The Cinema Show’ is eerder opgenomen n het Pavillion de Paris, ook in Parijs dus.
Alleen de buitenkant van de hoes was geslaagd, er hadden wel wat meer foto’s bij gemogen. Bruford speelt mee op één track, ‘The Cinema Show’, de rest is in handen van of Collins of Thompson, of samen, zoals in ‘Los Endos’.
‘Seconds Out’ was een succesvol album, 4e in Engeland, 47e in Amerika. Mooi album dus en waardig slot bij mij thuis. Dat gold ook voor Hackett die zijn eigen weg wilde bewandelen “and take the risk in order to find out just how good I was on my own".

Hij bleek goed genoeg, net als Genesis, die met het album ‘… And Then There Were Three’ (1978) en ‘hit’ had, met name door de track ‘Follow You, Follow Me’. Dat niemendalletje werd op single uitgebracht en meteen de grootste hit van Genesis tot dan. Ik hoorde het aan, het bevestigde mijn mening alleen maar. Er kwamen nog meer hits en meer wisselingen. Collins verliet de groep in 1996. Met vervanger Ray Wilson werd in 1997 nog één album gemaakt, daarna was het voorbij met de schepping. Ondertussen is het wel wereldwijd een van de ‘grotere bands’ geworden met talloze prijzen en Awards. In 2010 werd de groep opgenomen in ‘The Rock and Roll Hall of Fame’.

De oorsprong, de genese, Genesis, is door het zoeken, het avontuur, vaak in aanvang het boeiendst. Nadat alles zijn plek gevonden heeft en tot wasdom is gekomen is wordt het verhaal minder spannend. Zeer weinigen hebben het vermogen zichzelf steeds opnieuw uit te vinden en daarmee boeiend te blijven. Genesis was spannend om te volgen in het begin, een vat vol verhalen, maar na enkele jaren en diverse wisselingen was het gedaan met die spanning. Ik zag dat het goed was geweest, want, ook al ben ik geen grasmachine: “I Know What I Like and I Like What I Know.”