logo van The Lemontree
serge gainsbourg: jane birkin (en...)

Ik ook niet...

omschrijving afbeelding

Popmuziek wordt vaak samengevat in drie woorden: seks, drugs en rock’n roll. Maar als er over de eerste twee gezongen wordt slaat menigeen op tilt en worden songs daarover soms letterlijk in de ban gedaan.

Welkom dan in de muziekwereld van Serge Gainsbourg; de man die samen met France Gall, Brigitte Bardot en Jane Birkin nogal wat erotiek of suggesties daarvan in zijn werk stopte.

Met de opbrengsten van de hit ‘Je t'aime… moi non plus’ kreeg Gainsbourg de vrije hand, lees geld, om een klein meesterwerkje te maken: ‘Historie de Melody Nelson’. Een album in dromerige sfeer met een thema ontleend aan het boek ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov.

Serge Gainsbourg had iets met vrouwen, erotiek en vrijheid, maar voelde zich tegelijkertijd een verloren ziel in zijn tijd. Lees het verhaal van de man die menig muzikant beïnvloedde met in ieder geval zijn geschiedenis van de melodie.




Lucien Ginsburg (1928-1991) was de zoon van Joseph Ginsburg en Olga Besman. Ginsburg, geboren in Feodosia, Besman in Odessa. In 1971 vluchtte het stel tijdens de Russische Revolutie via Istanbul naar Parijs. Ginsburg speelde piano, was klassiek opgeleid. In 1928 krijgt het stel een tweeling: Lucien en Liliane. De jeugd van het tweetal is een niet heel fijne. Tijdens de bezetting door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog moet het gezin verplicht de stigmatiserende Jodenster op hun kleding dragen. De familie zag echter kans te vluchten naar Limoges. Limoges was een ‘Zone Libre’ en daarom niet bezet. Na de oorlog zorgde Joseph ervoor dat zoon Lucien terecht kwam op dé kunstacademie van die tijd, de Beaux-Arts de Paris. Lucien was duidelijk getalenteerd als kunstschilder. Na enige tijd stapte Lucien over naar de Académie de Montmartre, een opleiding waar onder anderen Fernand Léger les gaf. Lucien ontmoette er zijn eerste vrouw, het model Elizabeth Levitsky. Ze trouwden in 1951, maar het huwelijk hield niet lang stand, zes jaar later waren ze weer gescheiden.
In 1948 moest Lucien in dienst. Een ongelukkige periode, weinig actie, veel drinken en net zoveel prostituébezoek. Wel speelde hij veel gitaar.
Na diensttijd en opleiding werd hij docent aan een kleine school buiten Parijs. De school was opgezet voor de weeskinderen van gedeporteerde en vermoorde Joden. De heftigheid van de verhalen raakte Lucien diep.
Of dat de reden was voor zijn kunst-impasse? Wel was hij steeds vaker te vinden achter de piano in café, regelmatig verving hij zijn vader die daar inmiddels zijn werk uitoefende. Bij Madame Arthur, een ‘cabaret’-club waar mannen vrouw mochten zijn, kreeg Lucien een vaste aanstelling als pianist. Ginsburg leerde snel de verschillende kanten van het leven kennen.
Om zijn liederen veilig te kunnen stellen en wat geld te verdienen ook moest hij zich registreren bij het Franse bureau voor auteursrechten, SACEM. Het was een goed moment om een artiestennaam aan te nemen: Serge Gainsbourg. Serge, omdat die klonk als de naam van een goede kappers-assistent, Gainsbourg als hommage aan de door hem zeer gewaardeerde, Engelse schilder Thomas Gainsbourg (1727-1788).
Nadat Gainsbourg een optreden van Boris Vian (1920-1959/schrijver, dichter, muzikant, acteur, uitvinder) had gezien wist hij welke kant hij uit wilde. Vian was humoristisch, provocerend en vooral uniek. Vooralsnog was Gainsbourg vooral pianist- of gitarist-begeleider. Dat veranderede nadat Michèle Arnoud (1919-1998/zangers) een keer bij Gainsbourg thuis op bezoek ging om diens schilderijen te zien. Ze ontdekte dat haar gitaarbegeleider, want dat was hij op dat moment, een stapel prachtige liederen geschreven had. De dag daarna duwde ze Gainsbourg letterlijk het podium op, zodat hij zijn werk kon spelen. Met succes. Vanaf die dag zong Arnoud vaker songs van haar gitarist. Arnaud was niet de geringste, ze was de eerste zangeres die uitkwam voor Luxemburg voor het Eurovisie Songfestival (1956).

Talentenscout Jacques Canetti hoorde Gainsbourg’s werken en stelde ter plekke voor een album op te nemen. Dat kwam uit in 1958: ‘Du chant à la une !...’; een album met muzikale ondersteuning van Alain Gorageur en zijn orkest. Vian roemde het album en noemde Gainsbourg de Franse Cole Porter. Succes bleef ondanks dat uit en dat gold ook voor het tweede album ‘No. 2’ (1959).

Van muziek naar film is soms een kleine stap. In 1959 speelt Gainsbourg een rolletje in: ‘Voulez-vous danser avec moi?, een Frans-Italiaans drama met in de hoofdrol Brigitte Bardot. In 1960 componeert Gainsbourg de muziek voor de film ‘L'Eau à la bouche’. De gelijknamige song wordt zijn eerste succes. Dat zet door met het nummer ‘La Chanson de Prévert’, afkomstig van Gainsbourg’s derde album: ‘La Chanson de Prévert’ (1961). Na een nacht kletsen en drinken met Juliette Gréco maakte hij voor haar ‘Javanaise’(1963). Ze brachten allebei de chanson uit. Die van Gréco deed het beduidend minder.

In 1964 trouwt Gainsbourg opnieuw, nu met Françoise-Antoinette "Béatrice" Pancrazzi. Samen met haar krijgt hij drie kinderen, maar ook dit huwelijk houdt niet stand.
Langzaamaan verschuift het muzikale landschap in Frankrijk naar ‘yé-yé’ en andere stromen. ‘Yé-yé’, afgeleid van het Enge4lse ‘yeah’ is het Franse antwoord op The Beatles en hun muziek. Maar Gainsbourg is zo langzaamaan al een dagje ouder en de nieuwe, wildere, stijl past niet zo goed bij hem. Hij zoekt het meer bij de chansons van de eerder genoemde Gréco en werk van iemand als Jacques Brel. Maar, tegelijkertijd is Gainsbourg niet in een stroming te vangen, hij staat open voor soul, funk, reggae en maakt zelfs een album beïnvloed door Babatunde Olatunji: ‘Gainsbourg Percussions’ (1964).

Maar dan, onverwacht, krijgt Gainsbourg succes met het lied 'Poupée de cire, poupée de son' (1965). Het lied is geschreven voor de Luxemburgse bijdrage aan het Eurovisiesongfestival en wordt gezongen door de Franse, zeventienjarige, Yé-Yé zangeres France Gall. Gall wint de eerste prijs en wint daarmee erkenning voor zichzelf én voor Gainsbourg.

En dan duiken we meteen in het eerste schandaal rondom Gainsbourg’s teksten. Het tweede lied dat hij schrijft voor Gall is: ’Les Sucettes’ (1966). Het wordt een van haar grootste hits. Het lijkt te gaan over een meisje, Annie, die houdt van lolly’s. Zelfs Gall geloofde dat. Maar door velen wordt het geïnterpreteerd als orale seks. Gainsbourg, in de ban van literatuur en poëzie hield van taalspelletjes en had nogal wat dubbele bodems ingebracht; hij noemde ‘Les Sucettes’ een van de meest gedurfde songs van de eeuw. Zo is ‘sucette’ is afgeleid van ‘sucer’, zuigen. En de zin dat “de zoete suiker door het keelgat gleed” bracht menig hormoon op hol. De regel ‘pour quelques pennies’ (voor een paar pennies, cent) zou je kunnen horen als ‘pour quelques pénis’ (voor een paar penissen dus). “What’s in a mans mind?”, zei Sigmund Freud al. Zoals vaak is het ook wat je wil zien en wat je wil horen. Er zijn twee ‘clips’ van de song gemaakt, een met Gall in een schooluniform, de ander met uit de kluiten gewassen bewegende reuzenlollies afgewisseld met meisjes die suggestief likken aan een lolly. Bij het opnemen van de tweede clip kwam Gall achter een van de interpretaties, was enorm geshockeerd en keerde zich dan ook lange tijd af van alle publiciteit. In 2001 gaf ze aan dat ze zich verraden voelde door de volwassenen om haar heen. Haar net begonnen carrière liep vast, ze wisselde van platenmaatschappij, zelfs tijdelijk van land. Na jaren tegenslag krabbelde ze in 1974 weer op met een nieuw succes met ‘La Déclaration d'amour’. Daarna ging het een stuk beter met haar.
In Engeland verscheen het liedje ook, maar dan als ‘A Lonely Singing Doll’…

Nu Gainsbourg in de spotlights stond, al dan niet positief, maar hij stond er, ging hij door met schrijven voor anderen en opnemen van eigen werk. Zo werd zijn song 'Comment te dire adieu' die hij schreef voor Françoise Hardy een grote hit (1968).
Ondertussen had Gainsbourg een stormachtige affaire met Bardot, die hij weer opnieuw ontmoet had. Bardot, het langharig, blonde fotomodel, filmactrice, pin-up girl en inmiddels ook zangeres was voor veel mannen en niet alleen in Frankrijk, de belichaming van de ideale vrouw. Daarbij schroomde ze niet haar sensualiteit in vol ornaat ten toon te spreiden. Een voorbeeld? De ansichtkaart van Bardot in een wit korset en van achteren gefotografeerd verkocht begin jaren 60 meer exemplaren dan die van de Eifeltoren. De foto’s van Bardot in bikini, met dank aan fotograaf Sam Levin, deden het al even goed. Maar die bikini ging vaker ook nog uit. Gainsbourg had blijkbaar een zwak voor sterke vrouwen en viel voor Bardot. Zijn album ‘Initials B.B.’ (1968) getuigt daarvan. En dan komen we bij de song waar een deel van dit verhaal over gaat: ‘Je t’aime.. moi non plus’. Geschreven voor Bardot omdat ze hem had gevraagd “het mooiste liefdeslied dat je kan bedenken” te schrijven. Hij schreef het en Michel Colombier zorgde voor het arrangement. Eerlijk gezegd had Gainsbourg de muziek al eerder gebruikt en wel voor de film ‘Les Cœurs Verts’ (1966). Maar in de nieuwe setting kreeg de muziek een heel andere rol.
De wat vreemde titel, letterlijk vertaald: “ik hou van je… ik ook niet”, is, volgens Gainsbourg, afgeleid van een opmerking van schilder/kunstenaar Salvador Dali richting Pablo Picasso. Dali zegt: “Picasso is Spaans, ik ook; Picasso is geniaal, ik ook; Picasso is een communist, ik ook niet.” Grapjas die Dali. De verdere tekst gaat volgens Gainsbourg over de wanhoop en onmogelijkheid van de fysieke liefde. Duidelijk te horen in de song is het een dialoog, gesprek, gefluister tussen twee geliefden in het heetst van een vrijpartij. "Je vais et je viens, entre tes reins/ik ga en ik kom tussen je lendenen"; "Tu es la vague, moi l'île nue/jij bent de golf, ik het naakte eiland” en "L'amour physique est sans issue/fysieke liefde is hopeloos". Soms varieert Gainsbourg in de laatste zin, “sans issue” wordt dan “sensationnel/sensationeel”.
Het lekkere ritme met een enorme wolk strijkers en dat lome orgeltje zijn de perfecte setting voor een intiem liefdeslied. Volgens de aanwezigen stonden Gainsbourg en Bardot dicht tegen elkaar aan in een zanghokje in de studio en konden iet van elkaar afblijven. Natuurlijk kwam dit deel van het verhaal in de pers en natuurlijk hoorde Bardot’s man op dat moment, Gunther Sachs, het ook. Hij wilde een verbod op de single en Bardot smeekte Gainsbourg het nummer niet uit te brengen. Weigeren kon hij eigenlijk niet, maar hij vond wel dat hij iets bereikt had: “Deze muziek is zo puur. Voor de eerste keer in mijn leven schrijf ik een liefdeslied en dan wordt er zo op gereageerd…” In 1986 gaf Bardot alsnog toestemming hun versie uit te brengen. Als je naar de hoes van die single kijkt kun je bijna niet anders denken dat die is opgenomen voor een andere song. Het is interessant de verschillen te horen. Het duet met Bardot lijkt veel meer dat uit een film waarin Bardot de hoofdrolspeelster is. Haar stemgebruik en zuchten, ja die zijn er ook, komen in mijn bescheiden rode oren toch minder ‘echt’ over dan Birkin’s versie. Overigens zou Bardot’s platenmaatschappij een verzamelalbum met haar hits uitbrengen onder de titel: ‘Initiales B.B.’. Dank, Serge.
Ondanks deze ‘faux pas’ maakte Gainsbourg meer opnames met Bardot, de meest bekende zijn: ‘Harley Davidson’ (1967) en ‘Bonnie and Clyde (1968).

Misschien wel door het effect dat ‘Je t’aime’ op Bardot’s man had, was de romance met Bardot snel voorbij, maar Gainsbourg zat niet lang zonder vriendin. Bij de opnames voor de film ‘Slogan’ ontmoette hij de Engelse actrice Jane Birkin (1946- /actrice, zangeres). Birkin was de ex-vrouw van filmmuziek-componist John Barry (elders op de LemonTree) en had als naaktmodel gespeeld in Michelangelo Antonioni’s film ‘Blow Up’ (1966).
Nadat de film klaar was vroeg hij of zij niet met hem het nummer ‘Je t’aime’ opnieuw wilde inzingen. Maar eerst liet hij haar de versie met Bardot horen. Birkin, hevig verliefd op Gainsbourg, vond het nummer ‘so hot’ en vond het maar niets dan iemand anders dat nummer met haar geliefde zou opnemen: "I only sang it because I didn't want anybody else to sing it."
Misschien had Gainsbourg toen al vage ideeën voor Melody Nelson, want hij vroeg of Birkin de song een stuk hoger kon zingen, “dan zou ze klinken als een jongetje…” Wat Gainsbourg daarmee voor ogen had vertelt de anekdote niet, maar Birkin’s ijle stemmetje paste perfect in het zwoele geluid. Het was niet bepaald een kopie van zijn versie met Bardot, zelfs het arrangement was anders en door iemand anders gemaakt. Arthur Greenslade zorgde voor de perfecte ambiance. De Franse song werd, knipoog, opgenomen in Marble Arch Studios, Londen. Ook nu weer stond het tweetal dicht bij elkaar. Birkin hijgde wat af en vergat op een moment zelfs nog adem te halen. Het is te horen!
Gezien de interactie, het gefluister en het gehijg waren de speculaties niet van de lucht. Ze zouden hét in de studio tijdens de opname gedaan hebben…. Birkin reageerde daar nogal ad rem op: "Thank goodness it wasn't, otherwise I hope it would have been a long-playing record."

In februari 1969 werd de single uitgebracht: ‘Je t’aime… Moi non plus/Jane B.’ Gainsbourg’s platenmaatschappij was Philips, maar gezien de inhoud bracht Philips de single uit op het zusterlabel Fontana. De allereerste versie had een blanco hoes met opschrijft: "Interdit aux moins de 21 ans"; verboden beneden de 21 jaar. Dat helpt natuurlijk niet, dus kwam de single al snel uit met een gewone hoes, met daarop een foto van Birkin. In het toch vaak preutsere Engeland kwam de single uit op een ander, onbekend label en stond Birkin gewoon in haar blootje op de hoes. Daar werd het plaatje echter al snel verbannen. Birkin: "It wasn't a rude song at all. I don't know what all the fuss was about. The English just didn't understand it. I'm still not sure they know what it means." Desondanks werd het een grote hit. De eerste nummer één hit in Engeland van een artiest die niet uit Engeland zelf kwam. Het nummer stond 31 weken in de hitlijst. Verboden was het ook in Spanje, Brazilië, Italië, Zweden en Portugal. In Frankrijk mocht ‘Je t’aime’ alleen na elf uur ’s avonds op de radio gedraaid worden. Maar toch… in Duitsland kwam het nummer tot de 3e plek, In Noorwegen, Oostenrijk en Zwitserland op één, in eigen land en Ierland op twee. In Mexico (!) op vijf, Amerika 58 en Australië: 91e. Er kwam ook in Italië veel ophef, zelfs de katholieke kerk bemoeide zich er mee, De Paus deed het liedje in de ban. Birkin vertelde later dat die paus daardoor een van hun grootste P.R.-medewerkers was geworden.
In Nederland werd er wel over gesproken, maar het nummer werd gewoon gedraaid. Het was het hoogtepunt van de klassenavonden op de middelbare school, rode lampen aan, schuifelen en meezingen. Niemand had enig notie van de tekst, het ging om de sfeer en de setting.
De song is talloze malen gecoverd, waaronder een met het 101 String Orchestra en door Donna Summer en Giorgio Moroder. Voor die laatste leverde het een ‘vergelijkbaar’ twee was het inspirerend genoeg voor een ander succesnummer: ‘Love to Love You Baby’ (1975).

En dan was er ook nog een album: ‘Jane Birkin-Serge Gainsbourg’ (1969). Het hele album laat zich lezen als een liefdesverklaring, of nog beter een romance. En Frans is toch de taal van de romantiek, of niet? Maar is het dat wel, of zit het wat anders in elkaar? Nadat het duo ‘Je t’aime’ aan Georges Meyerstein, de Franse, Philips-studiobaas toen, had laten horen hij de onvergetelijke woorden sprak: “Look children, I’m willing to go to prison but for a long-playing record—not for a 45—so go back to London and record another 10 songs.” Dus gingen ze terug naar Londen om nog wat op te nemen. Het album opent met de hit, het enige nummer waarvoor zowel Birkin als Gainsbourg getekend hebben. Daarna volgt een soort om-en-om compositiereeks. Op kant twee komen we een bekend nummer tegen: ‘Les Sucettes’. In deze setting past het dubbelgelaagde liedje natuurlijk prima. Gainsbourg zingt ook over Elisa en Manon en over ’69 Annéé Erotique’. ‘69’ als hét jaar van de liefde, maar het ‘getal’ 69 staat in de wereld van de erotiek voor iets heel anders. Opnieuw zo’n dubbelzinnige aanpak van Gainsbourg. Birkin zingt doorgaans met haar wat hoge stem, Gainsbourg fluistert, zwijmelt en Arthur Greenslade vatte dat allemaal samen in prachtige arrangementen. Opvallend is dat dit Franse product voor een groot deel is opgenomen in Londen, met anonieme sessiemuzikanten. Slechts één nummer, ‘Manon’, is opgenomen in Parijs. ‘het is het titelnummer van de gelijknamige film. ‘L’Anamour’ en werd in 1968 al geschreven voor Françoise Hardy. ‘Sous le Soleil’ is geschreven voor de televisiefilm ‘Anna’ (1967); ‘Elisa’ was voor de film ‘L’Horizon’ (1967) en ‘Le Canari est sur la Balcon’ was voor de film ‘Les Cœurs Verts’ (1966). Daarmee lijkt dit meer een verzamelalbum dan een specifiek door Birkin en Gainsbourg gemaakt album. Birkin schreef ‘Jane B.’, vaak het B-kantje van de single ook. Het is gebaseerd op muziek van Frédéric Chopin Prélude N°4, Opus 28 en tevens door het boek ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov. Het zaadje is gezaaid.

Birkin en Gainsbourg zouden vaker albums maken, soms samen, totdat ze in 1980 uit elkaar gingen, maar dit is het enige album dat hun beider naam draagt. Birkin: “He was really sweet because he put me on the cover, whereas he could have put us both on the cover. No, he put me on the cover because he wanted me to be a star. Then it had the future that we know—it being banned by the pope and the BBC and everything.” Anno nu laat het zich beluisteren als een prima album uit deze periode, maar los van alle ophef om dat ene nummer, is het ook niet meer dan dat. Je zou het zelfs op zondagmiddag kunnen opzetten als achtergrondmuziek bij de thee.
In Amerika en Canada heette het album ‘Beautiful Love’ en daarmee zijn we eigenlijk weer terug bij de vraag van Bardot waar alles mee begon.
In 2013 werd het hele werk van Gainsbourg, 'La Collection Officielle', in 45(!) delen en in luxe-verpakking gepresenteerd: een boekvorm met uitgebreide cd: 'Signé Gainsbourg'. Zo ook voor 'Je t'aime". Het album, aangevuld met enkele onbekende stukken uit de periode.

Ondertussen presenteerde het duo zich aan de buitenwereld op gepaste wijze. De immer rokende Gainsbourg als een gerijpte, charmante oudere man, Birkin als een jong veulen in minijurk, met de nadruk op mini. Er is een sessie waarbij later bleek dat de flitsen van de camera de jurk doorschijnend maakte, behalve een onderbroek had ze er niets onder aan. Birkin daarover: “Had I known that with a flash you could go through the material like that, I would have taken my knickers off!” Het zegt iets over de tijd, maar natuurlijk ook iets over Birkin die uitdagend flirte met de wereld om haar heen. En daarmee een goede match was met Gainsbourg die niets anders deed.

Na dit album maakte Gainsbourg filmmuziek bij de film ‘Cannabis’ (1970). De orkestarrangementen zijn gedaan door Jean-Claude Vannier (1943- /arrangeur, componist). Op één track, ‘Jane dans la nuit’ doet Birkin mee, maar ze wordt nergens genoemd. Eerlijk gezegd is het een niet eens zo heel bijzondere soundtrack. Gainsbourg was al met iets anders bezig: Now that I have got some cash, let’s do a real project.”

Dan hebben we het over ‘Histoire de Melody Nelson’ (1971). Een zogenaamd ‘conceptalbum’, thema-album mag ook. Er zijn een paar opvallende zaken aan de geschiedenis van dit werk: het werd vooral opgenomen in Engeland, de muzikanten waren lang onbekend, het hele album duurt maar 28 minuten, het geheel was overdadig rijk gevuld met strijkers én, vooral, er was - en is - geen vergelijkbaar album qua sound, niet van Gainsbourg zelf, maar ook niet van anderen.

Al op ‘Jane Birkin – Serge Gainsbourg’ het album, was de invloed van Nabokov’s boek ‘Lolita’ te merken. Gainsbourg had het gelezen en was er behoorlijk van onder de indruk. Voor de duidelijkheid van het verhaal: even een uitstapje naar de inhoud van dat boek. Nabokov publiceerde het boek in 1955 en het werd één groot schandaal, want de inhoud was ronduit controversieel. Humbert, een wetenschapper, huurt een ruimte van een hospita. De vrouw heeft een dochter van twaalf, Lolita. Humbert valt als een blok voor het engelachtige kind. Om dichtbij haar te zijn vraagt hij zijn hospita ten huwelijk. Maar als zij het plan door krijgt rent ze in paniek naar buiten en wordt aangereden door een auto. Ze overlijdt. Humbert haalt het meisje vervolgens op van een zomerkamp en trekt daarna met haar door Amerika. Langzaamaan ontstaat er een relatie tussen die twee en ontwaken Lolita’s seksuele gevoelens voor Humbert. Voor Lolita lijkt het echter een gril waartegen ze zich meer en meer gaat afzetten. Het opvallende duo wordt inmiddels gevolgd door ene Quilty, iemand die Lolita kende van het toneelstuk waarvoor hij ooit de hoofdrol voor haar schreef. Humbert wordt gek van de afwijzingen van Lolita en de achtervolgingen van Quilty. Uiteindelijk vlucht Lolita met Quilty. Toevallig komt Humbert Lolita later opnieuw tegen, zij is dan 17 en zwanger van een ‘gewone’ arbeider. Lolita vertelt hem dat Quilty haar gebruikt heeft. Humbert wordt zo boos daarover dat hij Quilty in diens eigen huis vermoord. Aan het eind van het boek gaan Humbert en Lolita elk hun eigen wegen.
De ophef over het boek gold vooral de leeftijd van Lolita. Net als het boek gaf de verfilming van Stanley Kubrick (1962) net minstens zoveel kritiek. Tegenwoordig staat het boek op de lijst van 100 beste Engelstalige boeken uit de Twintigste Eeuw. Dan gaat het vooral over de literaire kwaliteiten. De inhoud is anno nu nog minstens net zo controversieel als in 1995, meer nog waarschijnlijk. Dan komen we aan bij een bijna filosofische vraag: “Kun je een boek goed vinden zonder het eens te zijn met de inhoud?” Diezelfde vraag geldt minder voor het ‘Histoire de Melody Nelson’, want ook al wordt Birkin op de voorzijde geportretteerd als een tienermeisje, inclusief pruik en over-the-top make up, je weet dan al dat ze volwassen is. Later vertelde ze ook dat ze die grote knuffel vasthield, omdat je anders teveel zag dat ze zwanger was.

Er zit is wel een analogie in dit verhaal met dat van Nabokov. Melody Nelson, een scholiere op een fiets, wordt aangereden door de auto, een Rolls Royce zelfs, met als bestuurder de oudere hoofdpersoon, vertolkt door Gainsbourg. Tijdens haar val vliegen haar blote benen door de lucht ziet de man haar dijen en valt als het blok voor het kind. Net als in het boek wordt het verhaal verteld vanuit de ik-persoon zonder te weten wat nu echt is of fantasie. Dat ‘niet weten’ wordt uitstekend gevangen in de muziek, bij luisteren komt die over komt als ‘je begeven in een grote droom’. Trip is misschien zelfs nog een beter woord. Het eind van Gainsbourg’s verhaal is overigens een zonder happy end: Melody krijgt een vliegtuigongeluk en verongelukt.

Zoals al opgemerkt werd ‘Histoire de Melody Nelson’ vooral opgenomen in Engeland. Van 21 tot 23 april 1970 in Marble Arch Studios en met studiomusici. Zo ging dat in die tijd, maar naarmate het album populairder/belangrijker werd, werd de vraag naar “wie spelen er nu op dit album” essentiëler. Het vreemde was dat eigenlijk niemand dat wist. Arrangeur Varnier niet, die hield zich alleen bezig met de uitvoering en was de namen of vergeten, maar eerlijk gezegd wist hij het echt niet. Gainsbourg wist het ook niet, ook al was hij bij de opnamen aanwezig. Vergeten ook. De namen waren niet opgeschreven tijdens de sessie, niet op de hoes vermeld en later wordt het geheugen troebel en verwatert het mogelijke restje kennis. Natuurlijk is er navraag gedaan en de zaak onderzocht. Uiteindelijk komt de volgende groep musici naar voren: Dougie Wright (drums); Dave Richmond en Herbie Flowers (basgitaar); Alan Parker (gitaar); Roger Coulam (keyboards) en Big Jim Sullivan (ritmegitaar). Meest aanwezige, meest herkenbar en vooral het meest opvallend is het basspel van Richmond. Vergeleken met de andere muziekinstrumenten staat zijn basgeluid nogal op de voorgrond en wordt meer gebruikt als solo-instrument. Dat is zelden zo, maar hier, naast de massale strijkers bepalend.

Nadat de opnames in Engeland klaar waren verhuisde de tape naar Frankrijk om verder bewerkt te worden. Daar spendeerde Philips nog een som aan een orkest(je), musici afkomstig van de Paris Opéra, om vooral strijkerspartijen in te laten spelen. Dat gebeurde op 4,5, 8 en 11 mei 1970 in Studios des Dames. Daarna viel het project stil. Gainsbourg wist even niet hoe verder, zag het even niet meer zitten, even geen zin meer. Gelukkig komt de zin terug en wordt er van 11 tot 14 januari en op 1,2 en 4 februari aan gewerkt. Dan gaat het heel snel, want het album ligt al op 24 maart 1971 in de winkel.

De uiteindelijke samenstelling en geluidsmix vond plaats in Parijs door Jean-Claude Charvier. Dan heb je een soundtrack met opvallende bas, soms een beetje funky zelfs, een fuzzgitaar en een strijkersgroep die vooral Noord-Afrikaans klinkt. Gainsbourg begint een verhaal, maar doet dat vooral zachtjes en fluisterend. Het is net alsof je naar een film luistert, inclusief muzikale geluidseffecten. Langzaamaan ontvouwt het verhaal zich. De ik-figuur mijmert al rijdend in zijn Rolls Royce en dan is daar plotseling het schoolmeisje op de fiets die hij niet meer kan ontwijken. Een botsing is het gevolg, zij vliegt in de lucht, haar rok kruipt omhoog en hij ziet de lange, blanke benen. “Oh la la”, zeggen ze in Frankrijk. Als hij vraagt hoe ze heet zegt ze zachtjes: “Melody, Melody Nelson’. Waarop de bas en gitaar nog even doorgaan en de violen flink uitpakken. Het werk gaat over in een stijl met akoestische gitaar waarop de verteller half zingend, pratend zingt en Melody slechts af en toe invalt met het zeggen, maar hijgen, van haar naam. Birkin zet duidelijk de toon. Gainsbourg liet later ook weten dat zonder Birkin dit album niet gemaakt had kunnen worden. Na de ‘Ballade de Melody Nelson’ walsen we zachtjes mee met de ‘Valse de Melody’. Nu zijn het vooral violen. ‘Ah Melody’ begint weer met akoestische gitaar en de alsmaar zacht sprekende, fluisterend, zingende Gainsbourg. Dan zijn we twaalf-en-een-halve minuut verder is de oude lp-kant A afgelopen. Kant B begint met ‘L’Hotel Particulier’, zo’n verlopen, shabby hotelletje waar Melody en de verteller in bed belanden. De sfeer is zwoel, broeierig niet in het minst door het, opnieuw, gefluister en de weelderige violen. ‘En Melody’ is het meest up-tempo nummer, beetje funky met veel basgitaar en zo’n lekker snerpende gitaar daaroverheen. Halverwege klinken wat vreemde geluiden. Dat is Birkin die gekieteld wordt en een vreemd lachje laat horen. Gainsbourg vond dat zo grappig dat hij het per sé op de plaat wilde hebben, voor Birkin hoefde dat niet, maar à la. Verder is het stuk instrumentaal en worden we getrakteerd op een heuse vioolsolo. Die wordt gepeeld door niemand minder dan Jean-Luc Ponty. ‘Cargo Culte’ is het laatste nummer en dat begint als de openingstrack, zelfde muziek en opnieuw die fluisterende verteller, een goede paukenist voor de effecten en een Pink Floyd-achtig koor (denk Atom Heart Mother). dat bestond uit de Jeunesses Musicales onder leiding van Louis Martini.

‘Cargo Culte’ is eigenlijk een beetje vreemd nummer in het geheel. Gainsbourg had gelezen over een groep mensen in Afrika die nog primitief leefde. Over hun hoofden vlogen de vrachtvliegtuigen. Zij wilden die neerhalen en bouwden daarom een lokvliegtuigen van stro en hout. Met fakkels bootsten ze een landingsbaan na. Nooit gelukt, zij hadden natuurlijk ook geen weet van alle elektronica aan boord. Gainsbourg vond het een inspirerend verhaal en ook daarvan moest iets op het album.

Na het klaar was wist Gainsbourg dat hij een prachtig album gemaakt had, maar het verkocht niet echt. In Frankrijk kwam het slechts tot een 56e plek in de album-hitlijst met een schamele 15.000 verkochte exemplaren. Dat gold ook voor de enige single van het album: 'Ballade de Melody Nelson/Valse de Melody ' (1971). Het duurde nogal even voordat het zijn ‘cult status’ kreeg. Status vooral doordat andere groepen, zoals Portishead, Beck, Tricky, R. E.M., en anderen iets van de speciale sfeer wilden vangen, al dan niet met samples.

Jean-Claude Vannier voerde het hele album live uit in Londen, 2006, met diverse vocalisten van bekende popgroepen. In 2008 deed hij dat nog eens in Frankrijk en in 2011 in Hollywood, The Hollywood Bowl. Daar deden mee Beck, Sean Lennon (de zoon van) en Gainsbourg’s zoon Lulu Gainsbourg. Ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van het album bracht Universal het uit als een deluxe-cd-set. Met één cd het originele album en dan natuurlijk opgepoetst, een tweede cd met onuitgebrachte sessiewerk, alternatieve opnamen en als derde een DVD met een 5.1. surround sound mix én een documentaire van veertig minuten: “The making of…” Aan het woord komen Gainsbourg, Birkin, Birkin’s broer Andrew, Vannier, technicus Charvier en Tony Frank, de fotograaf van de afbeeldingen op de hoes. Die laatste vertelt dat Gainsbourg, in tegenstelling tot anders, heel druk bezig was met de afbeelding op de hoes. Zelfs de achtergrondkleur, de pruik en de make-up werden door hem gekozen, Een interessante documentaire waarbij mij opvalt dat met name Gainsbourg veel rookt en weinig concreets loslaat, en zichzelf daarmee afficheert als het warrige beeld dat sommigen van kunstenaars hebben. Grappig en helder is het verhaal van Andrew Birkin. Vannier en Charvier leggen het meest uit, waarbij Charvier achter het mengpaneel zit en voorbeelden laat horen van hoe een en ander is opgebouwd. Hij is als echte Fransman vooral trots op wat er in de Franse studio gedaan is.

Het album kreeg geen vergelijkbaar vervolg. Misschien maar goed ook, anders krijg je van die Amerikaanse toestanden. Gainsbourg was bezig met een nieuw album, maar kreeg een hartaanval. Na zijn herstel maakte hij een ‘gewoon’ album met diverse songs, waaronder een die een van zijn grotere hits werd: ‘Je suis venu te dire que je m'en vais’. Samen met Birkin bleef hij nummers maken en opnemen, totdat het paar in 1980 uit elkaar ging. Aan een bijzondere, broeierige periode in de muziekhistorie kwam zo een eind. Gainsbourg overleed in 1991; Birkin maakt zo nu en dan nog steeds albums.

Met zowel ‘Je t’aime… mois non plus’ en ‘Histoire de Melody Nelson’ maakte Serge Gainsbourg samen met zijn lief Jane Birkin spraakmakende muziek. Na korte tijd is de ophef voorbij en soms vraag je je dan af of alles wel echt was of een droom. Er ligt natuurlijk wel het bewijs van de albums, maar zelfs als je die beluistert is de sfeer van de muziek zo bepalend anders, dat je je na afloop afvraagt of je wel echt geluisterd hebt of zat te dagdromen… ik ook niet.