logo van The Lemontree
Doo Wop

Some Kind of wonderful

omschrijving afbeelding

Doo Wop wordt wel de vergeten muziekstijl genoemd. Doo Wop was mateloos populair van halverwege vijftig tot begin jaren zestig met eenvoudige liedjes over – vooral - de liefde en ja, een beetje erotiek.

Tieners, vooral zwarte jongeren met weinig mogelijkheden om instrumenten te kopen, deden die instrumenten verbaal na met geluiden als “doowop”; “sheboom”; ahahahhaha”; “bopbopbop”. A capella met vurige overtuiging.

Doowop was in aanvang vooral langzaam met – vanwege al die liefde – ‘slow dancing’. Met de opkomst van de rock ’n roll werden Doo Wop-songs ook ietsje sneller.

Bij Doo Wop draait het veelal om singles, bands wisselden constant van leden en platenmaatschappijen; een naam was maar een naam en tijd en geld om hele albums op te nemen was er niet. Tijd voor een verhaal over deze emotionele en meeslepende muziekstijl.




Zingen kun je altijd en overal. Je hebt er niets anders voor nodig dan je stem. Mensen hebben altijd gezongen, al vanaf de oertijd. Tenminste dat denken de deskundigen, we waren er niet bij immers. Voor de Doo Wop moeten we terug naar een donkere tijd in de geschiedenis, de slavernij. De zwarte medemens die, verstoken van alles en nog wat, onder erbarmelijke omstandigheden moest werken. Zingen verlichtte de harde arbeid soms wat. Dat zingen was vaak een vraag/roep en antwoordzang. Die ‘stijl’ zette zich vervolgens door in de kerken in de vorm van gospel. De voorganger riep/zong een zin en de gemeenschap reageerde met antwoorden. Klappen, voetstampen en dansen waren daar een vast onderdeel van. Soms werd het een behoorlijk levendige dienst. In 1863 werd de ‘Emancipation Proclamation’ uitgevaardigd; zwarte musici mochten voortaan vrij reizen en optreden. Dat laatste viel niet altijd mee, want er waren nogal wat plaatsen waar dat nog steeds niet mocht en de rassen bleven strikt gescheiden.
Maar er zijn plekken waar je altijd kan en mag zingen en dan zitten we plotseling bij de kapper. De barbier, eind negentiende eeuw, was dé plek waar mensen elkaar ontmoetten, het laatste nieuws uitwisselden, wat dronken én zongen. Kappers waren vaak zangers en hadden in zekere zin een vergelijkbare rol als de voorganger uit de kerk hierboven. Niet alleen binnen werd gezongen, ook buiten. Hoe beter de zang, hoe meer klanten in de zaak. De zingende groepen werden ‘Barbershop Quartets’ of ‘Barbershop chorus’ genoemd. Zingen in viertallen bleek populair. In het viertal is één zanger de ‘lead’, de aangever of voorzanger, vaak is dat iemand met een wat hogere stem, maar dat hoeft niet. De ‘lead’ wordt ondersteund door een tenorstem die de melodie aanvult. De andere twee stemmen zijn de bas en bariton. Zowel vrouwen als mannen zongen op deze wijze. De songs waren niet al te ingewikkeld, gingen vaak over de liefde met vaker een erotische ondertoon of knipoog of een ‘liefdesboodschap’. Bekendere songs zijn ‘Hello! Ma Baby’ (over een man die een vriendin heeft, maar die alleen spreekt via de telefoon); ‘Shine On, Harvest Moon’ (over een verliefd stelletje dat buiten zit, maar de maan wil niet schijnen. Zij is bang voor het donker en wil naar huis. Daarop vraagt hij haar ten huwelijk en gaat de maan schijnen…) en ‘Sweet Adeline’ (over de liefde voor een meisje dat werkt bij de muziekafdeling van een warenhuis).
Barbarshop Quartets bestaan uit zwarte musici. Dat duurt tot ongeveer 1920, daarna wordt de stijl ook overgenomen door blanke zangers en zangeressen.
Inmiddels is de Jass of later Jazz ‘begonnen’ en ontwikkelt zich langzaam in allerlei stijlen. Natuurlijk wordt daar ook gezongen, denk aan Louis Armstrong, Billie Holiday, Ella Fitzgerald, Josephine Baker, Billy Eckstine, Lena Horne en vele anderen. Ella Fitzgerald is misschien wel de bekendste zangeres die ‘scatte’. ‘Scatting’ of ‘scatten’ is woordloos geluiden makend op muziek, soms een instrument nadoend, zoals “doo doo doo” (bas) of “ibedadoedipa” (trompet).

Via de kapper en de jazz komen we vervolgens bij The Mills Brothers en The Ink Spots. The Mills Brothers was een a capella groep bestaande uit de broers John, Herbert, Harry en Donald. Met wortels in de Barbershop enerzijds en jazz, swing, anderzijds. Het eerste optreden was in 1930. Het viertal werd weliswaar begeleid door een gitarist, maar alle andere instrumenten deden ze zelf. Verbaal dan wel te verstaan: John (gitaar, tuba); Herbert (saxofoon, tenorstem), Harry (trompet, tenorstem) en Donald (saxofoon en tenorstem). Het was zo bijzonder dat op hun eerste albums een speciale ‘boodschap’ was opgenomen: “No musical instruments or mechanical devices used on this recording other than one guitar”. The Mills Brothers deden die instrumenten dus na door geluiden te maken. Ze konden dat zo goed dat het publiek soms dacht dat ergens achter een gordijn de echte muzikanten stonden. The Mills Brothers verkochten miljoenen platen. Hun grootste hit: ‘Paper Doll’ (1943) met zes miljoen verkochte exemplaren.
Een vergelijkbare groep is The Ink Spots of soms The 4 Ink Spots. Net als The Mills Brothers een ‘vocalgroup’, bestaande uit: Charlie Fuqua, Deek Watson, Jerrry Daniels en Orville Jones. De groep begon in 1934. Hun eerste opname was een jaar later, 1935, maar had weinig succes. In 1936 werd Daniels vervangen door Bill Kenny. Kenny had een behoorlijk hoge tenorstem en dat viel op. Hij introduceerde een andere stijl in de groep. Hij had er zelfs een naam voor bedacht: “Top & Bottom”. Het was vooral een ‘slow’-stijl, waarbij hij de hoge stem zong en Jones, de bas, op de achtergrond zijn lage vocalen meer sprak dan zong. Na wat minder succesvolle singles kwam het grote succes in 1939: ‘I Didn’t Care’. Het plaatje verkocht zo’n negentien miljoen (!) exemplaren en is daarmee de achtste in de lijst (want natuurlijk is daar ook een lijst voor) van de best verkochte singles ooit.

The Mills Brothers en The Ink Spots hadden meer grote successen. Ze vormden door hun aanpak en stijl de basis voor wat later Doo Wop zou worden genoemd. De naam ‘Doo Wop’ komt pas in 1961, als het hoogtepunt van die ‘stroming’ eigenlijk al voorbij is. DJ Gus Gossert brengt onbewust – hij wil er ook geen credits voor – de naam ter sprake bij het aankondigen van ’Blue Moon’ van The Marcels. Doo Wop is in dat nummer te horen, dus… Anderen zeggen dat de naam al eerder rondzong, Harde bewijzen voor beide verhalen zijn er niet, maar dit soort verhalen zijn altijd leuk toch? Wel een feit is dat in 1945 in de song ‘Just A Sittin' And A Rockin’ van The Delta Boys wordt gezongen: "doo doo doo doo-wop".

Het succes van The Mills Brothers en The Ink Spots kreeg – natuurlijk – navolging, maar ook de platenmaatschappijen werden wakker. Hier was geld te verdienen, ook al waren al die artiesten zwart. Helaas was de rassenscheiding nog steeds een feit. Een sterk voorbeeld: in platenzaken was een hoekje met ‘race-music’. Dan weet je het wel.

We maken even een sprong naar de Tweede Wereldoorlog. Om het moreel hoog te houden kregen de troepen veel muziek over zich heen. Meestal warme, wollige, zachte muziek om ze niet alleen een fijn gevoel te geven, maar ook dat ze een thuis hadden waar het behaaglijk en gezellig was. Muziek van The Andrew Sisters, Bing Crosby, Doris Day en jazz van Benny Goodman en Glenn Milller. En bij al die muziek werden instrumenten vocaal nagebootst.

Na de oorlog wordt bijna elk land opnieuw opgebouwd. In Amerika bouwen The Ravens iets bijzonders. De groep begint in 1946 en bestaat dan uit: Jimmy ‘Ricky’ Ricks, Warren ‘Birdland’ Suttles, Leonard ‘Zeke’ Puzey en Henry ‘Oliver ‘Ollie’ Jones. Ze noemen zichzelf wat gekscherend ‘de raven’. Het succes van The Raven leidde tot een heuse hausse aan groepen met vogelnamen: The Orioles; The Crows; the Larks; The Penguins, The Robins, enzovoorts. Anders dan bij The ink Spots en The Mills Brothers wordt de baspartij meer op de voorgrond geplaatst en dat basgeluid meer richting het plukken van de (contra-)bas uitgevoerd in plaats van gezongen of gesproken. De muziek klinkt daardoor anders, meer percussief. Jones was al snel uit de groep en werd vervangen door Maithe Marshal. Zijn tenorstem en Ricks’ basstem bleken de basis voor het succes. De eerste single was een ‘oude bekende’: ‘Ol’ Man River’ (1947). De tweede ‘Write Me a Letter’ kwam zelfs in de blanke hitlijst terecht. Door de oorlog was de rassenscheiding ietsje minder geworden, men stond meer open voor de ander en daarmee ook de muziek van de ander. Met hun aanpak zette The Ravens de toon voor toekomstige zanggroepen. Veel single-successen hadden The Ravens niet, maar ze waren wel mateloos populair bij concerten en konden dan voor de tijd ongekend hoge gages vragen.

Raven versus Wielewalen. Wie kent niet het oude lied: “Kom mee naar buiten allemaal dan zoeken wij de wielewaal. En horen wij die muzikant, dan is zomer weer in ’t land. Dudeljo, klinkt zijn lied. Dudeljo, klinkt zijn lied. Dudeljo, en anders niet.” Zelfs de wielewaal is ‘into’ Doo Wop. The Orioles (de wielewalen) zijn nog meer dan The Ravens de grondleggers van Doo Wop. Het was vooral de zoete zang, de romantische ballades, de ‘slow songs’. Net als bij The Ravens werd de baspartij ‘plukkend’ gebracht met daar tegenover een hoge, eerste stem met steun van twee tenoren. Vooral die romantische, langzame nummers werden de belangrijkste bouwstenen in de Doo Wop.
The Orioles bestonden bij het begin in 1947 uit Sonny Til, Alexander Sharp, George Nelson, Johnny Reed en Tommy Gaither. Tijdens een talentenjacht won de groep, toen nog The Vibra-Naires genaamd, een platencontract voor een single. Voor die gelegenheid werd de naam aangepast en werd: The Orioles. De Oriole/wielewaal is namelijk de ‘state bird of Maryland’. De opgenomen single, ‘It’s Too Soon To Know’, verkocht meteen 30.00 exemplaren om, door dat succes, nog meer te verkopen met als beloning een eerste plek in de nationale R&B lijst. Het nummer kwam ook op de 13e plek in de ‘pop charts’. Dat laatste was heel bijzonder, het was namelijk de eerste ‘race record’ (plaat van zwarte artiesten) die in die witte lijst terecht kwam. Ook de tweede single van The Orioles, ‘Tell Me So’, kwam op de eerste plek van de R&B-lijst, maar ontbrak in de poplijst. The Orioles werden zo populair dat er bij hun concerten een ware Oriolemania uitbrak, inclusief gillende en flauwvallende meisjes en fans die hun idool willen aanraken. In 1950 ging het mis. Op weg naar huis van een concert verloor Gaither in een bocht de macht over het stuur. De auto stuiterde van de weg en reed een drive-in restaurant binnen. Een crue speling van het noodlot. Gaither overleed ter plekke, medezangers Nelson en Reed, ook bij hem in de auto, raakten zwaargewond. Til en Sharp zaten in een andere auto en wisten van niets. Na enige tijd krabbelde de groep weer op, met als nieuw lid zanger Ralph Williams en pianist Charlie Harris. In 1953 verliet Nelson de groep vanwege een drankprobleem en werd vervangen door John ‘Gregory’ Carroll. In deze samenstelling had de groep hun grootste hit: ‘Crying in the Chapel (of Love)’ (1953). Nummer één in zowel de R&B- als Pop-lijst. Genoeg voor goud. In 1955 viel de groep uit elkaar. Daarna volgde meerdere hergroeperingen in wisselende bezettingen, maar nooit meer met het eerdere succes.

Met The Ravens en The Orioles was de toon gezet. Er volgde een stortvloed aan andere groepen, zoals The Flamingos, The Moonglows, The Dominoes, The Drifters, The Crows, The Clovers enzovoorts, enzovoorts. Nolan Strong, de zanger van The Diablos krijgt de eer de eerste zanger in het genre te zijn met een falsetstem, ook falsetto, genoemd. In Nederland noemen we dat ‘kopstem’. Die term komt uit de muziekhistorie, waarbij men ook spreekt van borststem en middenstem. Het gaat om de plek waar de zanger in het lijf de trillingen voelt. Omdat de kopstem vooral hoge klanken produceert voel je dat niet in middenrif of borst, maar meer in het hoofd. Vandaar. Bij een groep met falsetzang blijft er letterlijk meer in te vullen ruimte over tussen die kopstem en de bas. Die wordt ingevuld door de twee andere zangers, vaak een tweede tenor of bas. Dat kan door geluiden te maken als “doo-wah”. Vanwege dat “wah’ worden die geluiden “blow harmonies” of soms “wash sounds” genoemd. The Moonglows worden bekend door die “blow harmonies”. Hun hits “Most of All’ (1955) en ‘When I’m With You’ (1959) laten dat goed horen.

Niet alleen in het hoog worden de stembanden gerekt, ook in het laag. Er ontstaat een soort wedstrijd in wie het laagste kan zingen. De song ‘Mr. Bass Man’ (1962) van Johnny Cymbal gaat daarover. De zanger vraagt of de basman, de baszanger, hem niet ook zo kan leren zingen. Ronnie Bright, dé basman, laat dan horen wat hij kan. Bright zong in allerlei groepen, waaronder The Valentines en The Cadillacs.

Essentieel bij Doo Wop zijn de redelijks simpele, mee te zingen teksten en de ’break’ in het lied. Dat kan een refrein zijn, waarbij de emoties de luisteraar overspoelen, of een net afwijkend stuk muziek in de vorm van een gitaar- of saxsolo. De hartenpijn, de hartverscheurende niet ontluikende liefde moet uitgedragen en gevoeld worden. Lukt dat niet, dan klinkt zo’n lied niet authentiek en ‘gemaakt’. Doo Wop is vooral gevoelige muziek, doorleefd met fijne, goed in het gehoor liggende klanken.

Naast zwarte zangers, zongen opvallend veel New Yorkse Italiaans-Amerikanen in Doo Wop-bands Beide groepen leerden het zingen vaak in de kerk al dan niet in het koor. Daarna was het zingen op straathoeken. De kosten voor een band waren laag. Soms nam een a-capellagroep een pianist of gitarist mee, maar dan had je het wel gehad. Nummers zat om te laten horen. Langzaamaan doken de platenmaatschappijen op deze muziekstijl. Dat ging op een behoorlijk amateuristische manier. Vaak een mondelinge afspraak en een handdruk. Opnemen in primitieve (huis-)studio’s, nauwelijks geld. Voor een paar duizend dollar had men al een studio en kon men wat plaatjes, we hebben het dan alleen over singletjes, laten maken. Die werden gedumpt in de platenzaak in de bak ‘race records’ en vervolgens hoopte men dat het wat zou worden. Meestal niet of slechts een zogenaamde ‘eendagsvlieg’. Daarbij speelde een rol dat groepen onder een naam werkte, maar leden als bijen uitvlogen naar andere groepen, andere samenstellingen, groepen net zo makkelijk stopten als begonnen, lastig te volgen dus. Dealtjes waren voor een single, daarmee was er ook nog eens een constante wisseling van platenmaatschappijtjes. Komt best chaotisch over toch?

Dan had je wel plaatjes, maar de muziek van zwarte musici werd niet op de radio gedraaid. Radio was een wit bolwerk voor witte luisteraars, punt! Ja, er waren radiozenders van zwarten voor zwarten, maar dat waren er maar heel weinig. Daar kwam in 1951 verandering in met Alan ‘Moondog’ Freed (1921-1965). Freed was de eerste disc jockey die voorblij huidskleur keek, luisterde eigenlijk, en koos voor wat hij goede muziek vond. Het werkte, zijn show bij WJW, Cleveland, werd mateloos populair. Het zette menig radiostation (en platenmaatschappij) aan het denken. Om al zijn favoriete muziek te promoten gaf Freed in 1952 een ‘Ball’, het “Moondog Coronation Ball” met live-optredens van een reeks artiesten. Wat niemand verwacht had gebeurde: er kwamen 20.000 fans op af. Ze braken door de deuren heen om binnen te komen. Je zou het kunnen zien als het eerste ‘rock-concert’.
Iedereen was nu wakker. Platenmaatschappijen wild hun muziek op de radio gedraaid hebben en schoven naast de single DJ’s allerlei zaken toe om dat te bereiken, van geld tot drank tot drugs. Deze werkwijze werd later ‘payola’ genoemd. Na de onthulling ervan vielen de koppen. Freed was daar één van en, zoals dat gaat, omdat hij meer in de spotlights stond, pakte men hem meer aan. Iets met Orwell en het gelijk der dieren. Hoe dan ook, Freed’s carrière was ten einde, niemand wilde nog met hem werken. Desondanks had Freed heel wat bereikt en had een groep als The Moonglows hun succes aan hem te danken.

Al dan niet met een ‘bonus’ voor de DJ komen in 1951 de eerste Doo Wop-groepen in (vooral) de R&B lijst: The Cardinals met 'Shouldn't I Know’ met prachtig gitaarwerk; The Five Keys met ‘The Glory of Love’ (nummer één); The Mello-Moods met ‘How Could You/Where Are You Now That I Need You) ?’ (Top10/met pianobegeleiding en die typische, bijna kinderlijke stem) en Billy Ward and his Dominoes met ‘Sixty Minute Man’. Die laatste kwam op één en gaat eerder pop dan Doo Wop. In 1955 nam het aantal Doo Wop songs in de algemene hitlijst flink toe. De ‘ballads’ met hun diepe bassen en rijke zangstemmen lagen nu voor velen, denk aan de radio, aangenaam in het gehoor. Hits zijn het prachtige ‘Sincerely’ van The Moonglows; ‘Earth Angel’ van The Penguins met als bijzonderheid de componist, ene Frank Zappa; ‘Gloria’ van The Cadillacs; ‘A Thousend Miles Away’ van The Heartbeats; ’Daddy’s Home’ van Shep & the Limelites; ‘My True Story’ van The Jive Five; ‘The Great Pretender’ van The Platters en de mooiste, zachtste en meest rakende: ‘I Only Have Eyes For You’ van The Flamingos. Met zo’n sfeer heb je ook alleen nog maar oog voor die ander en vergeet je alles om je heen, toch? Heerlijk zwijmelen.
Je hoort in al deze songs, behalve de zangers ook achtergrondinstrumenten als gitaar, bas, piano, drums en bij Shep & the Limelites een vibrafoon en tenorsaxofoon.
Onder de hierboven genoemde Italiaans-Amerikaanse groepen waren er enkele met hits die ver buiten de ‘standplaats’ gingen, zoals ‘I Wonder Why’ (1958) van Dion and the Belmonts en van diezelfde groep ‘Teenager in Love’ (1959). The Capris hadden een hit met ‘There’s a Moon Out Tonight’ (1960). En kennen we allemaal de hit ‘Denise’ (1978) van Blondie nog? Dat is een echte Doo Wop-song en wel uit 1963, gezongen door Rany & the Rainbows.
Ook ‘racially integrated’ groepen begaven zich op het Doo Wop-pad. Bekenden zijn de Del-Vikings met hun ‘Come Go With Me’(1957), The Crest met ’16 Candles (1958) en The Impalas: ‘Sorry (I Ran all the Way Back Home’ (1959).

En dan is het tijd voor teenagers. De maatschappij maakt grote stappen op alle gebieden, welvaart, techniek, landbouw, enzovoorts. Jongeren, met name de teenagers, krijgen meer tijd, verdienen soms wat geld, kunnen de beschikking hebben over een eigen radio(tje) en ontwikkelen langzaamaan een eigen cultuur met muziek, kleding, haardracht, die zich afzet tegen die van de ouderen. Ze willen het vaak anders en vaak ook sneller. Enne.. die muziek van hun ouders mag daarom ook wel wat vlotter. We zitten nu, qua tijd, na 1955. The Clovers hebben een hit met ‘Devil or Angel’ (1956). In die song is het tempo al iets opgevoerd en dat geldt ook voor de “domdidudidom” van ‘Come Go With Me’ (1956) van The Del-Vikings. Als de sax begint te spelen gaan we al bijna richting rock ’n roll. ‘Little Girl of Mine’ (1956) van The Cleftones is ook al een stuk vlotter en helemaal bont maken de El Dorados het met ‘At My Front Door’ (1955). Meer rock dan wop is ‘What’cha Gonna Do’ (1955) van The Drifters.
Dat gaat helemaal op voor ‘Gee’ (1953/2e R8B lijst/14e Poplijst) van The Crows, een song met bas, drums en elektrische gitaar en ‘Sh-Boom’ (1954/5e plek) van The Chords. ‘Het leven zou zomaar een droom kunnen zijn’ met deze groep. Opvallend is dat de bas hier een deel van het refrein zingt met duidelijke tekst: “Every time I look at you, something is on my mind. If you do what I want you to, baby, we could be so fine. “ Ja, ja en dan hebben we het nog niet gehad over die geweldige saxsolo die aangeeft hoe fijn dat dan wel niet is. Als je de tekst ziet en de zang hoort snap je bijna niet hoe ze het voor elkaar krijgen om dit lied te zingen. Voor beide groepen geldt dat genoemde singles door sommigen gezien worden als de eerste rock’n roll-platen.

De toon was gezet, het roer moest om, gas geven. Groepen die dat niet deden vielen al gauw buiten de boot. Bill Haley, Elvis Presley brachten nieuw muziek, wilder, ruiger. Hun platen werden mateloos populair en verkochten als een tierelier. Het is de tijd van auto’s, motoren, James Dean, T-shirts en de eerste spijkerbroeken.
Je zou denken dat die ontwikkeling ten koste zou gaan van Doo Wop, maar niets is minder waar. De stijl werd met liefde omarmd door met name jonge teenagers en dan vooral de scholieren. Ook zij wilden het anders, een eigen stijl en ook zij werden verliefd en moesten ergens naar toe met die gevoelens en soms onbeantwoorde of verloren liefdes. Ze schreven zelf teksten en die werden opgepikt. Jongeren hoorden nu teksten over hun eigen leven en dat was een groot feest der herkenning. Los daarvan is Doo Wop aangename muziek om te maken en te luisteren. Niet ingewikkeld doen en vooral geen ingewikkelde teksten. De meeste teksten kon je zo meezingen en dat is vaak een voorwaarde voor succes.

In tegenstelling tot het anonieme groepsgebeuren van eerder komt door de opkomst van rock’n roll de zanger met de falsetstem meer in de spotlights te staan. Doorgaans vielen zangers van Doo Wop-groepen niet op. Ze zagen er allemaal ongeveer hetzelfde uit: het kapsel, pak met overhemd en stropdas of een vlinderdasje. The Turbans vielen al iets meer op vanwege de tulbanden op hun hoofd. De meest in het oor en oog springende ‘nieuwe’ zanger is de New Yorkse Frankie Lymon met The Teenagers. De naam zegt genoeg. Lymon, geboren in 1942, was veertien jaar toen hij zijn eerste hit had: ‘Why Do Fools Fall in Love’ (1956). De groep bestond naast Lymon uit Jimmy Merchant, Sherman Games en Joe Negroni en Herman Santiago. De laatste twee leden zijn Puerto Ricanen, waarmee de groep ook een ‘racial crossover’-groep is. De single was hun grootste hit, een jaar later, 1957, ging Lymon solo en viel The Teenagers uit elkaar. In 1967, Lymon was toen 25, overleed hij aan een overdosis. Lymon zag er jong en goed uit en had een hoge stem. Zijn geluid viel op, net als zijn teksten. Hij schreef die niet allemaal zelf, want de tiener had nauwelijks ervaring op het gebied van de liefde. Een wat ouder meisje uit de buurt wist er wel meer van en die hielp hem. Ondanks alles was Frankie Lymon and the Teenagers een voorbeeldband voor velen, maar met name voor The Jackson 5, met Michael in de rol van Frankie natuurlijk.

1958 is, zo vinden de deskundigen, het jaar waarin Doo Wop hoogtij viert. Om alle namen te noemen gaat in dit stuk wat te ver, maar opvallend populair zijn The Platters, The Silhouettes, The Drifters, Danny and the Juniors. Maar ondertussen blijft ook rock ’n roll populair bij de jongeren.

DJ Art Laboe helpt onbewust mee om het proces van rock ’n roll te versnellen. Laboe heeft in Los Angeles een radioprogramma: ‘Oldies, but Goodies’. Daarbij stelt hij compilatie-albums samen van diezelfde gouwe ouwe (die naam komt regelrecht van Laboe). Die verkopen goed. Zo goed zelfs dat ‘vergeten’ hits als ‘Earth Angel’ van The Penguins en ‘Still of the Night’ van The Five Satins opnieuw hits worden. Laboe’s programma werd vooral beluisterd door witte teenagers en die wilden hem maar al te graag live ontmoeten. Om dat te realiseren sloot Laboe een dealtje met Scrivner’s Drive-In restaurant. Na de show konden ‘fans’ hem daar zien. Die ontmoetingen waren zo in trek en tegelijkertijd zo aangenaam dat Laboe besloot zijn programma live at Scrivner’s te doen. Leuk, maar het liep wat uit de hand. De menigte werd te groot, de politie moest te vaak ingrijpen om de op hol geslagen tieners in hun gareel te houden. Daarop verplaatste Laboe de show naar El Monte Legion Stadium. Dat stadion lag net buiten het centrum van Los Angeles, met bijkomend voordeel dat er door de tieners gedanst mocht worden. Dat mocht namelijk niet binnen de centrumring. Nog een voordeel, de overwegend zwarte muziek trok nu ook zwart publiek en jongeren met andere achtergronden, Mexico, Puerto Rico. Dat zorgde voor een gemengd publiek. Dat publiek stond daar voor open, werd steeds toleranter naar elkaar toe, maar de bestuurders van Los Angeles waren minder blij: “ínterracial dating was unacceptable”. Vooralsnog konden ze er echter weinig tegen beginnen. Laboe bleef nog geruime tijd zijn shows presenteren. Later beperkte hij zich weer tot het radiostation alleen. Hij ging nog door tot 2015, hij was toen al 85 jaar!
Een beetje van de sfeer van die tijd vind je terug in de song ‘Memories of El Monte’ van The Penguins. Het stuk is geschreven door Frank Zappa en Ray Collins. En over Frank Zappa gesproken. Die was een uitgesproken liefhebber van Doo Wop; in zijn werk komen allerlei Doo Wop songs terug. Helemaal bijzonder is zijn album ‘Cruisin’ with Ruben & the Jets’ (1968), één album lang een ode aan Doo Wop. DJ’s die de hoes niet goed lazen lieten het album op de radio horen en noemden het “the greatest thing since Danny & the Juniors”. Maar nadat bekend was dat het van Zappa was kreeg die het album vaak in stukken gehakt retour…

De tijd staat niet stil, muziek ontwikkelt door en in allerlei richtingen, zoals de al vaker genoemde rock ’n roll, surf, pop. Begin jaren zestig is het muzikale landschap alweer heel anders dan halverwege de jaren vijftig. Doo Wop ontwikkelt mee, met hits als ‘Come Go With Me’ van The Del-Vikings; ‘The Lion Sleeps Tonight’ van The Tokens; ‘Blue Moon’ van The Marcels en ‘Zip-A-Dee_doo-Dah’ van The Blue Jeans. Langzaamaan brak ook het mannenbolwerk, de dames waren zich al beginnen te roeren: The Chantels, The Chiffons, The Bobettes, The Chantels, The Royalettes, The Cordettes en The Shirelles.

The Shirelles worden in Rolling Stone’s lijst (het blad) van ‘Greatest Artists of All Time’ geplaatst op een 76e plek; ze zijn geëerd met de ‘Pioneer Award’ voor hun bijdrage aan muziek en zijn opgenomen in de ‘Rock’n Roll Hall of Fame. De groep is in 1957 opgericht en bestond toen uit: Shirley Owens, Doris Coley, Addie ‘Micki’ Harris en Beverly Lee. Bij een talentenjacht op de middelbare school wonnen ze een platencontract bij Tara Records. Dat werd de single: ‘I Met Him on a Friday’ (1958). Die werd vooral een lokaal succes(je). De single werd vervolgens overgenomen door Decca en opnieuw gepromoot. Dat levert een nationale 50e plek op. Daarop volgt een rommelige periode die wordt doorbroken met de single ‘Tonight’s the Night’, die terecht komt op een 39e plek. The Shirelles kwamen daarmee meer in beeld en traden vaker op, zoals in het voorprogramma van niemand minder dan Little Richard. ‘Will You Love Me Tomorrow’ (1960), geschreven door Gerry Goffin en Carole King, werd een regelrechte nummer één hit. De eerste voor een wat ze toen noemden: ‘African-American Girl Group’. Het was zelfs de eerste nummer één hit van een vrouwengroep. Er volgden nog een reeks hits. Live werden Owens en Coley, inmiddels getrouwd, regelmatig vervangen door Dionne Warwick. Volgens het contract zouden de dames op hun 21e verjaardagen de opbrengsten van hun succes uitgekeerd krijgen, maar op het moment suprême kwam ze erachter dat het fonds dat die zou moeten beheren niet bestond. Geen geld dus. Dat leidde tot een contractbreuk en rechtszaken. In 1965 kwam men tot een overeenkomst met de platenmaatschappij. Maar toen waren The Beatles al flink bezig met de Britse invasie, de dames getrouwd en bezig met kinderen krijgen of al hebben.
De muziek van The Shirelles wordt omschreven als een mix van Doo Wop, R&B en Soul en geeft daarmee meteen al een nieuwe richting in de Doo Wop. Ondanks de “naive schoolgirl sound” met, net als bij Frankie Lymon, teksten over seksualiteit waar ze zelf nog geen ervaring mee hadden, zetten The Shirelles de toon voor het ‘girl group genre’. Toch geen geringe prestatie.

Hun mannelijke tegenhangers in die tijd, The Drifters, bleken bijna kameleontisch te zijn in muzikale aanpassingen. Tussen 1960 en 1963 hadden ze hits als ‘This Magic Moment’; ‘Some Kind of Wonderful’; ‘Up on the Roof’ en ‘On Broadway’. Stuk voor stuk klassiekers. ‘The Drifters’ bestaan vooral uit Clyde McPhatter met daaromheen een scala aan zangers in verschillende samenstellingen en periodes. The Drifters zijn opgenomen in ‘The Rock’n Roll hall of Fame’; ‘The Vocal Group Hall of Fame’ en met een tweede vermelding in de ‘Vocal Group Hall of Fame’, maar dan wel als: Ben E. King and the Drifters. Rolling Stone noemt The Drifters de minst stabiele van de bekende vocale groepen met als reden onderbetaling. Er is een lijst te vinden op het internet met alle leden die ooit in The Drifters gezongen hebben, het zijn er 67! Ondanks al die onrust hadden ze maar liefst dertien Top30 hits waaronder: ‘Money Honey’ (1953); ‘Honey Love’ (1954); ‘Adorable’ (1955); ‘There Goes My Baby’ (1959); ‘Save The Last Dance For Me’ (1960) en ‘Under The Boardwalk’ (1964). In Engeland hadden ze en nummer twee-hit met ‘Kissin' in the Back Row of the Movies’ (1975). Dat jaartal ligt ver buiten de hoogtepunten van Doo Wop, er is in dat jaar sprake van een kleine ‘revival’.

Zowel The Shirelles als The Drifters gebruikten invloeden van meerdere muziekstijlen, Doo Wop, R&B en soul. Dat bleek een goede greep, want het hoogtepunt van pure Doo Wop is begin jaren zestig langzaam voorbij. ‘Under the Boardwalk’ van The Drifters is zo’n beetje het laatste succes. We zijn dan in 1964 beland en dan gelden andere muzikale regels: The Beatles Rules! Met de komst van het Britse viertal en daarmee de al genoemde ‘Britse invasie’, verandert het hele muzieklandschap. Dit keer drastisch. Echter, menig rock’n roll-, beat- of rockgezelschap was hoorbaar schatplichtig aan Doo Wop. Zelfs The Beatles met hun meerstemming gezang, net als The Four Seasons, The Temptations, The Byrds, The Mamas & the Papas en vele anderen. Misschien nog wel de meeste herkenbare groep met Doo Wop-invloeden: The Beach Boys. En wat te denken van Diana Ross & the Supremes? Die volgden het door The Shirelles geplaveide pad.
Tot op de dag van vandaag gaat de invloed door, maar lijkt de stroming wat vergeten. Soms ontdek je dan weer zo’n prachtig nummer als ‘Cruisin’ to the Park’ (2019) van Durand Jones & the Indications of ‘Parachute’ van Thee Lakesiders (2018). Twee songs met duidelijke Doo Wop invloeden, maar ook met een portie R&B en soul. En dat geldt ook voor het album 'Love in the Wind'(2018) van The Sha La Das.

Terug naar de historie: er zijn honderden Doo Wop groepen, met evenzovele grote of minder grote hits. Terugkijkend zie je dat het merendeel van de Doo Wop-scene, als die er al was, zich afspeelt in steden als New York, Philadelphia, Chicago, Baltimore, Newark, Detroit en Washington DC. De essentie van al die prachtige muziek is gevangen in The Doo Wop boxen van Rhino Records, aangevuld met een onofficiële vierde van Rockbeat. Dan heb je 17cd’s met tegen de vijfhonderd songs, met voor elke song een korte uitleg. In aanvang was er alleen de eerste box (1993), maar daar werden er zoveel van verkocht dat die een gouden plaat/box(?) kreeg. Gevolg nummer twee (1996). Zelfde verhaal en dan volgt – wegens groot succes – nummer drie (2000). Wat al te lezen was in de boekjes bij nummer één en twee is dat veel muziek vanwege rechten of ander gedoe niet opgenomen kon worden. Met nummer drie wordt dat enigszins goed gemaakt. Die derde is iets anders qua samenstelling: één cd met ‘The Hits’; één met ‘Should-Have Been Hits’; één met The Celebrity Picks’ en de laatste met ‘Modern Doo Wop’.
Rockbeat vult de gaten van de Rhino-boxen met een aanvullende box, die door liefhebbers dan ook “Doo Wop box nummer IV” genoemd wordt. In ‘The Super Rare Doo Wop Box’ (2015) tref je nog eens vijf cd’s met boekje aan. Over de vormgeving is goed nagedacht… Ondanks dat ontdek je elke keer weer dat je nooit alle songs in huis hebt, daarvoor is er teveel.
Er zijn talloze compilaties, groot, klein, enkel cd, dubbel cd, series. Belangrijk om hier te noemen is de ‘tegenhanger’ van de Rhino-boxen: de, met 15 cd’s omvangrijke serie, van Bear Family Records: ‘The Complete Story of Doo Wop. Op de 15cd’s vind je alle belangrijke songs tussen 1939 en 1963, gerangschikt op datum. Het grootste deel overlapt de boxen van Rhino/Rockbeat. Het is wat je prettiger vind, een soms wat chaotische mix of alles op de rij. Ik hou, opgevoed door Zappa, meer van dat eerste.

Hoe dan ook, van elk nummer in de boxen of serie hierboven kun je een al dan niet lang verhaal schrijven. Teveel voor hier. In het kort komt het erop neer dat Doo Wop vrolijk is, meezingerig maakt. Langzaam of iets sneller, het is heerlijke muziek die het niet verdient vergeten te worden. Soms raakt een stijl of stroming je meer dan anderen. Dat is bij mij zo met Doo Wop. Misschien omdat de songs uit het leven gegrepen zijn? Zeker is dat Doo Wop ‘Some Kind of Wonderful’ (The Drifters, 1961) is. En nu maar gauw gaan luisteren.