logo van The Lemontree
dave holland bands

Laat niets weg, speel het allemaal!

omschrijving afbeelding

De Engelse bassist Dave Holland kreeg een uitnodiging met ticket om drie dagen later met Miles Davis drie concerten in New York te geven. Met Davis maakte hij vervolgens albums als ‘In a Silent Way’ en Bitches Brew; albums die de jazz veranderden.

Dave Holland leerde (contra)bas spelen met hulp van albums van Ray Brown. Later volgde Charles Mingus en Michael Garrison. De invloed van Mingus zou zich flink doen gelden.

Elke keer als ik Holland’s muziek hoor word ik blij, maar daarin ben ik niet alleen. Holland speelde met talloze musici en groepen, maar zijn echte spelplezier komt pas in 1999: "If it’s not fun, we’ve got to do something different."

Holland’s groepen groeiden gestaag, het Quartet werd Quintet, Sextet, Octet en zelfs een aardige Big Band. En wat voor een; de band kreeg meerdere Grammy’s. Lees het verhaal over die rustige, glimlachende en opvallend genietende bassist.




Dave Holland’s Quintet en Bigband zien en horen was een feest. Maar niet alleen in de zaal of voor mij. Vibrafonist Nelson stond van enthousiasme te springen achter zijn vibrafoon. Drummer Kilson had een verrasend klein drumstel bij zich, maar wat hij daarop deed bekeek ik met stijgende verbazing. Saxofonist Potter en trombonist Eubanks leefden zich uit dat het zweet er vanaf spatte en ondertussen speelde bandbaas Holland onverstoorbaar zijn contrabas, glimlachend en genietend van wat er om hem hen gebeurde. Eenzelfde scenario gold voor de bigband. Wat een band was dat en wat een power. Voor mij een van top bigbands. Na deze concerten was ik meteen verknocht aan Holland’s bands en dat ben ik nog steeds.

Dave Holland (1946- /contrabas, basgitaar) is geboren in Engeland, Wolverhampton. Als kind raakte hij gefascineerd door snaarinstrumenten en begon met het ‘spelen’ van de ukelele. Later volgde een akoestische gitaar en nog weer later een basgitaar. Holland vond muziek al snel veel leuker dan school, met als gevolg dat hij met die laatste stopte en zich stortte op het spelen in diverse bands. Hij begon in popbandjes, maar dat veranderde na het lezen van een Down Beat (jazzmagazine) met de jaarlijkse polls. Daarin werd ene Ray Brown genoemd als beste bassist. Holland spoedde zich vervolgens naar een platenzaak en kocht een aantal lp’s met daarop de bekroonde bassist. Dat waren de bekende platen met het Oscar Peterson Trio, maar ook met Leroy Vinnegar. Na ettelijke malen luisteren wist hij wat hij wilde. Pop werd jazz en binnen een week ruilde hij zijn elektrische bas om voor een contrabas. Oefenen gebeurde vooral door veel luisteren en meespelen met albums. Zijn platencollectie groeide snel, een bekend fenomeen als je op zoek bent. Ray Brown kreeg gezelschap van Charles Mingus en Jimmy Garrison. Die laatste is vooral bekend als de bassist bij John Coltrane.

In 1964 verhuisde Holland naar Londen. Hij zocht mensen en clubs om mee en in te spelen. Ook vroeg hij les van Edward Merrett. Dat is geen jazzbassist, maar een van de bassisten van het Philharmonic Orchestra en het BBC Symphony Orchestra. Merrett leerde Holland niet alleen beter bas spelen, hij leerde hem noten lezen én beval hem aan bij de Guildford School of Music and Drama. Holland werd toegelaten en ontving een volledige beurs voor zijn basstudie.
In zijn tweede studiejaar (1966) had Holland het vreselijk druk. Hij studeerde overdag en stond ’s avonds vaak op het podium in – vooral – Ronnie Scott’s Jazz Club. Indertijd ‘the place to be’. Wie speelde er niet? Tenminste, als het over jazz gaat. Bijna iedereen op tournee in Europa deed/doet die club aan. De bekende grootheden uit Amerika kwamen vaak alleen en zochten een bijpassende begeleiding. In Nederland denk ik daarbij vooral aan Hollands’ collega-bassist Ruud Jacobs, al dan niet met drummer Han Bennink. Dave Holland kreeg zo de kans om met mensen als Ben Webster, Coleman Hawkins en Joe Henderson te spelen, maar ook met Engelse musici als de jonge gitarist John McLaughlin, de landelijke coryfeeën Evan Parker (sax) en John Surman (sax), maar ook Chris McGregor uit Zuid-Afrika. Het is een beetje de Engelse jazzhistorie in een notendop. In dezelfde periode ontmoette Holland trompettist Kenny Wheeler. De muzikale klik met hem zorgde voor een reeks albums die pas ophield nadat Wheeler overleed (2014).

Na zijn studie bleef Holland spelen in Ronnie Scott’s Jazz Club. Ergens in 1968 was daar hoog bezoek: Miles Davis met in zijn kielzog drummer Philly Jo Jones. Die avond trad Bill Evans op, maar in het voorprogramma een groep met daarin Holland. Na afloop vertelde Jones dat Miles Holland wel in zijn band wilde, maar voordat daar werk van gemaakt kon worden was het duo vertrokken naar Nederland voor concerten daar. Holland keek dus vreemd op toen hij twee weken later een uitnodiging en vliegticket bij de post vond: of hij over drie dagen wilde opdraven in New York om met Davis te spelen tijdens een driedaagse concertserie in Count Basie’s Nightclub. De avond voor het concert landde Holland in New York, werd opgehaald door pianist Herbie Hancock en vervoerd naar zijn logeeradres bij drummer Jack DeJohnette. Dat alleen al. Na de concerten vertrok Hancock op huwelijksreis. Zijn vervanger was Chick Corea. De bedoeling was dat Hancock zou terugkeren, maar die werd ziek, waardoor Corea even de vaste pianist werd. Hancock kwam uiteindelijk terug, waardoor Davis twee fenomenale pianisten in zijn groep had. Holland genoot; de drie dagen werden twee jaar.

Het eerste album waarop Holland bij Davis meedeed is 'Filles De Kilimanjaro' (1969). Ron Carter, degene die Holland moest vervangen, speelde nog op drie van de vijf tracks mee. Even voor het perspectief: Holland speelt dan mee met Tony Williams (drums), Wayne Shorter (saxen), Corea en Hancock. Allemaal musici die hun sporen ruimschoots verdiend hebben. Holland is in dat opzicht nog een groentje, maar onderschat hem niet. De twee volgende albums zijn twee in de jazzhistorie essentiële albums: ‘In a Silent Way’ (1969) en ‘Bitches Brew’ (1970). Davis ging elektrisch, funky, experimenteel. Vooral anders. Holland moest hiervoor wel overstappen op een elektrische bas, al dan niet met effectpedalen. Op ‘In a Silent Way’ is Holland de enige bassist. Nieuw in die groep is keyboardspeler Joe Zawinul. Op ‘Bitches Brew’ krijgt Holland ‘concurrentie’ van Harvey Brooks.

Davis maakte diverse tournees met zijn toenmalige Quintet, maar daar is indertijd nooit een live- of studio-opname van verschenen. Voor zijn studiowerk nodige Davis allerlei musici uit, maar die stonden dan weer live niet naast hem. In 2001, ter gelegenheid van Davis 75ste verjaardag, verscheen het 2cd-album ‘About That Time, Live at the Fillmore East, March 7th, 1970’;. Het zijn opnames van het ‘Lost Quintet” met daarin: Holland, Shorter, DeJohnette, Corea en Davis. Eigenlijk is het geen Quintet, maar Sextet, want op het podium staat dan ook Airto Moreira (percussie). Het album laat goed horen waar Miles mee bezig was, maar ook wat Holland in die band betekende. in 1970 wisselde Davis nogal van musici en was dat tevens het einde van Holland’s plek bij hem.

Na Davis werd Holland vooral een graag gehoorde en geziene bassist in tal van groepen. Meestal eenmalig, soms tijdelijk, incidenteel iets langer. Zo speelde hij een tijd in Circle (Chick Corea, Barry Altschul, Anthony Braxton), deed mee met een van de laatste concerten van Thelonious Monk, speelde met Stan Getz, met The Gateway Trio (John Abercrombie, Jack DeJohnette) en bluesgitariste Bonnie Raitt. In 1972 maakte Holland zijn eerste eigen album: Conference of the Birds, met daarin Sam Rivers, Altschul en Braxton. Helemaal contrabassolo was het album ‘Emerald Tears’ (1978).

Vanaf 1983 had Holland zijn eerste eigen Quintet, met daarin Steve Coleman (altsax), Kenny Wheeler (trompet, bugel), Julian Priester (trombone) en Marvin ‘Smitty’ Smith (drums). In deze bezetting maakte hij drie albums: ‘Jumpin’ In’ (1984), ‘Seeds of Time” (1985) en ‘The Razor’s Edge’ (1987).
Tussendoor werkte Holland met een Trio met Coleman en DeJohnette en maakte een album met Kevin Eubanks (elektrische gitaar), Coleman en Smith en speelde mee op talloze albums van anderen. En dan heb ik het nog niet gehad over het Dave Holland Quartet.

In deze periode komt Holland Steve Nelson tegen. Nelson speelt vibrafoon en marimba. Holland ziet meteen een mogelijkheid en neemt met Nelson, saxofonist Eric Person en drummer Gene Jackson een album op: ‘Dream of the Elders’. Het werken met vibrafoon en marimba zet iets in beweging.

Met die beweging komen we in het verhaal waar we zijn moeten, namelijk in 1997 bij andere gezichtspunten, of in het perspectief van dit verhaal: nieuwe uitgangspunten. Dave Holland begint een Quintet met daarin: Billy Kilson (1962- /drums), Robin Eubanks (1955- /trombone), Steve Nelson (1954- /vibrafoon, marimba) en Steve Wilson (1961- /sopraan- en altsax). Met deze groep neemt hij in september 1997 stukken op die leiden tot ‘Point of View’ (1998). Het is een album dat vooral opvalt door de combinatie van blazers aan de ene kant en percussie aan de andere. Door het toevoegen van vibrafoon en marimba krijgt het groepsgeluid een heel andere dynamiek en klankkleur. Eubanks en Wilson kunnen afgewisseld met Nelson en Kilson losgaan rondom het muzikale anker dat Holland uitgooit.
Dit Quintet zet een betoverend geluid neer. Het is als een aquarel vol transparante laagjes ‘klangfarben’. Je blijft er naar luisteren.
Holland vergeet bij deze muziek zijn ‘roots’ niet. ‘Mr. B’ is opgedragen een Ray Brown en ‘Herbaceous’ aan Herbie Hancock. Sommige mensen noemen de muziek op deze cd typische ‘ECM-kamermuziek’, anderen horen de traditie van Charles Mingus in de muziek door. ECM is het label waar Holland al geruime tijd aan verbonden was en zou blijven totdat hij in 2005 zijn eigen label, Dare2, zou opzetten. Geoffrey Himes (The Washington Post) schreef over ‘Point of View’: "In the ongoing tradition of Charles Mingus, two of the most creative bandleaders in jazz today are bassist-composers, Charlie Haden and Dave Holland. Bassists -- who solo at their own peril -- understand better than anyone that in jazz the ensemble interaction is more important than the individual showcases. And it's the subtle, democratic give-and-take -- where the drummer and bassist matter as much as the keyboardist and horn players -- that makes the Dave Holland Quintet's "Points of View" so enthralling." (citaat: Wikipedia). Daar ben ik het helemaal mee eens.

In 1999 verschijnt het tweede album van dit Quintet: ‘Prime Directive’. Wilson is vervangen door Chris Potter (1971- /saxen, klarinet, gitaar, piano). De veelbelovende Potter had de sax opgepakt na het horen van de muziek van Paul Desmond (elders op de LemonTree). Potter zou blijven. Daarmee had Holland een groep jonge musici om zich heen verzameld. Misschien dat hij daarom vaak zo vaderlijk staat te genieten? Want genieten daar ging het bij Holland nu om. Hij had vervelende situaties meegemaakt die weliswaar goede muziek opleverde, maar dat was het dan ook. Zijn oude maatje Herbie Hancock genoot altijd met volle teugen bij wat hij ook deed. Tijdens een gesprek van Holland met zijn vrouw Clare kwam dit aspect naar voren. Holland was altijd heel serieus met muziek bezig geweest en het genieten was wat naar de achtergrond geraakt. Op die avond besloot Holland alleen nog muziek te gaan maken waar hij blij van werd: "If it’s not fun, we’ve got to do something different." De essentie en het kort en dat was meteen de basis of grondlaag, de ‘prime directive’, voor zijn ‘nieuwe’ Quintet. Met het album ‘Prime Directive’ maakte hij een nieuwe start en kon Holland inderdaad ook live glimlachen van plezier.
Het had meteen effect. ‘Prime Directive’ werd door de Jazz Journalist Association uitgeroepen tot ‘Record of the Year’.

De omzwaai was niet voor niets geweest. ‘Not for Nothin’ (2001), zoals het volgende album genoemd werd. De muziek daarop is verder uitgediept. Niet vreemd natuurlijk, want de groep trekt dan al enige tijd met elkaar op en kent, zoals Holland in het boekje bij de cd schrijft, behalve elkaars muzikale eigenschappen ook de persoonlijke. Thom Jurek (Allmusic) is heel enthousiast: "This is postmodern poetic singing at its finest. Who said jazz is a dead art form? Let he or she who has the ears to hear, hear; the Dave Holland Quintet is carrying the banner of creative music in the jazz tradition in the 21st century." (citaat: Wikipedia). Geen gering compliment toch?
Eén track, meteen ook de langste, ‘What Goes Around’, zou in de nabije toekomst nog een belangrijke rol spelen.

In 2002 verrast Holland ons met een heuse bigband en met die band een nieuw album: ‘What Goes Around’. Het album is in januari 2001 al opgenomen me Holland’s dochter Louise als belangrijkste stuwende kracht. De Big Band is Holland’s Quintet aangevuld tot totaal dertien, veelal jonge mensen. Acht erbij dus: Antonio Hart (1968- /altsax, fluit), Mark Gross (1966- /altsax), Gary Smulyan (1956- /baritonsax), Andre Hayward (1973- /trombone), Josh Roseman (1967- /trombone), Earl Gardner (1950- /trompet, bugel), Alex Sipiagin (1967- /trompet/bugel) en Duane Eubanks (1969- /trompet, bugel).
Een goede bigband is net een bijenkorf. Het zoemt, gonst, trilt, vibreert, bijen vliegen dansend weg, komen terug en worden al dan niet opgehitst in hun ‘dans’ door anderen. In dit geval is de ophitser drummer Kilson, die tijdens de diverse solo’s de band in het spoor houdt, maar tegelijkertijd de solist flink aan het werk zet. Heerlijk om te zien en naar te luisteren. Wat een dynamiek. Wat op mij vooral indruk maakte, los van het al genoemde, was het geluid van Smulyan’s baritonsax. Dat diepe geknor tilde de hele band naar een ander niveau. Blijkbaar hadden meer mensen dit zo ervaren. Holland kreeg voor dit album een Grammy Award in de categorie ‘Best Large Jazz Ensemble Album’. Het werd dan wel nergens vermeld, maar Holland trad met deze aanpak nog iets dieper in de voetsporen van collega bassist Charles Mingus.

In het licht van een bigband gezien doet de naam van het volgend album ‘Extended Play’ (2003) ietwat verwarrend aan. Dit album is het Quintet in actie, maar dan op twee cd’s (extended: twee is meer dan een), met een verslag van een reeks concerten opgenomen in Birdland, een van New York’s fijnste jazzclubs. Het Quintet speelde er in 2001 van 21 tot 24 november. Op het menu staat oud en nieuw werk. Maar, zoals Holland het in het boekje uitlegt, doordat de band al zolang bij elkaar is klinken de oude stukken toch weer anders: “The rare opportunity to have a group with a stable personnel over a relativity long period has given us the chance to explore these compositions beyond their beginnings and use them as a vehicle for our intuition and imagination.”
Er valt genoeg te verkennen. ‘Extended’ zou ook zomaar kunnen verwijzen naar de lengte van de diverse nummers, er is er maar één die korter is dan tien minuten. Alleen dat al maakt het een bijzonder album in de tijd dat alles korter, sneller en oppervlakkiger moet.

Wat inmiddels opvalt is dat Holland’s albums met enige vertraging op de lijn uitgebracht worden. ‘Overtime’ (2005), een tweede bigband-album, is drie jaar eerder opgenomen, in 2002. Misschien komt het door het opzetten van een eigen label, want ‘Overtime’ is het eerste album dat uitgebracht wordt op Holland’s eigen label Dare2. Het eerste ook met een opvallend kleurrijke hoes. Helaas is het tevens het laatste album met drummer Billy Kilson.
Net als bij het vorige bigbandalbum bestaat de groep opnieuw uit dertien mensen: het vaste Quintet, aangevuld met acht anderen, waarvan sommige nieuw. Even op een rij: Antonio Hart, Mark Gross, Gary Smulyan, Jonathan Arons (1976- /trombone), Josh Roseman, Taylor Haskins (1971- /trompet, bugel), Alex ‘Sasha’ Sipiagin en Duane Eubanks.
‘Overtime’ wordt grotendeels gevuld door ‘The Monterey Suite’, een stuk van bijna een uur bestaande uit vier subdelen. Deze suite kwam tot stand met steun van The Monterey Jazz Festival voor een optreden op 22 september 2001. Holland: “The music emerged out of challenging times and provided the focus for the positive for which I am thankful. Music has the power to bring people together and on that night the musicians and audience shared a celebration of community and the human spirit.” (citaat: cd-boekje).
Jammer dat die opname er niet is, maar de studio-opname van ‘The Monterey Suite’ zal er weinig voor onderdoen. Holland ontving voor het album zijn tweede Grammy Award, in de categorie ‘Best Large Jazz Ensemble Album’. Russ Musto van All About jazz schreef: “Assembled around the legendary bassist's working quintet, the thirteen-piece unit explores the greater harmonic implications of the leader's creative compositions, without sacrificing the special rhythmic character the smaller group possesses. Built from the bottom up upon the rock solid foundation of Holland's great big bass sound with Billy Kilson's atypical drumming and Steve Nelson's vibraphone and marimba (in lieu of piano) contributing greatly to its unique sound, the aggregation has a distinctive quality that is simultaneously classic and cutting edge,” (citaat: Wikipedia). Grappig dat Musto de atypische drumstijl benoemt, dat is inderdaad precies wat de groep zo bijzonder maakt. Elke goede drummer kan wel in de maat spelen, maar Kilson voegt er een laag en dynamiek aan toe door steeds iets extra’s te spelen of juist weg te laten. Ik had hem graag eens willen horen in combinatie met een gitaarsolo van Frank Zappa om maar eens iemand te noemen.

Opgenomen in 2005, uitgebracht in 2006, is Holland’s volgende en voorlopig laatste Quintet-album ‘Critical Mass’. Nieuw is Nate Smith (1974- /drums). Dit is het eerste Quintet-album op Dare2. Het klinkt zoals je zou verwachten. Ook al is Smith een heek andere drummer dan Kilson, de dynamiek zit besloten in de muziek. Het album kreeg vrijwel overal lovende kritieken. Maar, er was wel iets aan het veranderen.

2006 was een jaar met veel lof voor Dave Holland. In het toonaangevende jazzmagazine Downbeat werd hij uitgeroepen tot ‘Musician of the Year’; ‘Acoustic Bassist of the Year’ en stond hij op de eerste plek met de ‘Big Band of the Year’. The Jazz Journalist Association eerde hem vergelijkbaar met ‘Musician en Acoustic Bassist of the Year’. Tijdens het jaarlijkse jazzfestival in Montreux mocht hij de Miles Davis Award ontvangen. Allemaal dik verdiend.

‘Pass it On’ (2008) is een album van het Dave Holland Sextet. Het Sextet is de voortgang van het Quintet, maar eigenlijk ook weer niet. In het Sextet komen we oude bekenden tegen, maar missen er ook nogal wat, de enige blijver is trombonist Eubanks. Weg zijn Potter, Nelson en Smith. Dat is nogal iets. Antonio Hart en Alex Sipiagin waren al deel van de bigband, nieuw zijn Eric Harland (1976- /drums) en Mulgrew Miller (1958-2013/piano). Meest opvallend is Miller met een verleden in de groep van Duke Ellington, Betty Carter, Woody Shaw en Art Blakey. Toch meer de wat oudere jazz, logisch misschien ook, want Miller is in tegenstelling tot de rest van de band en gezien zijn historie niet de jongste.
Door deze opzet verandert het geluid van de band totaal. Weg is de vibrafoon, terug is de piano. De muziek klinkt ‘vertrouwder’ noem het traditioneler, tenminste in jazzkringen. Maar anders wil niet zeggen slechter. Michael Nastros (Allmusic): “This group continues to define jazz perfectly in the 21st century.” (citaat: Wikipedia).

Na vijf en zes komt niet zeven, maar acht! ‘Pathways’ (2010) is het eerste, en enige, album van Dave Hollands Octet. Het is een samenvatting van de bigband en het Quintet. In het Octet spelen naast Dave Holland: Antonio Hart, Gary Smulyan, Nate Smith, Chris Potter, Robin Eubanks, Alex Sipiagin en Steve Nelson. Deze groep speelde live in Birdland van 7 tot 11 januari 2009. Het concert werd opgenomen en uitgebracht in twee versies: een gewone cd en in een gelimiteerd doosje (1000 stuks) met daarin vijf mini-posters met aankondigingen van Holland’s concerten. Ze zijn ontworpen door Niklaus Troxler voor het Jazz in Willisau Festival (Zwitserland). De zesde, kleurrijke miniposter is het ontwerp voor het concert in Birdland. In het doosje zit ook een velletje met de releases van Dare2 tot dan. Een leuk item en inmiddels al meer dan het vijfvoudige waard.
De muziek is puur genieten niet in het minst door, ja ik heb er een zwak voor, de baritonsax van Smulyan. Opnieuw was er lof. George Varga van Jazz Times schreef: "As Holland has done in virtually every one of his previous bands, he provides a platform for his Pathways colleagues to realize an individual and collective sense of purpose and cooperation. The resulting spirit of generosity, of selflessly yet emphatically serving each composition, pays off from start to finish on the seven-song album (five penned by Holland), which clocks in at over 75 minutes but doesn’t contain a single extraneous note or gesture. Miles and Mingus would be proud.” (citaat: Wikipedia).

Met zo’n opmerking is het mooi om dit deel van Holland’s verhaal af te sluiten. Natuurlijk ging Holland verder, maar bracht tot vandaag van dit Quintet of Octet of BigBand niets meer uit. Een bijzonder vervolgalbum is ‘Prism’ (2013) met een bijna elektrische band met Fender Rhodes (Craig Taborn) en elektrische gitaar (Kevin Eubanks). De muziek klinkt als fusion en sluit eerder aan op het oude werk van Davis dan het recente werk van Holland. Een opmerkelijke stap. Holland’s meest recent uitgebrachte album is ‘Without Deception’ (2020); een trio-setting met Jonathan Blake (drums) en Kenny Barron (piano).

In 2017 werd Holland door The National Endowment for the Arts ‘gekroond’ tot ‘Jazz Master Fellows’ voor zijn levenslange verdiensten voor de jazz. De universiteit van Boston verleende hem een ‘honorary doctorate’ en de Guildhall School of Music and Drama verleende hem het ‘Fellowship’. Tussen het musiceren door geeft Holland regelmatig masterclasses en workshops. Het enthousiasme uit de beginperiode is nog steeds aanwezig. Ik vind het wel jammer dat er niet nog meer Quintet- , Sextet- , Septet- , Octet- of BigBand-albums zijn uitgebracht. Wie weet wat er nog komt. Wat dit verhaal in ieder geval duidelijk maakt is dat Dave Holland, naast het maken van prachtige muziek, vooral leeft en handelt volgens het motto dat hij ooit heeft opgedaan bij Sam Rivers en zich eigen gemaakt heeft: “Don't leave anything out – play all of it.'"