logo van The Lemontree
caravan: de decca/deram-jaren

Met een oor op de grond...

omschrijving afbeelding

In den beginne was er The Wilde Flowers, een Rhythm & Blues band. R&B maakte plaats voor soul, maar die werd uiteindelijk verdrongen door jazz en de muziek van de nieuwe tijd. The Wilde Flowers loste op in The Soft Machine en Caravan.

Caravan maakte een mix van jazz, pop, klassiek, beetje soul en wat psychedelische tintjes. Hun muziek is precies dat wat men nu omschrijft als ‘the Canterbury Sound’. Die benaming lijkt ondertussen bekender dan de muziek van Caravan zelf.

Net als zoveel andere groepen was er een grote doorstroom in Caravan. Dat leidde tot heftige ‘twists & turns’. Dat ze na het eerste album plotseling zonder platencontract zaten was wel het minst belangrijke.

Caravan’s hoogtepunt ligt, met de kennis van nu, in die begintijd, zo tot 1975, de zogenaamde ‘Deram/Decca’-jaren. Lees het verhaal van een band die te vaak in de schaduw stond van Soft Machine en misschien wel te lieve muziek maakte?




Ergens in 1964 wordt The Wilde Flowers een echte band. Na veel samen spelen vonden Kevin Ayers (zang); Brian Hopper (gitaar, saxen); Richard Sinclair (1948- /gitaar, zang); Hugh Hopper (bas, saxen) en Robert Wyatt (drums) het tijd om de groep een naam te geven. Die werd gekozen met een klein ‘eerbetoon’ aan schrijver Oskar Wilde. In maart 1965 nam The Wilde Flowers enkele nummers op als ‘Memories’ en ‘She’s Gone. Kort daarna verliet Ayers de groep om samen met Daevid Allen (gitaar, zang) The Soft Machine te beginnen. Ook alweer een naam van een boek trouwens. Ayers werd opgevolgd door een kamergenoot van hem: Graham Flight, maar die bleef niet lang. Sinclair vertrok vanwege de studie, waarop Wyatt de rol van ‘lead’-zanger op zich nam. Richard Coughlan (1947-2013/drums) werd de nieuwe drummer. Beide Hoppers, Wyatt en Coughlan doen mee aan het ‘Melody Maker Rock/Folk Contest’ en nemen daarom nog enkele nummers op.
Pye Hastings (1947- /gitaar), een Schot, wordt het vijfde lid, maar nu vertrekt Wyatt naar The Soft Machine, later gevolgd door Hugh Hopper die in eerste instantie ‘roadie’ wordt en pas daarna dé bassist. Dave Lawrence komt in Hopper’s plek en de groep wordt verder uitgebreid met Dave/David Sinclair (1947- /keyboards). Dave SInclair is de neef van Richard. Eigenlijk speelde hij bas, maar werd veel gelukkiger van het spelen op een orgel of piano. De groep die eerst veelal R&B speelde, maar soms wat jazz verschuift de voorkeuren nu richting soul. Die muziek past echter niet heel goed in het snel veranderende, muzikale landschap, zelfs de spreekwoordelijke straatstenen zijn niet geïnteresseerd. Liever lift men nu ook mee op de nieuwe muziek, die wat experimenteler, vrijer, psychedelischer is. In 1967 wordt The Wilde Flowers ontbonden. Uit de as ontstaat in 1968 Caravan. Hastings: “No one wanted a soul band anymore, so we decided to write our own material and Caravan was really born at that point.” (citaat: boekje Decca/Deram years). In Caravan spelen de beide Sinclairs, Hastings en Coughlan. Brian Hopper werkte nu veelal samen met broer Hugh in The Soft Machine. Richard Sinclair heeft zijn gitaar verruild voor de basgitaar.

Caravan speelde vooral in de thuisplaats Whitstable, Kent. Dat is in de buurt van Canterbury. Maar daar bleven ze niet lang. Hun oude vrienden van The Soft Machine zitten al in Amerika, op tournee met Jimi Hendrix. Zoiets wilden zij ook wel. Succes haal je niet in een klein plaatsje, dus vertrok de groep naar Londen en regelde een optreden in de dan bij een ‘alternatief publiek’ populaire Middle Earth Club. Die naam is ontleend aan de boeken van Tolkien. Met de geleende apparatuur van The Soft Machine konden ze daar goed uit de voeten. Caravan nam een demo op een presenteerde die aan Island Records, maar de tape kwam voorlopig niet verder dan de receptie. Toevallig werd Hastings gebeld door ene Tony Cox, iemand die bezig was producer te worden en de groep had in Middle Earth had gehoord. Hij zag wel iets in de groep. Cox had een dealtje met Ian Ralfini, de muziekuitgever van Robbins Music. “Of ze een demo hadden?” Nou, die hadden ze wel, maar “… die lag bij de receptie van Island.” Voortvarend belde Cox naar Island om de tape te krijgen, maar zijn telefoontje schudde de mensen daar vooral wakker. De tape werd niet opgestuurd. Dus ging Hastings zelf maar om het ding op te halen. Dit keer kon hij wel met de directeur, Chris Blackwell, in gesprek. Blackwell vond de muziek goed, maar vroeg tevens: “Who is the crap singer?” Dat bleek Hastings hemzelf te zijn. “Dan halen we stem toch weg, een instrumentale groep als The Nice is nu heel populair!” Nee, dat was niet het pad van Caravan. Uiteindelijk kreeg Hastings de demo terug. Na een concert in The Beehive in Canterbury (!) werd na afloop in de auto van Cox een contract getekend met zowel Cox als Ralfini. Ralfini was inmiddels gekoppeld aan het Amerikaanse Verve Records, een label dat in Amerika inmiddels ook ‘pop’-artiesten voerde als Frank Zappa & the Mothers of Invention en The Velvet Underground. Deze onderafdeling van MGM Records had net voet aan wal gezet in Engeland en zocht daar pop-artiesten/bands. Caravan was de eerste groep die tekende voor het label.

Met het nieuwe contract kregen de heren Caravan een voorschot van elk zeven Pond. Te weinig om van te leven en een oefenruimte te huren. Bovendien wilde niemand iets verhuren aan als onbetrouwbaar gezien langharig volk. Toch vond men een ruimte, het dorpshuis, een deel van de kerk, in Graveney. Binnen werd geoefend, buiten geleefd in daar opgezette tenten. Richting de winter werden de tenten verplaatst naar binnen, totdat het ook daar te koud werd om nog maar iets te doen.

In 1968 vonden de eerste opnames plaats in Advision Studios, Londen. Dat is in de periode voor alle handige techniek. Opnames waren weinig anders dan registraties van een ‘live’-concert in de studio. Heel soms werd er wel eens iets over gedaan, maar dat was vooral lastig en moeilijk, dan liever het hele stuk in één keer opnieuw opnemen. Omdat Caravan de meeste stukken voor het eerste album al lang speelde was opnemen in één keer niet zo’n groot probleem.
‘Caravan’ (1969) werd uitgebracht op Verve Forecast in een Grieks aandoende en Egyptisch bedoelde hoes met op de achtergrond zelfs een heuse dromedaris. Als je dit album draait na of voor ‘Soft Machine, Volume 1’ (1968) kun je niet anders dan constateren dat beide groepen inderdaad dezelfde wortels en benadering hebben: ‘sophisticated songs’, lange – vooral – orgelsolo’s en muziek in snel wisselende stijlen en motieven. ‘Place of my Own’ klinkt al als de toekomstige Caravan, al vond Hastings dat Cox zich iets teveel had bemoeid met het uiteindelijke geluid: “.. it wasn’t representative of how Caravan sounded at the time because Tony Cox added a lot of echo.” ‘Magic Man’ vertelt iets van de tijd op dat moment: “Sittin' in my treetop world, doing nothing at all just floating in the sky, I'm free” en “Soft Machines, Heart Club Bands and all are welcome here with me.” Die Heart Club band is The Beatles natuurlijk.
Een van de mooiste songs op ‘Caravan’ is ‘Love Song With Flute’. De fluitsolo wordt gespeeld door Pye Hastings oudere broer Jimmy Hastings (1938- /fluit, saxen). Jimmy Hastings zou regelmatig spelen met Caravan, maar ook met Soft Machine, Hatfield & the North en National Health; bijna de hele Canterbury-bende dus.
Het album is ondanks individuele bijdragen vooral een groepsgebeuren, iets dat terugkomt in de ‘credits’. Bij het langste nummer met de leuke titel ‘Where But For Caravan Would I?’ is dan wel mede-gecomponeerd door Brian Hopper.
‘Caravan’, het album, lag nog niet in de winkels of MGM/Verve hield op met de activiteiten in Engeland. Blijkbaar toch niet wat men voor ogen/oren had. Voor Caravan, de band, betekende dat de groep meteen zonder contract zat en de promotie voor het album moest ontberen. Daar sta je dan in de muziekwoestijn…

Gelukkig mocht de groep opdraven bij het BBC-programma ‘Color Me Pop’ en gingen de – schaarse- optredens gewoon door. Ralfini had door het hele gebeuren het idee dat de groep een eigen manager nodig had, niet eens ten onrechte in zo’n situatie. Dat werd Terry King. Voortvarend bracht hij Caravan bij Decca onder de aandacht en kon er bijna meteen een goede deal sluiten in de vorm van een meerjarencontract. De groep werd uitgebracht op Decca’s eigen label, maar later op hun redelijk nieuwe, progressieve label: Deram. Vandaar de benaming, de ‘Decca/ Deram-jaren’.

In september zit Caravan in de studio’s om opnames te maken voor een tweede album. Door de ervaringen met Cox besluiten ze het allemaal zelf te regelen. Dat werd een beetje een zootje omdat: “Everyone wanted their instrument to be the loudest.” Dat werkt uiteindelijk niet, dar kwamen ze snel achter.
Inmiddels begon de groep populair te worden in ‘kringen’, het zogenaamde “universiteitspubliek”. Hoogopgeleid en zoekend naar vergaande mogelijkheden in – en buiten - muziek.
In oktober 1969 stond de groep op het fameuze festival in het Belgische Amougies, samen met Pink Floyd, Soft Machine, The Nice, Colsseum, Captain Beefheart, Yes, Gong, Art Ensemble of Chicago, Ten Years After, Alexis Corner, Archie Shepp, Pretty Things en vele anderen. Wat een festival! Zo’n 80.000 mensen kwamen ondanks het natte, koude weer luisteren. De presentatie van het geheel was in handen van niemand minder dan Frank Zappa, die net de Mothers of Invention ontbonden had en dus ‘vrij’ was. Regelmatig pakte hij zijn gitaar en speelde mee met bands. Een van de meest bijzondere combinaties in de historie is die van zijn gitaarspel bij Pink Floyd tijdens hun nummer ‘Interstellar Overdrive’. Hij speelde ook mee met Caravan en vertelde ze na afloop dat hij het interessante muziek vond. Een mooie opsteker.

Door alle optredens zat de band pas weer begin februari 1970 in de studio. Net zoals bij het eerste album werd de muziek in één ‘take’ opgenomen en in die zin live in de studio gespeeld. Die opnames leidden tot het tweede album met de wat suggestieve titel; ‘If I Could Do It All Over Again I Do It All Over You’ (1970). Maak het verhaal af en kleur de plaatjes.
Op het album staat nog een reeks ‘dubieuze’ titels: ‘And I Wish I Were Stoned’’ en ‘As I Feel I Die’. De muziek gaat verder op het met ‘Caravan’ ingeslagen pad. De warme stem, afgewisseld met de iets hogere van Hastings werkt goed. Neef David voegt prachtige keyboardpartijen toe en dito solo’s. Hij is in het muziekland en niet alleen dat van Grijs en Roze een ondergewaardeerd speler. Neef Richard blijkt een fikse stempel te drukken op het groepsgeluid, zijn bas is meer in de voorgrond gemixt en juist dat maakt het geluid van Caravan interessant en boeiend. De track ‘For Richard’ wordt door menig Caravan-aficianado gezien/gehoord als dé Caravan-track. Het nummer maakt deel uit van een soort vierluik, bestaande uit: ‘Can’t Be Long Now/Françoise/For Richard/Warlock’; een suite van iets meer dan veertien minuten. Het is een sterk meanderend, tikje jazzy stuk, met prachtige orgel- en saxsolo’s (van broer Jimmy). Eigenlijk is het vooral lieve, harmonische muziek ondanks de soms knetterende fuzzorgelsolo’s, hoe meer ik daar over denk hoe meer ik denk dat dát de essentie van Caravan is.

Ook al zo aardig: zelfs de technicus, Robin Sylvester, staat met een fotootje op de hoes, dat komt niet vaak voor. Kort voordat het album verscheen bracht Decca een single uit: ‘Hello, Hello/‘If I Could Do It All Over Again I Do It All Over You’. Dat was voldoende om her en der beschreven te worden. De single kwam zelfs in de Top20 en leidde tot een optreden voor hét programma van die tijd, BBC’s ‘Top of the Pops’.
Maar er was meer werk te doen, veel optredens, waaronder een reeks met de net opgerichte Black Sabbath in het voorprogramma. In juni staat de groep op het Nederlandse Woodstock: Holland Pop Festival/Stamping Ground in Kralingen. Ze traden er naar eigen zeggen op in de vroege ochtend van de tweede dag, maar staan in de lijst van dag drie. Misschien was het wel vroeg, misschien was iedereen toen al te stoned? Hoe dan ook, over Caravan daar is weinig te vinden.
Van Kralingen ging men naar Plumpton voor het ‘National Jazz, Pop, Ballad & Bluesfestival’ met onder anderen collega’s Yes, Van Der Graaf Generator en Colosseum. Caravan had zichzelf goed gepresenteerd en werd al iets populairder. Het werd tijd voor een nieuw album.

Opnames voor het derde album begonnen in september 1970. Dit keer was producer David Hitchcock aanwezig. Hitchcock was de man achter de schermen, de man die Decca overtuigd had Caravan een contract aan te bieden. Hitchcock is bekend van zijn werk voor Genesis, Camel en Curved Air. Net als eerder werden de diverse songs en tracks door iedereen aangeleverd en aan elkaar gesmeed als groepswerk. Hastings had voor de eerste twee albums nogal wat werk verzet, dit keer deed hij het iets rustiger aan. Voor de som der delen maakte het niet uit. Een van eerste songs die ze opnamen was ‘Group Girl’, later werd de naam ietsje aangepast in ‘Golf Girl’. De ‘Group Girl’ is niemand minder dan Richard Sinclair’s toekomstige vrouw Trisha, maar in de song heet ze ‘Pat’: “Her name was Pat and we sat under a tree. She kissed me…”
Waar Pink Floyd potentiële songs in de studio nummers gaf, deed Sinclair dat iets subtieler. Zijn compositie ‘It’s Likely to Have a Name Next Week’ kreeg inderdaad een naam: ‘Winter Wine’. Hij beschrijft een sprookjesachtig tafereel inclusief draken, maar geeft meteen ook mee dat het leven te kort is om te dromen van dingen die je toch nooit kan krijgen of wensen. Dromen eindigen immers altijd te vroeg. Gelukkig wordt alles een stuk duidelijker nu zij dichtbij hem is. En ze leefden nog lang en gelukkig. De twee hiervoor genoemde tracks staan samen met ‘Love to Love You’ en het uiteindelijke titelnummer op lp-kant A van ‘In the Land of Grey and Pink’ (1971). Op kant B de kantlange compositie ‘Nine Foot Underground’, die bestaat uit acht onderdelen, met een paar grappige titels, zoals ‘Dance of the Seven Paper Hankies’ en ‘Hold Grandad by the Nose’. Maar ook dit nummer had eerst een werktitel: ‘Dave’s Thing’. Humoristen die Caravanners. Natuurlijk was broer Jimmy aanwezig voor zijn bijdragen op dwarsfluiten en tenorsax.

Net als eerder was de amuse een single: ‘Love to Love You/Golf Girl’ (1971). Die werd uitgebracht in februari, in april volgde het album in de prachtige, sprookjesachtige roze, grijze hoes van Anne Marie Anderson. Ondanks die mooie hoes en de prachtige muziek kwam noch de single noch het album in een of andere hitlijst. Ondanks dat, gerechtigheid komt altijd na afloop, is ‘In the Land of Grey and Pink’ het bestverkochte album, platina inmiddels, van Caravan én met terugwerkende kracht het populairste. In interviews noemt zelfs Hastings dit als zijn favoriete Caravan-album.
Waar zaten die mensen toen met hun oren? Er was een klein excuus, er was in deze periode een staking bij de posterijen waardoor betrouwbare verkoopcijfers niet gegeven konden worden. Hm… Wat enigszins hielp was een optreden bij de BBC. Daar speelden ze ‘Nine Feet Underground’ in volle glorie en andere stukken van het album, maar ook een compositie van hun Soft Machine vrienden: ‘Feelin’ Reelin’ Squealin’’ Alle opnames voor de BBC, ook eerdere en latere, zijn terecht gekomen op ‘The Show of Our Lives, Live at the BBC 1970-1975’ (2007).
Bij de ‘40th Anniversary Deluxe Edition’ van ‘In the Land of Grey and Pink’ kregen we de opnamesessies, alternatieven en de BBC-opnames erbij, maar ook twee stukken op DVD: ‘Golf Girl’ en Winter Wine’, allebei in 1971 opgenomen voor het Duitse programma ‘Beat-Club’. Indertijd mijn favoriete programma en niet alleen vanwege die presentatrice natuurlijk. Het is goed om Caravan in de oude bezetting te zien, daar doet de wat psychedelische setting niets aan af. Vreemder is het feit dat Dave Sinclair in beide nummers niet frontaal in beeld wordt gebracht, alleen de zijkant van zijn haardos is zichtbaar.

Helaas werden alle beloften rondom het nieuwe album niet waar gemaakt, te weinig promotie, te weinig geïnvesteerd in de groep. Het potentiële succes werd in de kiem gesmoord. Het gaf spanningen in de groep, die liepen zo hoog op dat Dave Sinclair opstapte. Plotseling zat hij bij Robert Wyatt, die net uit Soft Machine gegooid was en bezig was met Matching Mole (elders op de LemonTree): "I felt the whole thing was going a bit stagnant ... I wanted to play with other people, but had to accept that with Caravan it was either all or nothing." (citaat: Wikipedia). Eerder al had Dave Sinclair meegewerkt op Wyatt’s soloalbum ‘And of an Ear’ (1970). Er lag al een lijntje.

Sinclair’s vertrek had een enorme impact. Vanwege zijn specifieke geluid en vele solo’s was hij niet alleen moeilijk te vervangen, maar was ook de best ontwikkelde muzikant in Caravan. Maar de Caravan trekt verder. Neef Richard nodigde daarom Steve Miller (1943-1998/keyboard) uit om eens te komen meemusiceren. Miller speelde op dat moment in de band Delivery, een meer jazz dan rockband. Het werkte, maar meteen werd duidelijk dat de impact nog groter was, het geluid van Caravan veranderde, ging meer richting jazz in plaats van de vaak wat luchtige en soms zelfs grappige rock. Het was een richting die Richard Sinclair ook graag op wilde gaan, maar dat zagen Hastings en Coughlan minder zitten. Tweespalt in de band. Ondanks dat ging men moedig voorwaarts en even moedig de studio in voor een volgend album. De jazz leek te gaan winnen, want naast de bijna standaard-bijdrage van Jimmy Hastings speelde nu ook Lol Coxhill (1932-2012/sopraansax) mee. Coxhill was een bijzonder iemand die graag grenzen afbrak of verlegde. Zijn terrein was eerder de free- of geïmproviseerde jazz dan de jazz met enige structuur. Dat zegt al genoeg.
Caravan heeft sterke familiebanden, daarom nodigde Steve Miller zijn jongere broer, Phil Miller (1949-2017/gitaar) om ook wat te komen bijdragen. Al met al een behoorlijke ontwikkeling binnen de groep.

‘Waterloo Lily’ wordt zowel het openingsnummer als de naam voor het album dat uitgebracht wordt in 1972. De titeltrack gaat over een nogal gezette dame die zichtbaar voluit uitgestrekt ligt in de binnenhoes. Het Jan Steen aandoende kroegtafereel op de buitenhoes is van William Hogarth, een Engelse schilder die leefde van 1697 tot 1764. Zijn werk is regelmatig te zien op lp-hoezen, maar vooral die van klassieke muziek. Wat ook opvalt is de ‘scheiding’ in credits, voor het eerst staan er twee nummers op naam van één persoon (Miller). ‘Waterloo Lily’, de song, klinkt nog als een vertrouwd nummer, maar daarna gaan we toch echt het jazzpad op met de twee tracks van Miller. Met ‘Songs and Signs’ komt de klassieke Caravan weer in beweging.
Producer Hitchcock vond het beter als de song ‘To Catch Me a Brother’ werd voorzien van een orkest(je). Jimmy Hastings wist wel wat mensen die wilde spelen, als ze tenminste niet in de kroeg zaten. Blijkbaar een wat – voor ons – vreemde gewoonte van Engelse orkestmusici. Eenmaal de smaak te pakken werd het nummer ‘The Love in Your Eye’ ook voorzien van orkestbegeleiding.

Na het album ging de band op tournee door Europa, stond op het jazzfestival (!) van Montreux en in opnieuw in de studio van de BBC. In juli was het plotseling afgelopen. Miller verliet de groep en werd gevolgd door Richard Sinclair. Die begonnen samen Hatfield & the North. Hastings en Coughlan hielden Caravan aan de gang, maar dan wel met een heel stuk minder jazz. Voor de nieuwe leden werd een soort auditie gehouden. Stuart Evans werd kort de nieuwe bassist, maar werd na een tournee opgevolgd door John Perry (1947- /basgitaar). Derek Augstin werd de nieuwe keyboardspeler, maar die vertrok bij de eerste opnamen voor een nieuw album, zijn geluid was niet ‘Caravan’-genoeg. Hij werd verrassend vervangen door oudgediende David SInclair. Die had zijn ‘wilde’ experimenten gehad en keerde terug op het nest. Eerst was dat alleen voor een tournee door Frankrijk, daarna voelde het weer als vanouds en bleef hij. De enige nieuwkomer die blijkbaar wel een plek gevonden had was Geoffrey Richardson (1950- /altviool, gitaar, fluit).
De tournee door Frankrijk had Caravan goed gedaan, er was aandacht en succes en met de nieuwe bandleden verliep de omgang positief. Net als eerder waren er al heel wat nieuwe stukken geschreven en live gespeeld. Die werden dan ook weer op de bekende manier in de studio gespeeld. Met de nieuwe albumtitel bleek de humor ook weer terug in de band: ‘For Girls Who Grow Plump in the Night’ (1973). De plotseling zwangere vrouwen baarden, na voorgaande verhaal niet verrassend, een veel meer rock-gericht album. Dat wordt met de eerste track, ‘Memory Lain, Hugh’ meteen duidelijk. Richardson voegt met zijn altviool iets wezenlijks toe aan het geluid, maar blijft in de buurt van dat specifieke Caravan-geluid. Jimmy Hastings is opnieuw present met sax, fluit en nu ook arrangementen. Er doet een reeks studio- en/of gastmusici doet mee, waaronder Rupert Hine (synthesizer) en Frank Ricotti (congas). De meeste tracks zijn gecomponeerd door Hastings. De openingstrack verwijst wellicht naar Hugh Hopper, de oude maat uit Wilde Flowers die in Soft Machine heeft gespeeld. Sterker is ‘the Soft Machine force’ door ‘Backwards’, de track van Mike Ratledge. Het nieuwe album lijkt er een van terugkijken, maar is er een van vooruitgaan en goed dat de band is doorgegaan. ‘For Girls Who Grow Plump in the Night’ is voor velen dan ook een van de betere Caravan-albums en het eerste dat de groep meer succes opleverde.
Nog even over de hoes. De zwangere dame op de voorzijde, in de verbeelding van de titel, ligt er zedig en netjes bij. Eigenlijk was de bedoeling dat ze er in haar blootje lag, maar dat vond Decca toch iets te ver gaan. Vreemd eigenlijk, want hoezen met geheel ontklede of nauwelijks bedekte dames waren heel gebruikelijk in de platenindustrie. Misschien was het de zwangere van de dame het probleem? Het is iets om eens over na te denken…

De orkestarrangementen van de laatste twee albums vielen goed in de smaak. Martyn Ford en John Bell hadden zeker op ‘For Girls Who Grow Plump in the Night’ goed werk verricht. Ford was zelfs zó tevreden dat hij een concert wilde doen met Caravan én een symfonieorkest. Iedereen was enthousiast, dus ging men aan de slag het idee te realiseren. Decca wilde meteen ook maar opnames van het geheel maken met het oog/oor op een album van het geheel. Vooraf aan het evenement tourde Caravan door Engeland. Op 28 oktober stond de groep in Theatre Royal, Drury Lane, samen met The New Symphonia. Caravan op een verhoging, het orkest aan weerszijden daarvoor. Door de voorafgaande tournee en de complexiteit van de opbouw was er weinig tijd samen te oefenen. Naar eigen zeggen, twee keer vier uur. In Theatre Royal viel een en ander ook nog niet mee. De groep speelde te hard voor het orkest, dus moesten de speakers niet alleen zachter, maar ook heel anders gericht worden, in ieder geval zo dat het geluid niet over de hoofden van de strijkers heen gestort kon worden. Simon Ford dirigeerde het geheel, de arrangementen en keuzes werden gemaakt door Simon Jeffes. Die laatste zou je kunnen kennen van zijn Penguin Cafe Orchestra. Het deel voor de pauze was Caravan solo, na de pauze band met orkest.
De keus van het uit te voeren werk viel – natuurlijk - op recent werk, aangevuld met ‘successtukken’ als ‘For Richard’ en ‘The Love in Your Eye’. Er waren zelfs enkele heel nieuwe stukken, want Hastings had er zin in. Het stuk ‘Virgin on the Ridiculous’ was zelfs zo nieuw dat de tekst ervan nog zichtbaar op papier stond. Het maakte niet uit, ook al zat het publiek verder weg van Caravan dan ooit, de sfeer zat er goed in en iedereen in het uitverkochte huis genoot volop, inclusief band en orkest. Het zou nog even duren voordat het album uitgebracht zou worden. Ondertussen had Caravan het druk met de gebruikelijke zaken als een tournee en spelen in de studio van de BBC.

‘Caravan & the New Symphonia’ werd in april 1974 uitgebracht. Op het album kwamen alleen de stukken na de pauze, die mét orkest dus. De voorzijde van de hoes is gesierd met een wat surrealistische afbeelding, op de achterkant staat een foto van de band met orkest. Bij de ‘re-issue’ op cd in 2001 bleek dat niet alleen de volgorde anders was dan we tot dan toe hadden aangenomen, maar er ook meer was. Kregen we plotseling vijf nummers extra waaronder het lange ‘A Hunting We Shall Go’. Vroeger gingen die niet op een lp natuurlijk en een dubbel-lp was blijkbaar teveel gevraagd.

‘Caravan & the New Symphonia’ is een prachtig album, het werd in 1974 dan ook lovend besproken, maar… het werd geen succes. Op een of andere manier werd dat Caravan - onterecht - onthouden. Het leidde opnieuw tot fricties. Perry had tussen een paar tournees door al eens gespeeld met Rupert Hine voor diens band Quantum Jump, nu speelde hij er meer en meer en besloot dan maar helemaal over te stappen. Hij werd vervangen door Mike Wedgwood (1950- /basgitaar, congas). Wedgwood had voldoende ervaring opgedaan in Curved Air, dus hij kon snel de basplek invullen, op tijd in ieder geval voor een festival in Tunesië en de daaropvolgende reeks concerten in België en Nederland.

Terug in eigen land ging Caravan, ondanks het uitblijven van succes, toch maar weer de studio in voor een volgend album, maar de groep brak wel met hun manager, King. Er moest toch iets gebeuren. Caravan tekende een contract met BTM, de maatschappij van Miles Copeland, inderdaad de broer van The Police drummer Stewart. BTM had ook bands als Curved Air, Black Sabbath en Renaissance onder hun hoede. BTM regelde eerst een concert in Fairfield Hall, Croydon en liet dat opnemen. Caravan, de band zelf, had immers nog geen echt eigen live-album, ja met orkest, maar dat is anders, toch? Vreemd genoeg, nou ja, eigenlijk ook weer niet, bleef het concert tot 2002 onuitgebracht. In 2002 verscheen het op cd: ‘Caravan at the Fairfield Halls, 1974’. BTM bleek, achteraf en later, niet de meest stabiel club tot grote frustratie van de diverse bands. Black Sabbat werd er zelfs een tint zwarter van.
Voor die tijd regelde BTM wel Caravan’s eerste tournee door Amerika, een tournee van vijftig concerten, vooral langs universiteiten. Want, net als eerder in Engeland, bleek daar het meest geschikte publiek te zitten. London Records, de Amerikaanse tak van Decca, bracht ter gelegenheid van de tournee een ’nieuw’ single uit: ‘The World is Yours/Headloss’. De single werd veel gedraaid, maar, net als thuis, weigerde in een hitlijst te komen.

Zoals zo vaak in muziekland, als je denkt dat dat het goed gaat, gaan de problemen op de loer liggen. Sinclair had nauwelijks iets geschreven voor Caravan en hij voelde zich meer en meer een ‘studiomuzikant’ die werk van anderen speelde. Ja, hij schreef werk, samen met John Murphy, maar dat was meer bedoeld voor een eigen album. De drukke tournee van Caravan had vaste bandschrijver Hastings weinig rust gegund, waardoor hij nauwelijks tijd had gevonden nieuw werk te schrijven. Sinclair had dat wel, maar… Er werd wat overlegd, met het gevolg dat de stukken van Sinclair/Murphy voor het nieuwe Caravan-album gebruikt gingen worden. Zo werd bijna heel kant twee van de lp ‘Cunning Stunts’ (1975) één lang nummer: ‘The Dabsong Conshirtoe’. Het werkstuk van het Sinclair/Murphy. Kant één bestaat uit andere werk van hetzelfde duo, van Hastings en ook Wedgwood. De afsluitende track van lp-kant B is van Richardson. ‘Cunning Stunts’ (afgeleide van stunning cunts natuurlijk, hahaha wat een grap) liet met het lange werk een overeenkomst zien met ‘Nine Feet Underground’.
Jimmy Hastings is dit keer eens niet van de partij. De meeste arrangementen zijn nu zelf gedaan, het maakte het album misschien nog een tikkeltje rock-achtiger dan het vorige.
Of het daardoor kwam? Het album deed het best goed, kwam in de Engelse albumlijst op 50 en in Amerika tot 124 in de albumhitlijst daar. In België zelfs tot een 14e plek. AllMusic beschrijft het album als: "A solid, varied, and interesting album with plenty of character." Fijn dat karakter, maar voor Sinclair was het genoeg geweest. Hij had dan wel zijn compositie aan Caravan toevertrouwd, maar was in zijn hoofd alweer bezig met andere dingen en die pasten niet in de Caravan. Hij begon een eigen band, met daarin ook weer neef Richard Sinclair.

‘Stunning Cunts’ was het laatste album voor Decca. Het contract was afgelopen en aangezien het succes toch vooral uitbleef koos Caravan, overigens allemaal in goede vrede, voor een andere club. Dat werd de platenmaatschappij van Copeland, net als het management BTM genaamd. Toen klonk het nog goed. Dave Sinclair werd vervangen door een collega uit Liverpool met de oh zo Nederlandse naam: Jan Schelhaas (1948- /keyboards).

Met die groep werd ‘Blind Dog at St. Dunstans (1976) opgenomen. Echter zonder Sinclair was Caravan opnieuw Caravan niet meer. Dit keer waren de gevolgen erger, de liedjes korter en minder spannend, de langere orgelsolo’s waren weg en vervangen door een piano en het ‘synthetisch geluid’ van een synthesizer. ‘A major turn for the worse” (AllMusic). Daar hebben ze gelijk in, deze ‘turn’ was niet de handigste. De naam, Caravan, staat nog wel op de hoes, maar na ‘Cunning Stunts’ is het een enorme overgang en een tegenvaller. Dat vond Wedgwood ook en hield het voor gezien. Hij werd kort vervangen door Dek Messecar (?/basgitaar, zang). Met hem werd het voorlopig laatste album opgenomen met de bijna uitdagende titel: ‘Better By Far’ (1977), maar eigenlijk wisten ze donders goed dat dit album lang niet het niveau van weleer haalde. Door gerommel bij BTM werd dit album uitgebracht op Arista Records. Daarna viel de groep uit elkaar en is de eerste periode ten einde. De eerste, want drie jaar later volgt er alsnog een nieuw album en zo blijft de Caravan een beetje doorsjokken.
Dave Sinclair komt zelfs terug, Schelhaas gaat dan, Sinclair verdwijnt weer, Schelhaas komt terug en zo rommelt het door. Het maakte mij wel duidelijk dat het hoogtepunt in het verleden lag. In mei 1990 is er een reünieconcert met de bezetting uit de begintijd, beide Sinclairs, Hastings en Coughlan. Hoe het klonk is te horen op de cd “Live’ (1993). Maar na een kleine reeks concerten viel deze groep weer uiteen met bovenstaand effect.

Met drummer van het eerste uur, Coughlan gaat het niet best, hij raakt langdurig ziek en overlijdt in 2013. Tijdens zijn begrafenis in Canterbury liet de band weten dat “his unique style of playing and wonderful character will be sorely missed." Hij was, samen met Hastings, het langst zittende groepslid en zo iemand wordt zeker gemist.

Naast nieuwe albums worden er in de jaren enkele interessante compilatiealbums uitgebracht, zoals ‘Where But For Caravan Would I?: An Anthology (2000), maar veel interessanter is: ‘The World is Yours-The Anthology 1968-1976’; een 4-cd box met boek, foto’s en enkele onbekende opnamen. Met de 9cd-box ‘The Decca/Deram Years, an Anthology 1976-1975’ heb je in één klap al het boeiende werk van Caravan in huis. Bijna elke cd heeft bonustracks, die weliswaar al vaak te vinden zijn op de tweede anthologie, maar in deze set zit ook het live concert uit Fairfield Halls en alle opnamen voor de BBC.

Het succes van Caravan kwam eigenlijk pas nadat ze, muzikaal gezien, over het hoogtepunt heen waren, Vreemd dat een groep die zo’n boeiende muziek maakt in de tijd dat ze die maakten niet populair werd en een groep als Soft Machine wel. Zelfde wortels en achtergrond, zelfde start en in aanvang zelfs vergelijkbare muziek. Waar het aan ligt? Ik zou het niet weten, maar wel dat Caravan veel meer gewaardeerd mag worden. In 19070 lieten ze ons al weten dat ‘With an Ear to the Ground You Can Make It’, misschien hadden ze met hun oren nog dichter bij de grond moeten gaan liggen? Dat gezegd hebbende, nu maar gauw op stap naar het Land van Grijs en Roze!