logo van The Lemontree
Association P.C.

Hoogste oorsmeertijd

omschrijving afbeelding

Laatst luisterde ik naar iets niet heel interessants op You Tube, maar legde plotseling wel een associatie met een van de eersten, zo niet de eerste, Nederlandse jazzrockband Association P.C.

Association P.C. bestond kort, maakte slechts vijf albums, maar werd vanwege die albums geroemd in het toonaangevende jazzmagazine Downbeat.

De groep was vooral populair in het buitenland en maakte dan ook, na het eerste album in eigen land, vier albums voor het Duitse MPS. Van alle albums is slechts één, en dan nog met enige moeite, op cd te vinden; de rest is zelfs nog nooit op cd gezet!

En wat betekenen die twee letters aan het eind? Staan ze voor Pierre Courbois, of staan ze voor iets anders? Hoog tijd om Association P.C. hier eens in de muziekzon te zetten, want de groep verdient de plek in de schandalige schaduw helemaal niet.




Dit verhaal gaat over jazzrock, rockjazz, dus dat vakje trekken we eens open, anders wordt het te ingewikkeld. 1969: jazzrock! Ik hou het even op dat begrip. Rockjazz mag ook, fusion niet. Die naam komt veel later en dekt eigenlijk de lading van de tijd niet. Wat/wie kom je in 1969 tegen? Miles Davis: ‘In a Silent Way’; Frank Zappa: ‘Hot Rats’; Tony Williams Lifetime: ‘Emergency’; Herbie Hancock: ‘Fat Albert Rotunda’ en Soft Machine: ‘Volume Two’. Dat is het. Of alles hier al met de sticker van het hok rondgaat is twijfelachtig. Trek het vak daarnaast open, jazzrock 1970, dan blijkt die la bijna leeg: Miles Davis (Bitches Brew) en Soft Machine (Third). In 1971 komen het Mahavishnu Orchestra en Weather Report erbij. Kortom, het jazzrocklandschap ligt er nog wat kaal en verlaten bij, een enkel plantje of kiem daargelaten. Ergens in een hoekje van het veld groeit een kleine plant, de Association P.C., met als bloeiwijze de ‘Earwax’ (1970). Met enige fantasie zou je het album in eigen taal ‘oorsmeer’ kunnen noemen. Dat geeft namelijk precies aan wat er hier gebeurt: het oor wordt gesmeerd en wel met elektrische olie. Overigens zou drummer Pierre Courbois (1940- /drums) de eerste zijn om zijn band Association P.C. uit de la te gooien: “Ik heb me nooit geroepen gevoeld de rock-drummer uit te hangen.“ (citaat: Jazzjaarboek 3, 1984)

Dat laatste is helemaal waar, sterker nog, Courbois is opgeleid tot edelsmid. Bijna Iedereen in zijn familie was dat. Daarnaast deden ze er iets muzikaals bij, maar wel in het nette. Moeder speelde piano in een band van dertien, vader speelde er viool, maar niet de eerste, want moeder leidde de groep. Thuis was altijd muziek, maar toen Courbois rond zijn negende om een drumstel vroeg werd hij wat vreemd aangekeken. Hij had al pianoles, drums, dat kon toen niet. Maar hij had wel een jazz-feeling. Om daar iets mee te doen begon hij maar met het spelen van de banjo. Dan kon hij tenminste op het rechte pad van de Dixielandstijl werken. Dat deed hij dan ook en maakte er als lid van diverse orkestjes Nijmegen en omgeving blij mee. Later pakte hij de gitaar erbij. Tegen het eind van de middelbare school had Courbois wat zakgeld en kocht zijn eerste plaatje. Dat werd een EP-tje (Extra Play; verlengde single) met vier nummers van Art Blakey en diens Messengers. De familie wist niet goed raad met die heftige muziek, voor Courbois was het een logische stap na de jazz die hij thuis hoorde, Glenn Miller en Bennie Goodman bijvoorbeeld. Courbois begon met drums in het dixieland-sextet van Jan van Halen. Inderdaad, de vader van Alex en Eddy. Jump!
Op zijn achttiende verjaardag kreeg Courbois wat onderdelen van een drumstel: bas-, snaardrum en een bekken. Van pianist George de Goeij leerde hij de nodige kneepjes. Het begon echt toen trompettist Willem Reinen opbelde. De groep waarin die speelde, het Ton Wijkamp Quintet, deed mee met het concours tijdens het Loosdrechts Jazzfestival en zocht nog een drummer. Toen hij vanuit Nijmegen in Arnhem met de trein aankwam met zijn ‘drumstel’, waren de reacties niet van de lucht. Gelukkig had de bassist had nog wel wat trommels staan en zo kreeg Courbois zijn eerste ‘normale’ drumstel. Het Ton Wijkamp Quintet won dat jaar, 1960, de eerste prijs. Meest verbaasd daarover waren ze zelf, ze wisten nauwelijks wat ze deden, alles ging naar gevoel.

Courbois voelde wel aan dat dat anders moest, maar ja, er moest ook nog een vak geleerd worden. Daarom ging hij naar de Academie voor Beeldende Kunst in Arnhem en volgde de opleiding edelsmid. Die maakte hij af, met diploma. Tussendoor deed hij het muzieklyceum. Daar kreeg hij les van Jan Wilderom. Wilderom was paukenist in het Gelders Orkest en had in een militaire kapel gespeeld. Volgens Courbois een ideale basis.

In 1963 ging Courbois, samen met Maurits van Hal naar Parijs. Van Hal had een elektronicazaak in Velp en leverde, vreemd genoeg, de geluidsinstallatie voor dé jazzclub in Parijs, de Blue Note Club. Na de levering zouden ze naar de Tour de France gaan kijken. Courbois ging kijken naar de Tour, maar ja, het jazzbloed kruipt waar het niet gaan kan, en dus zat hij al snel achter het drumstel in de Blue Note. Hij mocht een avond meespelen en voor hij het wist zat hij in de vaste band van de club, samen met Kenny Drew (piano), Pierre Michelot of Jacky Samson (bas). Zo begeleidde hij Amerikanen op tournee. Die kwamen meestal alleen en speelden met beschikbare bands. Courbois speelde zo met onder anderen Stan Getz, Johnny Griffin en Bud Powell. Hij speelde er om en om met de tweede huisband, die van Kenny Clarke. Omdat die veel bekender was bleef diens drumstel staan. Grappig was dat ze allebei even groot waren en Courbois de opstelling van Clarke’s drums zo goed vond dat hij die exact overnam en die tot op de dag van vandaag nog zo gebruikt. Van Clarke leerde Courbois ook spelen met brushes. Lastig, want zacht spelen is veel moeilijker dan hard. Het is een totaal andere techniek. Courbois leerde in de tijd van de Blue Note Club meer dan in de jaren van de opleiding.
Eenmaal terug in eigen land maakte hij met zijn Franse baan behoorlijk wat indruk. Dat deed hij ook met zijn ‘voorliefde’ voor het spel van Ornette Coleman. Daarover waren de reacties behoorlijk verdeeld indertijd. Courbois was zelfs zo enthousiast over die Coleman dat hij een eigen band begon: de Original Dutch Free Jazz Group, bestaande uit Victor Kaihatu (bas); Maarten Bekkers (tenorsax) en René Provoost (altsax). De groep heeft zo’n drie jaar bestaan.

Saxofonist Peter Brötzman vraagt Courbois, ‘out of the blue’ om met hem op het Frankfurter Jazzfestival te spelen. Het is de eerste keer dat Courbois, naar eigen zeggen, in het openbaar helemaal vrij kon spelen. Die gelegenheid opende een auditief venster voor Courbois. Ondanks het feit dan hij Brötzman slecht vond spelen en er ook helemaal niets mee had, heeft juist dit optreden veel voor hem betekend.

Die vrijheid komt terug in het volgende gezelschap. Samen met Boy Raaymakers (trompet), Peter van de Locht (sopraan- en altsax) en Henk Haverhoek (bas) vormde Courbois het Free Music Project (1966). De naam was eerst ‘Original Dutch Free Jazz Quartet’, maar die naam impliceerde teveel in de jazzrichting en dat was niet vrij dus. De bezetting wisselde nogal eens en werd soms, als Erwin Somer met zijn vibrafoon aansloot, uitgebreid tot Quintet. In het Free Music Project stond niets meer vast, zelfs niet het spelen van jazz. Ton Wijkamp omschreef de muziek van het FMP als volgt: “Die muziek van jullie is gewoon een orkest dat drumsolo’s begeleidt.” (citaat: Jazzjaarboek 3, 1984).
Die opmerking zette Courbois aan het denken. Het is in feite een filosofische kwestie: helemaal vrij spelen is tegelijkertijd vastzitten in het keurslijf van dat vrije spel, je mag en kan niets anders. In feite dus het tegendeel van vrij spelen. Parallel aan het FMP speelde Courbois met Rein de Graaff en Dick Vennik, ‘gewone’ jazz, swing. Soms zelfs met beide groepen op één avond. Verder werkt Courbois met Willem Breuker en de Duitse Gunther Hampel.

Langzaamaan rukt de elektriek op in de muziek. Jimi Hendrix laat luid van zich horen en zelfs de grote Miles Davis ‘bekeert’ zich tot de elektriek. In 1969 ontmoet Courbois Jasper van ’t Hof (1947- /piano). Courbois lag in het ziekenhuis en mocht in de kantine naar de uitzending van het Loosdrecht Jazzconcours kijken. Daar zag en hoorde hij van ’t Hof met gitarist Toto Blanke en drummer Dries Bijlsma. Het leek Courbois wel wat om met die van ’t Hof te spelen. Dat lukte op een grillige manier. Van ’t Hof kreeg in Arnhen, hij woonde er net, een ongeluk met iemand die een kennis van Courbois was. Van het een kwam het ander en zo stapte van ’t Hof enkele weken later aan boord van de ‘Brevis’, de woonboot van Courbois in Arnhem. Van ’t Hof had al een elektrische piano. Dat was wat. Bij een tweede bezoek bracht van ’t Hof Toto Blanke (1936-2013/gitaren) mee en later Peter Krijnen (1940-2020/contrabas, basgitaar). Zo ontstaat een nieuwe groep met een totaal ander geluid. Omdat alle instrumenten versterkt werden hoefde Courbois voor het eerst geen rekening te houden met het geluid van zijn drums en kon hij echt losgaan. Krijnen speelde wel elektrische bas, maar het liefst speelde hij op zijn ‘one legged lady’, zoals hij zijn contrabas noemde. Maar er zat vooral avontuur in de muziek. Krijnen: “We hadden ongelooflijk plezier. In die periode probeerden we van alles: mijn bas werd geplukt en beklopt. Ze kon krijsen als een viswijf en fluisteren als een geliefde.” (citaat: Gelderlander, 2020).

De groep noemde zich Association. Maar er bleek al een band met bijna dezelfde naam, The Association, te zijn; een Amerikaanse popgroep. Om gedoe te vermijden werd de naam ‘jazzier’ gemaakt: Association P.C. Iedereen in de band en in jazzland kende immers het werk ‘Mr. P.C.’ Die P.C. staat voor bassist Paul Chambers. Grappig genoeg heeft Courbois dezelfde initialen. Vul zelf dan maar in waar die P.C. nu voor staat.

Door de elektriek klonk de band al snel als een rockband, zeer tegen de zin in van Courbois en van ’t Hof. Zij wilden jazz spelen en deden dat ook. Weliswaar jazz met rock invloeden, maar zeker geen rock met jazzinvloeden. Later verschoof het accent, onder invloed van van ‘t Hof meer naar de rock, maar dat gaf zoveel spanningen dat van ’t Hof uiteindelijk de groep verliet.

Maar zover is het nog niet. Eerst moet er nog gespeeld worden. Association P.C. werd al snel gevraagd voor het Hammerveld Jazzfestival in Roermond. De groep werd zelfs opgenomen en op de radio uitgezonden. Vier minuten. De groep stond ook op het toen nog vrij jonge Appelpop. Association P.C. treedt door de internationale bezetting ook in Duitsland op. Daar zien ze Association P.C. als een verlengstuk van Soft Machine: “Association P.C. is een groep die begint waar Soft Machine ophoudt.” Dat vonden de heren van de associatie niet erg, die lui van Soft Machine waren immers ook jazzmuzikanten. Misschien wel door de nieuwe, elektrische aanpak, zoals hierboven geschetst immers is de groep er vroeg bij, worden ze geroemd, en niet voor het laatst, in hét toonaangevend jazzmagazine Downbeat.

Omdat de band veel, vooral eigenlijk, in Duitsland speelde hadden ze in Paderborn een ruimte gehuurd waar de bandspullen opgeborgen werden en de bus stond. De optredens die Association P.C. doet zijn bijzonder, niet alleen door de muziek, maar ook door de daadwerkelijke bezetting. Krijnen ‘deed de band erbij’ en kon daardoor alleen in het weekend spelen. Als Association P.C. in Duitsland was, meestal door de week, speelde Sigi Busch (1943- /contrabas, basgitaar) de baspartijen. De muziek die ze speelde ging alle kanten op, mits het maar jazz was. Courbois was in deze periode beïnvloed door Indiase muziek, raga’s, en dat was te horen. Het stemmen van de instrumenten hoorde al bij het nummer. Dat was, volgens de heren, “sfeer scheppen”. Een van de ‘bekendere’ werken die ze live veelvuldig speelden was de ‘Roermond Suite’. Die suite is een lang stuk, vaak bijna een uur lang, bestaande uit diverse onderdelen, blokken. Desgewenst konhet stuk worden aangepast, de volgorde veranderd bijvoorbeeld.

Het eerste album wordt gemaakt in 1970. De buurman van Krijnen is Rob Zomer, een klarinettist die veel met muziek in de weer is. Zomer nam een muziekgroothandel over en daarbij zat een uitgeverlicentie: Munnickendam. Zomer wilde met die licentie in de hand een nieuwe platenmaatschappij beginnen. ‘Earwax’ (1970) is het eerste album voor Munich Records. De opnames vonden plaats in Studio Middelhorst, Wageningen, de plek van Munich Records.
Een album is natuurlijk leuk, want het is een soort visitekaartje, maar het gaf ook problemen, want wie van de band moest er nu meespelen? De oplossing lag voor de hand. Op de ene kant speelt Krijnen, op de andere kant Busch. Courbois gaf meteen ook maar aan dat een album een voor- en achterkant heeft en geen A- en B-kant. De nieuwe manager, tevens producer van het album, de Wageningse Wim Wigt, vond dat raar, maar zo is het wel op de hoes gekomen. De meeste stukken zijn delen uit de ‘Roermond Suite’. Courbois, de bedenker van de titels, laat zien dat hij een bijzonder soort humor heeft. De lange track, ‘Hit the P. Tit’ is natuurlijk niets meer of minder dan ‘hittepetit’ (volgens het woordenboek: een actief, bedrijvig persoon van het vrouwelijk geslacht). Met ‘Jazzper’ wordt Jasper (van ’t Hof) bedoeld en ‘Round a’bout Nine’ is Association P.C.’s associatie op Thelonious Monk’s ‘Round About Midnight’.

De hoes van ‘Earwax’ is best een vreemde. Voorop staat Association, zonder de ‘P.C.’-toevoeging, bovendien wordt de naam van Courbois ook nog eens extra vermeld in de linkeronderhoek. Op de achterkant staat alleen Courbois met zijn drumstel, inclusief zijn uitvinding van de gong die ‘aangeslagen’ wordt met een basdrumpedaal. Er is ook nog een waarschuwing te lezen: “Watch out because nothing will stop association”. Het is maar dat je het weet, maar helaas is daar anno nu weinig van terecht gekomen. Pas in de binnenhoes zie je de andere leden van Association P.C., maar dat geldt alleen voor de allereerste versie met klaphoes. De voorkant is opgenomen op 30 oktober, de achterkant de dag erna. Vroeger had men geen weken nodig om iets op te nemen. Zoals van ’t Hof vertelt in het boek over Courbois: “Op een bepaald moment zegt Pierre ‘rrrroemm’ en dan gaat de zaak aan het lopen.”

‘Spider’ begint met een melodisch gitaarloopje en klinkt inderdaad als… Soft Machine. Er wordt flink gewerkt met effecten en geluiden. Blanke vervormt zijn gitaargeluid en Van ’t Hof die van zijn Fender Rhodes. Er wordt flink getrommeld ook. ‘Hit the P. Tit’ gaat meer richting Miles Davis’ ‘Bitches Brew’ en is een stuk experimenteler dan de openingstrack, eigenlijk gaat dit werk meer richting free-jazz’ dan jazzrock of wat dan ook. ‘Elsen’ is dan weer zo melodieus dat het als achtergrondmuziek bij een commercial zou kunnen. Van ’t Hof noemt het daarom zelfs een “pepermuntmelodietje”. ‘Earwax’, het titelnummer is als ‘Spider’. Als je het nummer hoort snap je wel dat sommige mensen Association P.C. in het vakje ‘Canterbury’ stoppen. Dat is het alomvattend vak van bands als Soft Machine, Hatfield and the North, Caravan, Gong en zelfs onze eigen Supersister. Er is wel een groot verschil: Blanke klinkt veel meer als een jazzgitarist dan de gitaristen uit de bands hierboven. In Blanke’s spel hoor ik ook invloed van iemand als Wes Montgomery bijvoorbeeld. ’Round A’bout Nine’ is opnieuw onderzoekender. Het sluitstuk ‘Jazzper’ maakt het album melodisch rond.

Nu had Association P.C. een album, maar helemaal tevreden waren ze ook niet. De ‘Roermond Suite’ was een stuk langer en paste niet op een lp. Het stuk in delen knippen was een oplossing, maar achteraf toch ook niet de meest geslaagde. Een stuk als ‘Elsen’ is het product van de chaos en het gerommel daarvoor. Díe tegenstelling die live geweldig werkte kwam op het album minder uit de verf.

Ondanks het visitekaartje bleef succes of waardering in eigen land uit. In Duitsland ging het veel beter, daar stonden ze meer open voor elektrische jazz. Zo speelde de groep er op de Berliner Jazztage en tal van andere belangrijke festivals. Berlijn bleek een belangrijk festival voor Association P.C.. Na het optreden werd de groep benaderd door Joachim Ernst Berendt. Berendt was de grote voorganger in de jazzsector en bood de groep ter plekke een platencontract op BASF Records aan voor vier lp’s.

Ook dat contract had impact op de groep. Association P.C. reisde al veel, maar er zou meer gereisd moeten worden. Dat was voor Peter Krijnen niet meer vol te houden, Sigi Busch werd daarom de vaste bassist van de groep. De eerste tournees waren in Duitsland en Noord-Afrika (!). Maar eerst moest er gespeeld worden in München tijdens de Olympische Spelen. Vanwege de aanslagen verliep die heel anders en gingen de concerten daar niet door.

Het tweede album, ‘Sun Rotation’, verschijnt in 1972. Een album met acht stukken en meer elektronica. Het album is opgenomen van 24 tot 27 november in Hamburg’s Windrose Studio met als technicus Conny Plank (op de hoes Planke genoemd) en producer Joachim Ernst Berendt hemzelf. Als je iets van Plank weet, dan weet je dat dit album goed klinkt.
Helemaal tevreden was men uiteindelijk opnieuw weer niet. Het euvel van het eerste album, het opknippen in kleine stukken, speelde opnieuw op. ‘Sun Rotation’ kent maar liefst acht tracks, waarvan de langste bijna zeventien minuten duurt. Er wordt opnieuw geëxperimenteerd met klanken, Van ’t Hof heeft inmiddels, naast zijn piano, een orgel staan en zelfs Courbois gaat elektriek. Omdat Courbois nogal wat technisch inzicht bleek te hebben kreeg hij de al dan niet kapotte effectapparatuur van Blanke en Van ’t Hof. Die zette hij in bij zijn drumstel. Verder experimenteerde Courbois met een dubbele basdrum. Die tweede basdrum bouwde Courbois zelf met hulp van plexiglas. Later bouwde hij zijn hele drumstel daarvan. Die tweede basdrum was volgens Van ’t Hof “fucking hell”. Een enorm geluid. Hij zat er op het podium slechts twee meter vanaf. Van ’t Hof: “Je hebt twee componenten in de muziek die deze band zo speciaal maakten: chaos en geluidssterkte.” ‘Sun Rotation’ werd in de Duitse pers besproken en opnieuw vergeleken met Soft Machine. “Wij hadden Soft Machine nog nooit gehoord!” Het zegt, denk ik, meer over het muziekklimaat van begin jaren zeventig.
‘Sun Rotation’ heeft qua opbouw eenzelfde structuur als ‘Earwax’, melodieuze muziek, heldere thema’s, afgewisseld met de eerder geschetste chaos en lange solo’s. ‘Scorcussion’ is een lange drum/percussie-solo die via een kort intermezzo eindigt in het volgende nummer: ‘Silence’. Dat is precies wat je hoort, met dank aan John Cage natuurlijk. Wie ‘Frau Theunissen’ is weet ik niet, maar het klinkt als Soft Machine, maar dan wel de Soft Machine van drie jaar later, 1975, die met Allan Holdsworth. Rock, maar dat is het volgens Courbois zeker niet: “Jazzdrummers die rock spelen dat is eigenlijk geen echte rock. Net als rockdrummers geen jazz kunnen spelen. Dus ik deed mijn best.” Voor zowel Courbois als Van ’t Hof speelde ze jazzrock, immers allebei geen rockmuzikant, dus de jazz moet voorop, maar ondanks dat is hun mening over het containerbegrip duidelijk: “The expression jazz-rock is crap!”.

‘Sun Rotation’ wordt in 1972 uitgebracht in Duitsland op MPS Records, in Frankrijk op BASF. In 1980 nogmaals in Duitsland op Crystal en vervolgens in 1984 op Corona Music jazz. Een naam die in 2021 de nodige vraagtekens oproept. Daar blijft het bij. Eigenlijk is het een grof schandaal dat al die MPS/BASF albums nooit op cd gezet zijn. Universal heeft nu de rechten, ze zouden best in een leuk boxje kunnen, toch?

‘Erna Morena’ (1973) is een live-album, opgenomen in het Auditorium Maximum van de Universität van Freiburg tijdens de SWF Jazz Session op 25 april 1972. Opvallend is een vijfde persoon bij dat optreden: Karl H. Wiberny (1944- /saxen). Wiberny speelt live en dus op het album tenor- en altsax en alt-klarinet. Wiberny speelde daarvoor met drummer Paul Lovens, volgens Courbois een Duitse Han Bennink. Omdat Wiberny dus in dezelfde hoek zat speelde hij soms, maar dan ook heel soms, mee. De keer in Freiburg is in ieder geval vastgelegd. Of de besmeurde speelgoedpop op de voorkant de Erna Morena is weet ik niet, maar wel dat dit soort 'experimentele’ hoezen in deze periode meer voorkwam.

‘Frau Theunissen’s Kegel’ is de openingstrack. De vrouw heeft een ‘kegel’ dat is zoiets als een drankneus… Dat valt in de muziek niet af te horen, want die verloopt op een strak stramien van Courbois en Busch. De rest van het album bestaat uit ‘Erna Morena’, deel één en twee en die verder weer onderverdeeld. Nu loopt deze ‘suite’ in ieder geval wel door. Daarmee wordt het beoogde muzikale contrast ditmaal wel goed overgebracht. Herzlichen Dank. Maar toen het album eindelijk verscheen was Association P.C. alweer met andere dingen bezig en vroeg men zich af of dit album dan wel zo uitgebracht had moeten worden. Het wordt nu toch gezien als een goede momentopname, want ‘Erna Morena’, het nummer, was volgens Van ‘t Hof een “topconcept”. Het paste ook prima in de tijd. Nu mocht er namelijk plotseling weer melodisch gespeeld worden, van free-jazz had men de buik wel vol. Dat Association P.C. daar al enige tijd mee bezig was, was menigeen ontgaan blijkbaar.
‘Erna Morena’, het album, volgde zo’n beetje hetzelfde release-pad als haar voorganger, eerst op Crystal (1980) en tot slot op Corona Jazz (1984). Geen cd.

Echter nog voordat het album op de markt van muziek en geluk kwam was de samenstelling van Association P.C. veranderd. De Franse violist Jean Luc Ponty had de muziek van Association P.C. gehoord en was onder indruk van Van ’t Hof. Zozeer zelfs dat hij die een aanbod deed om in zijn band te komen spelen. Dat hij ging was een schok. Anderzijds kon hij al vaker niet en speelde Wiberny in zijn plek. Maar op dat moment moest er een keus gemaakt worden, samen kon niet. Van ’t Hof koos voor Ponty en vertrok. Het lot is grillig. Niet heel veel later kreeg Ponty een aanbod van Frank Zappa om naar Amerika te komen en in zijn band te komen spelen. “An offer you can’t refuse…” Van ‘t Hof begon toen maar zijn eigen band, Porkpie.

Association P.C. zat nu zonder keyboardspeler. “Wij dachten dat Jasper niet te vervangen was”, aldus Courbois, maar dat viel mee. Opnieuw tart het lot de realiteit. Van ’t Hof wordt vervangen door de Duitse pianist Joachim Khün (1944- /keyboards), de pianist die bij Pony weg ging, omdat Van ’t Hof daar kwam. Soms geloof je dit soort ‘toevalligheden’ eigenlijk niet. Er komt er nog één: op het nieuwe album, 'Rock Around the Cock’ (1973) herhaalt de situatie van het eerste album zich. Op kant 1 (de voorkant?) doet Wiberny mee, op de B-kant doet Khün mee. Het album is net als het vorige studio-album opgenomen in Windrose Studio, Hamburg. De opnames waren van vier tot zeven maart. De suggestieve titel is ontleend aan het werk van Captain Beefheart. Courbois, meestal de naambedenker, was daar nogal weg van. Natuurlijk mocht het album zó niet in Amerika uitgebracht worden, daar heet het album dan ook ‘Shirocco’, naar de vierde track van het album. Of de eerste track, ‘Phenis’ dan wel mocht vertelt het verhaal niet. Natuurlijk is het allemaal een grote parodie op ‘Rock Around the Clock’. De titel die meestal genoemd wordt als het om dit album gaat…

Op ‘Rock Around the Cock’ geen suite, maar zes, voor Association P.C. relatief korte, nummers. Het muzikale concept is inmiddels bekend en dit album wijkt daar niet veel van af. Misschien is in zekere zin wat vrijer dan het vorige, maar in het totaalplaatje past het prima. Ene jamesjazzy, die de band niet kent, schrijft op Discogs, de site voor muziek-verzamelaars: “Is this not the weirdest album title especially with that photo what are these guys thinking am I missing something..? Perhaps a cock is something else in Germany but I thought the word was universal.... Sounds like a gay bathhouse concept album to me...”

Om het eens over klankbeleving te hebben. Het laatste album gaf in ieder geval een heel andere klankbeleving. Op ‘Mama Kuku’ (1974) deed als vijfde man de Amerikaan Jeremy Steig (1942-2016/fluit) mee. Steig, in Amerika een bekend muzikant met tal van plaatopnamens achter de kiezen, speelde mee met een aantal Amerikaanse drummers bij het Jazz Now-concert in München. MPS-baas Berendt, ook daar aanwezig natuurlijk, vond dat Steig heel goed bij Association P.C. zou kunnen passen. Het duurde even, maar uiteindelijk trad hij op met de groep. ‘Mama Kuku’ is een live-concert, opgenomen in juni 1973 in het Arkadenhof van de Alte Universität Freiburg en in Salle de Spectacles Epalinges in Lausanne, Zwitserland. Spektakel hebben ze zeker gehad in Lausanne. Op de B-kant staat één lang stuk, ruim een-en-twintig minuten daar opgenomen. De A-kant bestaat uit vijf stukken, opgenomen door, daar is hij weer, Conny Plank. De avondkrant van München, de ‘Abend-Zeitung’ beschrijft de muziek als “een reflectie van de tijd, een effectieve synthese van rock en jazz”. Courbois vult dat op de hoes aan met: “mijn belangrijkste doel is de grenzen van de traditionele vormen te verleggen of naar een hoger plan te tillen”.
‘Mama Kuku’ was niet de eerste keus voor een titel, dat was ‘Je Re My Fa Sol La Si Do’, maar uiteindelijk kwam het album uit als ‘Mama Kuku’. Vreemd genoeg weet niemand waarom… De ‘nieuwe’ titel komt overigens uit het Swahili en betekent ‘moederkip’.
Association P.C.+ Jeremy Steig, zoals op de hoes staat, laat weer vrijere jazz horen met veel, je verwacht het al tenslotte, fluitwerk. De goede lezer ontdekt nog een kleine woordgrap, ‘Ecnelis’ is ‘Silence’ achterstevoren. Hoe dat klinkt is lastig te omschrijven, het klinkt vooral als Association P.C.+. Vreemd genoeg, misschien komt het wel door Steig, is dit het enige album dat ooit op cd is uitgebracht. Dat was in 2008 in de ‘24Bit Re-Mastering of the Original Tapes’. Als je de bijsluiter leest zou de rest volgen, maar waarom dat nooit gebeurd is weet ook al niemand.

Met Khün in de groep volgden er nogal wat tournees, waardoor één door een aantal Aziatische landen met steden als Teheran, Kabul, Delhi, Bangkok, Hongkong en Kyoto. De tournee eindigde in Madrid, maar dat was ongeveer ook het eind van Association P.C.. Busch en Khün verlieten de groep. Met Khün liep het al wat lastig, eerst wilde hij geen rock spelen, toen alleen maar rock en geen jazz. Blanke wist nog wel een bassist, de Poolse Harald Konietzko (1951- /bas). Daarna kwam de Duitse fluitist Siegfried Kessler (1935-2007/fluit, piano) erbij, maar die speelde in Association P.C. alleen piano. Er zijn nooit albums uitgebracht van deze bezetting. Jammer, want Courbois gaf later aan dat dit eigenlijk de leukste tijd was. Maar ja, op dat moment was hij weer verder in groei en dit verhaal leert vooral dat men nogal kritisch keek naar het afgeleverd werk. Dat komt ook terug in Courbois’ houding. Na al die jaren had hij een beetje genoeg van het geluid van de elektrische piano en wilde, opnieuw, weer eens wat anders. Kessler speelde weer de akoestische piano en dat paste nu weer beter.

Maar dan gaat het toch mis. Degene die de optredens in Duitsland regelde haakte af, want het jazzlandschap daar verbrokkelde, de optredens stokten en plotseling was het over met Association P.C. De hele handel werd verkocht en iedereen ging zijns weegs. Courbois ging onder invloed van manager Wim Wigt schoolconcerten geven. Boeiende concerten met alleen slagwerk en elektronica. Ik heb het na zo’n concert nog een tijd met Courbois gehad over zijn drumspel. Later dook Courbois op in nieuwe, eigen bands, zoals The New Association en zijn 5/4 Sextet. Anders dan Association P.C., maar minstens net zo boeiend. Daarover misschien later nog eens wat. Tot op de dag van vandaag is Courbois nog bezig met zijn drumstel en muziek. Toch een knappe prestatie voor iemand die als beoogd edelsmid door het leven had moeten gaan.

Association P.C was een groep die in de korte tijd van haar bestaan een prachtige én gedurfde mix maakte van elektrische jazz en rock en daarmee de tijd vooruit was. Zo ver vooruit dat er helaas tot op de dag van vandaag nauwelijks aandacht is voor deze bijzondere groep. Nu wordt het toch echt tijd dat meer mensen hun oren eens laten smeren.