logo van The Lemontree

Dansen in de underground

omschrijving afbeelding

De Essener Songtage in 1968 brachten een scheuring teweeg tussen een groep mensen die leefden in communevorm. Beide groepen maakten muziek, de een als Amon Düül, de ander als Amon Düül II. Het leidde tot nogal wat verwarring, een ‘hoofdpijndossier’ waarin veel niet bekend is.

Amon Düül II wordt een van de hoekstenen van de Duitse ‘Krautrock’ genoemd, maar is die hoeksteen wel zo stevig?

Soms blijkt het lastig om je muziek verder te ontwikkelen en het publiek bij je te houden. Bij Amon Düül II lukte dat minder dan de leden gehoopt hadden. Een verschil tussen uitgesponnen thema’s of improvisaties aan de ene kant en songs, ballads, aan de andere kant.

Lees het verhaal over een bijzondere groep die eigenlijk alleen kon ontstaan in een woelige tijd.




De Duitse band Amon Düül II wordt een van de hoekstenen van de zogenaamde Krautrock genoemd, maar er is eigenlijk bar weinig over te vinden vergeleken met die andere hoeksteenband: Can. Misschien komt het door hun warrig verleden, dat, zoals iemand omschrijft, een ‘hoofdpijn- en nachtmerrie-dossier’ is. De muziek gaat van totale chaos, uit de begintijd, via psychedelische underground naar blues en rock en zelfs filmmuziek. De wortels liggen in de woelige jaren zestig, waarin de jeugd zich overal roert. Het samen leven en samen delen in communevorm is een nieuwe stijl van leven die zich afzet tegen het huisje-boompje-beestje moraal van de oudere generatie. Het is tevens een zich afkeren van de gevestigde orde, de politiek, de gezagsdragers. Het gebeurt overal, maar in Duitsland, met het recent oorlogsverleden, verloopt een en ander een stuk harder lijkt het. Chris Karrer had een verliefde voor de muziek van John Coltrane en Ornette Coleman. Nadat Karrer een concert van Jimi Hendrix had gezien wilde hij de rockkant op. Hij zocht mensen die hetzelfde dachten en begon met hen een commune aan de Prinzregentenstrasse in München. Dat werd de ‘Amon Düül Art Commune’. Het is een groep van een twintigtal mensen, voornamelijk studenten, sommigen al met kinderen, die hier beginnen te leven volgens het principe ‘everyone is equal’. De naam ‘Amon’ is afgeleid van een Egyptische zonnegod, ‘Düül’, een fictief iemand uit een Turks verhaal. Gezien het motto wordt van alles samen gedaan, ook muziek gemaakt. Sommigen kunnen daadwerkelijk spelen, anderen kunnen wel op drums slaan, maar dat is het dan ook wel. Peter Leopold vertelt over deze periode dat muziek maken uit een ideologie voortkwam: “There has te be music from everybody – everybody may do so if they can.” Dat idee voerden ze eerst thuis, maar later ook live uit. Het publiek participeerde mee en de scheiding tussen band en publiek viel daarmee weg. Het was chaos, maar dat was waar Amon Düül voor stond. Zo ontstond een van de eerste undergroundbands in Duitsland en het publiek was er gek op.

Daar is niets mis mee, maar als er iemand met een platencontract begint te zwaaien, verandert er wat. Sowieso was er al een grote verscheidenheid in opstelling in de groep. De ‘laissez fair’-groep en de groep die iets meer wil met muziek. Het muzikale deel splitst zich af en vormt op bijna logische wijze Amon Düül II. De directe reden voor de splitsing is het bezoek aan de Gruga Halle tijdens de Essener Songtage (1968). Daar maakte Frank Zappa & the Mothers of Invention een verpletterende indruk op de aanwezigen, maar ook The Fugs en landgenoten Tangerine Dream lieten hun muzieksporen achter. Die laatste groep zouden ze nog vaker tegenkomen. Met name Chris Karrer wilde na dit festival zijn muzikale kant sterker ontwikkelen, met als gevolg de genoemde scheiding. Dat wil niet zeggen dat Amon Düül (I) ophield met muziek maken, integendeel. Beide groepen bestonden vervolgens naast elkaar, maar waar Amon Düül ‘hoofdpijnmuziek’ maakt onder de noemer ‘psychedelisch-underground’, veelal jamsessies bestaande uit slaan op allerlei drums met primitieve begeleiding van gitaar of bas, probeert de ‘II of Zwei’-groep iets gestructureerde aan het werk te gaan. Ze treden bijna dagelijks op ‘als er maar een stopcontact is’ en worden zo langzamerhand de favoriete band van de jeugd op zoek. Amon Düül raakt daarentegen meer en meer in de vergetelheid. Zo zijn er vanaf 1988 meteen cd’s van Amon Düül II, voor die van Amon Düül moest je geduld hebben tot 1995 en dan ook nog in Japan wonen. Echter, als er gesproken wordt over Amon Düül, bedoelt men bijna altijd Amon Düül II. Verwarrend werd het toen ex-leden van Amon Düül II, na de zoveelste heroprichting in 1980 kozen voor de naam Amon Düül…

Eerst maar Amon Düül ‘gewoon’ of ‘Eins’. Metronome brengt in 1969 een lp uit van Amon Düül: ‘Psychedelic Underground’. Op het album horen we: Helge Felenda (conga’s, stem), Wolfgang Krischke (drums, piano), Angelika Felenda (drums, zang), Ulrich Leopold (bas, basgitaar), Uschi Obermeier (maracas), Eleonora Romana Bauer (percussie, zang, drums) en Rayner Bauer (zang, 12-snarige gitaar). De verschillende tracks van het album zijn naar verluidt afkomstig van een achtenveertig uur lange sessie in de studio. Het gerucht gaat dat ze na die tijd de studio uitgezet zijn, zo van “Nu is het wel genoeg”. Uit die sessies zijn verschillende ‘tracks’ geknipt en geplakt en geschikt gemaakt voor een album. Het openingsstuk, ‘Ein Wunderhübsches Mädchen Träumt Von Sandosa’ duurt iets meer dan zeventien minuten en laat zich inderdaad beluisteren en vooral beleven als één lange jamsessie.
Een geschiedkundig interessant stuk is: ‘Mama Düül Und Ihre Sauerkrautband Spielt Auf’. Dit stuk werd voor de BBC, Radio 1, vaker gedraaid door de bekende, Engelse dj John Peel. Het zou wel eens kunnen dat de benaming ‘Krautrock’ hier ontstaan is. Daar ligt een stukje nog oudere historie aan ten grondslag. In de Tweede wereldoorlog hadden Engelse soldaten bijnamen voor de Europeanen overzee: de Duitsers waren de ‘Krauts’, de Belgen de ‘Sprouts’, de Fransen de ‘Frogs’ en wij, Nederlanders waren de ‘Clogs’ (klompen). Rock uit het land van de Krauts is dan natuurlijk Krautrock. Het woord wordt voor het eerst bewust gebruikt door de Duitse band Faust op hun vierde album ‘Faust IV’ (1974). Dat album begint met de track ‘Krautrock’.

Er volgen nog drie albums van Amon Düül: Collapsing Singvögel Rückwärts & Co. (1969), ook voor Metronome en voor het Duitse Ohr-label, een sub-label van Metronome, onder leiding van Rolf-Ulrich Kaiser: Paradieswärts Düül (1971). De muziek van het eerste album is ook van genoemde sessie, het tweede album is nieuw en klinkt nog best aardig. Een jaar later doet BASF het nog eens over met maar liefst een dubbelalbum: Disaster (Lüüd Noma) (1972). Het is allemaal ruw, ruig werk met weinig coördinatie of richting en vol fouten. Werk dat ook weer afkomstig lijkt uit de sessie. Of het hier door komt weet ik niet, maar Amon Düül wordt ook wel eens ‘Krautrock most hated band’ genoemd. Als je te lang naar de muziek uit de sessies luistert snap ik dat wel. Het is – denk ik – leuker om mee te doen dan om er later nog eens naar te luisteren.
Blijkbaar lag er nog een restje tape ergens, want in 1984 komt er een eenmalig vervolg met ‘Experimente’; een album met vierentwintig tracks, allemaal genaamd ‘Special Track Experience, no. _” En dan gevolgd door de nummers een tot vierentwintig. Tsja…
Samengevat, wordt de essentie van Amon Düül het best ‘gevangen’ in hun eerste album: ‘Psychedelic Underground’.

Voordat Amon Düül losging, was de muzikaal meer onderlegde afdeling dus al opgestapt om Amon Düül II te vormen: Renate Knaup (1948- /zang), Chris Karrer (1947- /gitaar, sopraansax), John (Johannes) Weinzierl (?/bas), Peter Leopold (1945-2006/drums) en Falk Ulrich Rogner (1943- /orgel). Karrer had als sopraansaxofonist enige ervaring in een jazzband, daarin speelde ook Peter Leopold (drums), Christian Burchard (vibrafoon) en Edgar Hofmann (tenorsax). Amon Düül II maakte in de periode van 1969 tot 1974 drie albums voor Liberty en vier voor United Artists. Daarna stapte een rest van de band over naar Nova, maar dan is de meest interessante periode helaas wel voorbij. Daarom in dit verhaal vooral aandacht voor de periode tot 1974.

Het eerste album van Amon Düül II wordt in 1969 uitgebracht door Liberty: ‘Phallus Dei’, de fallus/penis van god. Het album kent meer ‘Bijbelse’ verwijzingen als Kanaan/Kanaän, het gebied ten westen van de rivier de, alsmede Luzifer /Lucifer. Dat woord betekent ‘lichtbrenger’, maar wordt vaak geassocieerd met een engel die het licht brengt, maar vervolgens van zijn geloof valt en een duivel wordt. Weinzierl: “The record was on the index for its blasphemous title. The Catholic Church together with the Christian/Bavarian government even wanted to ban the album. And the radio stations from the Bayerischer Rundfunk didn’t want to play any of the songs from the album. But the album couldn’t be stopped. Until today it’s still our bestselling album.” Controverse verkoopt altijd goed, toch?

Met deze release blijkt dat de appel nog niet heel ver van de Amon Düül-boom valt, want het titelstuk, ‘Phallus Dei’, is één lange improvisatie. Alleen steekt dit werk iets beter in elkaar, is niet alleen afwisselender, maar ook beter ‘ontwikkeld’. Soms gaat de muziek zelfs richting rockjazz/jazzrock. Dat is zeker zo als Karrer viool gaat spelen. De combinatie viool-gitaar blijkt een goede keus. Karrer over de opbouw van het album: “We had no time for lots of rehearsels. We acted on the principle: whoever has to rehearse probably needs to. Life was much too exciting at the time to retreat to ones’ silent little chamber and solely focus on the music.” Producer Olaf Kübler gaf de band de ruimte in ‘Trixi Studio’s in München. Er was genoeg tijd om de nummers twee keer te spelen, maar de band had ze gisteren nog, eigenlijk de afgelopen weken dagelijks, gespeeld. De opnames waren snel klaar. Kübler zou Amon Düül II’s producer blijven tot de overstap naar Nova. Hij was zo betrokken bij de band dat hij vaak als gastmusicus meespeelde, maar bovenal zorgde hij voor een voor die geweldig goed geluid.

‘Phallus Dei’, het album, is een goede afspiegeling van wat de groep toen live deed. Weinzierl: "The band played almost every day. We played universities, academies, underground clubs, and every hall with a power socket and an audience". De ‘Süddeutsche Zeitung schrijft hierover: ‘Amon Düül II is an underground de-luxe group, which lure their loyal fans to chaotic and unforgettable concerts. It is a pop band that needn’t shy away from comparisons with Pink Floyd and The Velvet Underground, but they are much better, more influential and more progressive than their English and American counterparts.” Hier spreekt een krant met de bekende Duitse ‘Stolz’ over de jongeren in het land, maar de vergelijking met voornoemde bands gaat toch enigszins mank. Het klopt in zoverre wel dat Amon Düül II invloeden laat horen van de Floyd of the Velvet’s. De eerste in hun sferische, spacy, trippy aanpak, de tweede vaak in de zangpartijen en de ‘drone’. Met ‘drone’ bedoel ik niet per sé ‘dreun’, maar meer het vrij strakke, alsmaar doorgaande ritme. Dat laatste is zeker een essentieel onderdeel van ‘Krautrock’. Luister maar eens naar Can, Faust, Kluster/Cluster of Neu!
Er zijn enkele wijzigingen in de commune-bezetting, benevens enkele gasten. Dave Anderson (1949- /basgitaar), Shrat (bongo, zang, viool), Holger Trülzsch (Turkse trom), Christian Borchard (vibrafoon) en Dieter Serfas (drums, elektrische bekkens). Karrer heeft zijn instrumentarium uitgebreid met viool en sopraan saxofoon. Met gaste ‘Henriette Krötenschwanz’ wordt zangeres Renate Knaup bedoeld.

‘Phallus Dei’ wordt vaak in een adem genoemd met ‘Monster Movie’ (1969) van Can als het gaat om de eerste of belangrijkste Krautrockalbums. Of dat terecht is weet ik niet, want op dat moment timmerde bands als Guru, Faust, Popol Vuh, Ash Ra Temple, Kraftwerk, Cluster en Tangerine Dream ook aardig aan de Krautrockweg. Het Engelse Melody Maker ziet het echter helder: “Amon Düül II is the first German group whose music can be regarded as a contribution on its own to international pop culture.”

De band blijft leven in communevorm en sommige bewoners komt zo ook terecht in de Berlijnse ‘Kommune 1’, de eerste volledig politiek gemotiveerde commune in Duitsland. Eind jaren zestig was echter inmiddels een tweede fase begonnen, een fase die meer gekenmerkt werd door seks, muziek en drugs. Een van de oudere bewoners van Kommune 1, Rainer Langhans, kwam tijdens de Essener Songtage fotomodel Uschi Obermeier van de commune Amon Düül tegen. Ze raakten verliefd. Een van de communregels was dat “iemand die twee keer naar bed gaat met dezelfde vrouw al bij het establishment hoort…”. Obermeier was daarom wel in voor een open relatie en sprak daarover met de pers. Na haar intrek in Kommune 1 leidde dat feit er met name er toe dat Kommune 1 een drukbezochte plek werd. Zo stapte Jimi Hendrix daar op een ochtend binnen, waarop Obermeier verliefd werd op Hendrix. Door die relatie werd ze populairder en steeg haar salaris aanzienlijk, bovendien kreeg ze rollen in films en kwam haar afbeelding op posters. Door de grote verschillen in Kommune 1 en vooral het druggebruik viel de commune eind 1969 uit elkaar. Langhans en Obermeier gingen terug naar München. Dit even als illustratie voor het tijdbeeld. Terug naar de muziek.

In 1970 volgt Amon Düül II’s tweede album: ’Yeti’. Een dubbel-lp. Op de voorzijde van de hoes is Wolfgang Krischke, hun oude maat van Amon Düül afgebeeld met een zeis. Een beetje dubbel beeld. De band ziet het als eerbetoon, want Krischke is kort daarvoor op minder prettige wijze aan een overdosis LSD overleden. Hem afbeelden met een zeis, beetje de dood met de zeis, werd niet door iedereen even fijnzinnig gevonden.
De bezetting is bijna dezelfde als op ‘Phallus Dei’. Anderson is inmiddels de vaste bassist geworden, Shrat speelt bongo’s en zingt, alleen Serfas doet niet meer mee. Op de laatste track, ‘Sandoz in the Rain’ speelt, opnieuw als eerbetoon, maar ook om de goede harmonie te laten horen, een aantal oude bekenden mee: Ulrich Leopold (bas) en Rainer Bauer (gitaar, zang), beiden van Amon Düül. Een speciale gast is Thomas Keyserling (fluit). Keyserling speelt vooral in jazz-setting met mensen als Gúnther Hampel en The Berlin Jazz Workshop Orchestra. Die jazzvoorliefde van Karrer was nog niet weg.
Veel mensen in Duitsland keken uit naar dit album. Kort voor de release had Regisseur Rüdiger Nüchtern een documentaire gemaakt: ‘Amon Düül II plays Phallus-Dei’. En die film was goed bevallen. De band zelf had tussendoor de soundtrack gemaakt voor de film ‘San Domingo’ waarvoor ze de ‘Deutsche Bundesfilmpreis’ ontvingen.

Amon Düül II kreeg twee weken tijd om op te nemen en kon dit keer gebruik maken van een 16-sporen deck. Een enorme vooruitgang. De sfeer was goed en de muziek stroomde de studio in. Voldoende voor twee albums. Iedereen blij. Knaup: “This time I didn’t just sing ‘ooh’ and ‘aah’, but actual lyrics. We were still the same radical psychedelic band on ‘Yeti’, however just with a ‘pop-touch’.“ Dat bleek, sommige tracks waren voorbereid, anderen ontstonden, net als bij ‘Phallus Dei’, spontaan. De eerste track van ‘Yeti’ is: ‘Soap Shop Rock’ bestaat uit vier delen en beslaat bijna heel kant één van de lp. Het langste nummer, de titeltrack ‘Yeti’ is een lange improvisatie van achttien minuten op kant drie. De muziek heeft nog steeds een vorm gebaseerd op improvisaties, maar krijgt al iets meer richting. Ook zijn er invloeden uit het verre- en midden Oosten te horen.
De pers was lyrisch. Het Franse Rock & Folk schreef: “For us this record is the discovery of a new dimension in pop music. A fantastic surrealism, a new spectacle.” De plaatselijke krant, de ‘Tageszeitung’ meldde: ‘You almost got overwhelmed by the force of richness of sound, motifs which move through different musical styles, plus the additional vocals, like whipped out Wagnerian vocalists. The music is so clever and as mysterious as a woman’s soul. It’s refreshing to listen to something really new on the otherwise crowded pop music market.”
In het Duitse jongerenblad ‘Musik Express’ werd Amon Düül II gekozen tot ‘meest populaire nieuwe band’ en ‘Yeti’ als het beste album. Renate Knaup werd gekozen tot ‘zangeres van het jaar’, daarmee tot haar grote genoegen Hildegard Knef van die plek stotend.
iets recenter schreef het Britse The Wire: ‘Yeti is one of the cornerstones of [...] the entire Krautrock movement."
Met ‘Yeti’ raakt Amon Düül II ook buiten Duitsland bekend, vooral in Engeland. Gesteund door Peel werd daar de single ‘Archangel’s Thunderbird’ populair en dat vergrootte de bekendheid weer en dat ondanks het feit dat Amon Düül II nu niet bepaald een single-groep te noemen was.
er was nog een film-link: Filmregisseur Rainer Werner Fassbinder’s filmde in deze periode een liveoptreden van de groep voor zijn film ‘The Niklashausen Journey’ (1970). Wat je ziet is een jamsessie voor een behoorlijk ‘stoned’ publiek, met daartussenin enkele in de tijd verdwaalde bloemenkinderen.

Het derde album gaf nog wat veranderingen. ‘Tanz der Lemminge’ (1971) is opnieuw een dubbel-lp, maar met een stuk minder improvisaties. Het album was er bijna niet gekomen, want de band had enorme schulden. Bij een optreden in ‘Keks Club’, Keulen, was brand uitgebroken. Het hele gebouw brandde af, net als de complete geluidsinstallatie en muziekinstrumentarium van Amon Düül II. Ook waren er vier doden te betreuren. De apparatuur met een waarde van 100.000 Mark (toen had elk land nog een eigen munt) was niet verzekerd en voorgeschoten door de platenmaatschappij. Het grootste deel van dat geld moest nog terugbetaald worden. Maar nu was de vraag: hoe? De band stond op het punt van opgeven, maar aan de andere kant, het ging net allemaal goed. Er werd een regeling getroffen en Amon Düül II kon door.
Dat ‘door’ gold tevens voor de muziek, want de groep had zich verder ontwikkeld; het nieuwe werk was vooral gebaseerd op composities. In feite is het een logische stap, maar het blijft een lastige situatie. Het publiek is altijd kritisch, veranderen je teveel dan haakt het af, verander je niets, idem, want dan is er geen ontwikkeling… Leopold vond dat de songs een stuk beter in elkaar zaten dan op ‘Phallus Dei’. Door groei in muziek en opnametechniek waren de nummers voor ‘Tanz der Lemminge’ een stuk complexer geworden en dat maakte het lastiger ze live te vertolken: “They were just too complex. IT was also the first time that we hadn’t tested the songs live before recording them.” Karrer vond het jammer dat een deel van het publiek afhaakte, maar rechtvaardigde de groei: “It wasn’t our intention to fulfill the expectations of anyone. We still kept tinkering around with our vision.”
Bassist Anderson is dan al vertrokken naar Engeland om daar bij Hawkwind te gaan spelen. In zijn plaats komt Lothar Meid (1942-2015). Voor elektronica, synthesizer en opnametechniek zorgt K.H. – Kalle – Hausmann (?). Opvallender is de afwezigheid van zangeres Knaub. Daarmee is Amon Düül II nu een band van vijf personen: Weinzierl, Karrer, Meid, Leopold en Hausman. Wel zijn er enkele gasten: Jimmy Jackson (keyboards), Al Gromer (sitar). Op twee verschillende tracks doen mee Rolf Zachter (zang) en Henriette Kroetenschwanz (zang). Die laatste kennen we beter als Renate Knaup.

‘Tanz der Lemminge’ bestaat uit drie ‘suites’: het vierdelige "Syntelman's March Of The Roaring Seventies', het uit negen stukken bestaande 'Restless Skylight-Transistor-Child ' en de vierdelige ‘Chamsin Soundtrack’. ‘Syntelman’s March’ is bijna in zijn geheel geschreven door Karrer, het lange ‘Restless Slylight’ voornamelijk door Weinzierl. De filmmuziek is een groepsgebeuren. Het is de filmmuziek van de film ‘ChamSin’ met Maria Schell in de hoofdrol. Het is een surrealistische, psychedelische film waarin een vrouw moet kiezen tussen twee minnaars, broers van elkaar. Wat niemand, zij ook niet, weer is dat zij hun zus is.
Gezien de opbouw van het album kwam bij mij een vergelijking boven met – opnieuw - Pink Floyd in deze tijd, denk daarbij aan ‘More’ en ‘Ummagumma’. Fascinerende, grensverleggende muziek. Voor mij paste dat prima, maar niet iedereen was blij met de iets meer gestructureerde aanpak, een groep ‘fans’ haakte af. Aan de andere kant kregen ze er nieuwe bij.
Ik vond en vind het Amon Düül II’s beste album, een mening die ik bij de kenners vaker hoor. Het Engelse blad New Musical Express vond ‘Tanz der Lemminge’ zelfs “the best highlight in German Rock”.

De tijdelijke afwezigheid van Knaup, nu Knaup-Krötenschwanz, wordt op album nummer vier ‘Carnival in Babylon’ (1972) helemaal goed gemaakt. Sterker nog, het album heeft zes, kortere nummers met échte songs en de zang in een prominente rol. Daarmee komt er een nog grotere kentering in de muziek; er is zelfs ruimte voor wat ballads. Het album zette menigeen op het verkeerde (?) been. “I don’t know if there is a commercial ulterior motive behind this obvious simplification of the music, that is to say to produce just a popular and commercially exploitable album.”, schreef het muziekblad Sounds. Ondanks dat alles viel er genoeg te genieten tijdens het karnaval. Maar de mindset moest duidelijk anders. Overigens is het niet zo dat je nu even snel mee kan zingen of je voet mee kan tikken; er zijn genoeg grillige wendingen en geluidseffecten.

‘Wolf City’ is ook uit 1972 en gaat verder op de weg van ‘Carnival in Babylon’. Kortere tracks, meer zang. Leopold drumt nu afwisselend of samen met Daniel Fichelscher (1953- ). Fichelscher wordt op het album ‘D. Secundus’ genoemd. Jackson speelt op alle tracks mee. ‘Wolf City’ is in tegenstelling tot vorige albums in een relaxte sfeer opgenomen en dat hoor je. Het is minder complex in laagjes en daarom nog helderder in songstructuren met opnieuw Knaup als frontvrouw-zangeres. Natuurlijk zijn er de typische Amon Düül II-stukken, maar die zijn in de minderheid of kort., dan komt de ‘spacerock’ letterlijk uit de lucht vallen. Met dit album wilde Karrer uit de kleine cirkel treden en meer naar buiten toe werken, maar dat viel nog niet mee.

‘Vive la Trance’ (1973) is het laatste studioalbum uit deze periode. Er wordt enigszins teruggegrepen op ‘etnische’ invloeden, zoals de oosterse op ‘Tanz der Lemminge’. Een track als ‘Mozambique’ laat dat duidelijk horen. Je zou met zo’n titel anders verwachten, maar dit is het meest popachtige album van de band. Maar eigenlijk komt dat ook doordat het avontuur in de muziek een beetje ontbreekt. De muziek is niet slecht, maar de reis die je eerder maakte is er nu in een wat irritant, langzame stoptrein. Een niet nader genoemde journalist had daar andere ideeën over: “… the bubbering, airy and eerie sounds with which I would really prefer filling up my bathtub.” Ik heb alleen een douce, maar veelzeggend is dat bij mij bij de re-release cd uit 2007 de bonustrack ‘Pink Purple’ het meest opvalt en mijn oren spits. Dit klinkt echt ‘vertrouwd’. Nog een kleine personeelswissel is er ook: Lothar Meid is vervangen door Robby (Bobby) Heibl.

De groep die lange tijd in Engeland populairder was dan in eigen land nam een jaar eerder, op 16 december 1972 met hulp van de Pye Mobile een optreden op in “the Greyhound’, Croydon. Het is hun tweede Engelse tournee. Op het podium staan: Meid, Fichelscher, Leopold, Karrer, Weinzierl, Rogner en Knaup-Krötenschwanz. Er wordt opvallend vooral muziek gespeeld van ‘Yeti’ en ‘Tanz der Lemminge’. Misschien was de twijfel bij hun zelf ook al toegeslagen? Het album verschijnt als ‘Live in London’ (1973). Sounds schreef: “Although it’s actually a pity that Live in London is a comparatively old recording and the development of the band made in the meantime is not taken up, the album yet conveys a good impression of one of the more successful concert shows by Amon Düül.” Was het vroeger dan toch beter?

Hoe dan ook, Renate Knaup-Krötenschwanz vertrok tijdelijk naar Popul Vuh en Amon Düül II viel langzaam uit elkaar. Eerst was daar nog een amicaal afscheid van vaste producer Olaf Kübler en idem dito van hun platenmaatschappij United Artists. Karrer tekende een nieuw contract met Nova om Amon Düül II’s muziek internationaal meer bekendheid te geven. Een laatste release op United Artists, om het contract vol te maken, was het verzamelalbum ‘Lemmingmania’ (1975). De naam naar analogie van ‘Beatlemania’. Op ‘Lemmingmania’ staan be- en onbekende tracks, aangevuld met singlesversies. De cd-versie uit 2006 voegt daar nog wat bonustracks aan toe, alsmede een cd-rom video: ‘All the Years Round’, een nummer ten tijde van ‘Carnival in Babylon’. Het album geeft een goed overzicht van de band, maar voor het echte werk zijn de langere stukken van ‘Yeti’ of ‘Tanz der Lemminge’ nodig, dat is muziek van de band op de top van hun kunne.

In vaak gewijzigde bezetting en al dan niet met sommige oud-leden ging Amon Düül door tot 1981, maar veel bekender werden ze er niet mee. De albums die nog gemaakt werden leken soms afkomstig van een andere band. Achteraf wel en dan wordt met name de ‘hoogtijperiode’ tot 1974 genoemd. Karrer ging schilderen en was enige tijd lid van een andere Duitse Krautrockband, Embryo. Meer succes had hij met Münchener Freitheit. Meid was een tijdlang producer en maakte enkele soloalbums. Van de andere musici werd weinig meer vernomen. In 1989 kwam Amon Düül II even bovendrijven ter gelegenheid van een aantal afscheidsconcerten bij het overlijden van Hawkwind’s Robert Calvert. Meteen daarachteraan volgde een kleine reeks concerten in Italië. In 2006 overleed Peter Leopold. De andere leden brachten een eerbetoon tijdens zijn afscheidsdienst. Live nam Fichelscher de drumkruk weer over. Het laatste album to nu toe is uit 2010: ‘Bee as Such’.

Eind jaren zestig had de Duitse rock iets magisch, dat werd gevangen in Krautrock. Sommige bands namen de magie mee in hun latere carrière, zoal Can, bij anderen werd het een worsteling om die vast te houden. De veelbelovende Amon Düül II werd zelfs vergeleken met Pink Floyd, maar slaagde er niet in de intensiteit van hun beginperiode te evenaren. Desondanks staat de band nog steeds goed op de Krautrockkaart, maar er zit wel een ‘houdbaarheidsgrens’ aan. Laten we daarom maar met Amon Düül teruggaan naar de beginjaren van de ‘roaring seventies’ om ons te wagen aan een heuse danspartij, maar dan wel in de ‘underground’.